vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling privaatrecht Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/254088 / HA ZA 17-52 Vonnis van 28 maart 2018 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. A. Paternotte te Hoofddorp, tegen 1 [gedaagde1], wonende te [woonplaats], 2. de maatschap KURK & JACOBS NOTARISSEN, gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEDEN VERSCHEEN B.V., gevestigd te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad, 4. [gedaagde4], wonende te [woonplaats], gedaagden, advocaat mr. E.A.L. van Emden te 's-Gravenhage. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde1] c.s. genoemd worden. Gedaagden zullen – voor zover van belang – afzonderlijk [gedaagde1], Kurk & Jacobs, Heden Verscheen en [gedaagde4] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 22 maart 2017 het proces-verbaal van comparitie van 30 januari 2018 met de daarin vermelde stukken de brief van mr. Paternotte van 22 februari 2018 voor zover de tekst daarvan niet is doorgestreept door de rechtbank. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De maatschap Kurk & Jacobs dreef sinds 2009 een notariskantoor. De maatschap werd gevormd door mr. [gedaagde4] en Heden Verscheen B.V. In 2012 was [gedaagde1] als kandidaat-notaris in dienst van het notariskantoor. Inmiddels is de maatschap Kurk & Jacobs opgegaan in de maatschap Zaannotarissen, waarvan mr. [gedaagde4], Heden Verscheen B.V. en mr. V.J.M. Bos B.V. de vennoten zijn. 2.2. Omstreeks 12 juli 2012 is [eiser] benaderd door [A.] (hierna: [A.]) met de vraag of hij bereid was geld uit te lenen. [A.] heeft [eiser] op 15 juli 2012 in contact gebracht met [B.] (hierna: [B.]). 2.3. Op 15 juli 2012 hebben [eiser], als schuldeiser en Jamoah Trading B.V. (hierna: Jamoah), vertegenwoordigd door [B.], als schuldenaar een door [eiser] opgestelde overeenkomst van geldlening ondertekend, waarin – onder meer – het volgende is opgenomen: “OVERWEGENDE: (…) - Dat Schuldenaar de middelen wenst aan te wenden voor een vastgoedtransactie in [land] alwaar een bovengemiddeld rendement kan worden behaald en dat deze transactie uiterlijk vandaag dient te zijn voltooid; (…) Artikel 1. De lening 1.1. Schuldeiser verstrekt aan Schuldenaar een kortlopende lening tot een bedrag van € 125.000 welke lening door Schuldenaar bij deze wordt aanvaard. Het bedrag van de lening dient te worden overgemaakt naar [C.] [woonplaats] [de rechtbank: Turks bankrekeningnummer] 1.2. Schuldeiser is verplicht de totale in het vorige lid genoemde som uiterlijk binnen 2 maanden na verstrekking, zodoende uiterlijk 17 september 2012, over te maken aan Schuldenaar. Artikel 2. Aflossing en rente 2.1. Schuldenaar is verplicht het geleende bedrag uiterlijk 17 september 2012 aan Schuldeiser terug te betalen. 2.2. Ingaande heden is Schuldenaar verplicht te betalen een rente van € 1.000 per maand (0.8% per maand) over het uitstaande bedrag der lening. Schuldenaar zal de rente voldoen op de zeventiende dag van iedere maand, voor het eerst op 17 augustus 2012 en de laatste termijn uiterlijk 17 september 2012. (…) Artikel 7. Zekerheden 7.1. Tot meerdere zekerheid van de voldoening van al hetgeen Schuldenaar uit hoofde van voormelde lening (...) is verschuldigd aan Schuldeiser, zal Schuldenaar een eerste hypothecaire inschrijving verstrekken op het perceel en opstallen gelegen aan de [adres], waarvoor door Schuldenaar door ondertekening van deze overeenkomst een onherroepelijke volmacht wordt gegeven aan de heer [gedaagde1] Van Vanderveen en Kurk notarissen te Zaandam de hypothecaire akte op te maken en te verlenen uiterlijk 19 juli 2012, met een totale hypothecaire inschrijving van € 225.000. (...)” 2.4. Op 16 juli 2012 heeft [A.] een bezoek gebracht aan [gedaagde1] op het kantoor van Kurk & Jacobs. [A.] heeft [gedaagde1] bij die gelegenheid de overeenkomst van geldlening voorgelegd en hem verzocht om de notariële afhandeling daarvan te verzorgen. Tijdens het gesprek met [A.] heeft [gedaagde1] telefonisch contact gehad met [eiser]. 2.5. Op 17 juli 2012 heeft [eiser] het bedrag van € 125.000,-- rechtstreeks overgeboekt naar de bankrekening van [C.] in [land]. 2.6. In het dossier bevindt zich een telefoonnotitie, opgemaakt door een medewerkster van Kurk & Jacobs, en gericht aan [gedaagde1]. Volgens de notitie heeft [A.] op 18 juli 2012 om 8.15 uur gebeld. Bij “onderwerp of bijzonderheden” heeft de medewerkster vermeld: “Van dhr. [eiser] gaat niet door morgen!! Niet aan beginnen.” 2.7. [gedaagde1] heeft na die telefonische mededeling van [A.] geen werkzaamheden meer uitgevoerd met betrekking tot de overeenkomst van geldlening en hij heeft verder geen contact gehad met [eiser]. [gedaagde1] heeft ook geen nota verzonden. 2.8. Jamoah heeft geen rente betaald en zij heeft het geleende bedrag van € 125.000,-- tot op heden niet aan [eiser] terugbetaald. 2.9. In april 2013 heeft [eiser] telefonisch contact opgenomen met [gedaagde1] over de uitwinning van zekerheden. Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde1] aan [eiser] meegedeeld dat hij in juli 2012 geen hypotheekakte heeft opgemaakt en gepasseerd. 2.10. Op 21 januari 2014 hebben [eiser] en [gedaagde1] elkaar gesproken over de gang van zaken in juli 2012. [eiser] heeft de inhoud van het gesprek met [gedaagde1] vastgelegd in een verslag dat hij op 14 februari 2014 per e-mail aan [gedaagde1] heeft gestuurd. 2.11. Op 5 maart 2014 heeft [gedaagde1] per e-mail op het gespreksverslag van [eiser] gereageerd. In deze e-mail staat onder meer het volgende: “(…) Aan de orde is toen inderdaad, voor zover mij dat nog voor ogen staat, gekomen dat de heer [A.] mij het contract had overhandigd, dat overmaking door ons naar het in het contract opgenomen Turkse rekeningnummer niet eerder dan na inschrijving van de klaarblijkelijk op te maker hypotheekakte zou kunnen gebeuren, dat ik van de heer [A.] begrepen had dat het klaarblijkelijk van het grootste belang was dat die betaling plaats zou vinden op kortere termijn dan na passeren en inschrijven van de op te maken hypotheekakte en dat ik u verteld heb dat die tijdige overmaking alleen plaats zou kunnen vinden als het bedrag rechtstreeks naar het bedoelde rekeningnummer zou worden overgemaakt. (…) Na ons telefoongesprek en de bespreking met de heer [A.] heb ik de voorbereiding van de akten per 19 juli 2012 zo snel mogelijk ter hand genomen; op 18 juli kreeg ik een telefoonnotitie, waaruit bleek dat de heer [A.] gemeld had dat de transactie op 19 juli geen doorgang zou vinden en dat ik mijn voorbereidingen kon staken, c.q. niet met die voorbereidingen zou moeten beginnen. Daaruit maakte ik op dat de gehele overeenkomst (...) klaarblijkelijk was ontbonden (...). 2.12. Op 13 februari 2015 heeft [eiser] een klacht ingediend tegen [gedaagde1] bij de Kamer voor het notariaat (hierna: de kamer). Aan de klacht is door [eiser] ten grondslag gelegd dat [gedaagde1] in strijd zou hebben gehandeld met artikel 17 Wet op het notarisambt. 2.13. Op 28 juli 2015 heeft de kamer de klachten van [eiser] ongegrond verklaard. In de uitspraak overweegt de kamer – voor zover in deze van belang – het volgende: “(...) 5.2 (...) Niet is komen vast te staan dat de kandidaat-notaris in dat telefoongesprek klager heeft verzocht en/of meegedeeld het geld rechtstreeks over te maken op de Turkse bankrekening. Niet aannemelijk is dat de kandidaat-notaris toen al doende was met de opstelling van de hypotheekakte. Veeleer is aannemelijk dat de kandidaat-notaris bij dit eerste gesprek de overeenkomst nog niet eens goed had bestudeerd en daarom, bijvoorbeeld, er nog niet op had kunnen wijzen dat een volmacht tot hypotheekverlening niet onderhands kan worden verleend. De door de kandidaat-notaris gegeven schets van de gang van zaken, inhoudende dat hij het dossier even heeft laten rusten toen hij de volgende dag een eerste recherche pleegde en zag dat het te verhypothekeren pand geen eigendom was van Jamoah, acht de kamer bovendien eveneens aannemelijk. Het door klager gestelde gerechtvaardigd vertrouwen dat een hypotheekakte zou worden gevestigd op of kort na 16 juli 2012 valt naar het oordeel van de kamer dan ook niet uit de feiten af te leiden. Daarbij merkt de kamer op dat, zelfs als wordt aangenomen dat de kandidaat-notaris heeft meegedeeld dat hij bezig was met een hypotheekakte, dat nog niet betekent dat die hypotheek reeds is gevestigd of zonder meer spoedig kon en zou worden gevestigd. (...) 5.3 Slechts in het geval dat de kandidaat-notaris wist of had kunnen weten dat klager het geldbedrag daadwerkelijk zou gaan overmaken naar de Turkse bankrekening, zou de kandidaat-notaris klachtwaardig hebben gehandeld door niet te wijzen op de consequenties daarvan. Van die wetenschap is de kamer echter niet of onvoldoende gebleken. (...) 5.4 Niet is komen vast te staan dat klager aan de kandidaat-notaris opdracht heeft verstrekt tot het vestigen van een hypotheek. Klager heeft de kandidaat-notaris niet meegedeeld dat hij daadwerkelijk het geldbedrag had overgemaakt op de Turkse bankrekening. De kandidaat-notaris kon daarom, na ontvangst van de telefoonnotitie van [A.], zijn recherchewerkzaamheden te behoeve van een eventueel op te maken hypotheekakte staken zonder daarvan mededeling te doen aan klager. (…)” 2.14. [eiser] heeft hoger beroep tegen de uitspraak van de kamer ingesteld bij de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) en als grondslagen aan de klacht toegevoegd de artikelen 3 en 5 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011. 2.15. Op 24 juni 2016 heeft het hof de klachten van [eiser] grotendeels ongegrond verklaard. Eén klacht is gegrond verklaard, op grond waarvan aan [gedaagde1] een waarschuwing is opgelegd. Het arrest houdt – voor zover in deze van belang – het volgende in: (…) 6.1 Ten aanzien van het eerste deel van de klachtonderdeel is het hof van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de kandidaat-notaris tijdens het telefoongesprek op 16 juli 2012 aan klager heeft verzocht en/of medegedeeld het bedrag van € 125.000,-- rechtstreeks over te maken naar de bankrekening van [C.]. In zoverre is dit klachtonderdeel dan ook ongegrond. (…) 6.3 Naar het oordeel van het hof heeft klager zijn verwijt – gelet op de gemotiveerde betwisting van de kandidaat-notaris – onvoldoende onderbouwd om aannemelijk te achten dat de kandidaat-notaris bij hem op 16 juli 2012 het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat het hypotheekrecht op of omstreeks die datum zou worden gevestigd. Dit deel van klachtonderdeel i. is derhalve eveneens ongegrond. Klachtonderdeel ii. 6.4 De kamer heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel het volgende overwogen. Slechts in het geval dat de kandidaat-notaris wist of had kunnen weten dat klager het bedrag van € 125.000,-- daadwerkelijk zou gaan overmaken naar de bankrekening van [C.], zou de kandidaat-notaris klachtwaardig hebben gehandeld door niet te wijzen op de consequenties daarvan. Van die wetenschap is de kamer echter niet of onvoldoende gebleken, zodat klachtonderdeel ii ongegrond is. 6.5 Het hof verenigt zich met dit oordeel van de kamer en de gronden waarop het berust en voegt daaraan nog toe dat klager ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kandidaat-notaris wist of had kunnen weten dat klager het ten processe bedoelde bedrag naar de bankrekening van [C.] zou overmaken. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander oordeel rechtvaardigen. De kamer heeft klachtonderdeel ii. terecht ongegrond verklaard. Klachtonderdeel iii. 6.6 (…) [A.] was volgens klager bemiddelaar bij de overeenkomst van geldlening en tevens ‘boodschapper’ van de in de overeenkomst van geldlening opgenomen opdracht aan de kandidaat-notaris tot het opmaken van een hypotheekakte ten behoeve van klager en ten laste van de BV. De kandidaat-notaris heeft dit niet weersproken. Ook hij heeft aangegeven dat hij destijds had begrepen dat [A.] als woordvoerder van klager en de BV handelde. Geconstateerd dient derhalve te worden dat [A.] niets van doen had met de hypotheekakte zelf, althans hij zou geen partij zijn bij die hypotheekakte. Het had dan ook op de weg van de kandidaat-notaris gelegen om na kennisneming van de telefoonnotitie met de mededeling van [A.] dat geen hypotheekakte meer behoefde te worden opgesteld, bij klager te verifiëren of deze mededeling juist was. Zekerheidsstelling in de vorm van vestiging van het recht van hypotheek was immers ten behoeve van klager. Door niet bij klager na te gaan of hij het dossier daadwerkelijk kon sluiten, heeft de kandidaat-notaris onzorgvuldig jegens klager gehandeld. Dit klachtonderdeel is dan ook, anders dan de kamer heeft geoordeeld, gegrond. (…)” 2.16. Op 13 oktober 2016 heeft de advocaat van [eiser] het hof verzocht om het proces-verbaal van 31 maart 2016 aan te vullen en de beslissing van 14 juni 2016 ten aanzien van rechtsoverweging 6.4 te herzien. Aan dit verzoek heeft [eiser] de stelling ten grondslag gelegd dat [gedaagde1] tijdens de zitting zou hebben bevestigd dat [eiser] aan hem heeft medegedeeld dat [eiser] het geldbedrag van € 125.000,-- daadwerkelijk zou gaan overmaken naar [land]. Op 18 oktober 2016 heeft het hof in reactie op de brief van 13 oktober 2016 verklaard dat niet is gebleken dat het proces-verbaal onvolledig zou zijn dan wel onjuistheden zou bevatten. Het verzoek tot aanvulling en herziening is om die reden afgewezen en de beslissing van 14 juni 2016 is in stand gelaten. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] te betalen: het bedrag van € 125.000,--, de buitengerechtelijke kosten ad € 2.025,--, de kosten van de procedure en de nakosten, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering – kort samengevat – ten grondslag dat hij als gevolg van fouten die [gedaagde1] als notaris heeft gemaakt schade heeft geleden. [eiser] heeft door toedoen van [gedaagde1] € 125.000,-- overgemaakt naar een bankrekening in [land] zonder dat daarvoor zekerheid was gesteld. De schuldenaar biedt geen verhaal, dus als gevolg van het onzorgvuldig handelen van [gedaagde1] is [eiser] dit geld feitelijk kwijt. Naast [gedaagde1] is Kurk & Jacobs als voormalig werkgever van [gedaagde1] en Heden Verscheen en [gedaagde4] als diens vennoten aansprakelijk, omdat Kurk & Jacobs aansprakelijk zijn voor het handelen van haar ondergeschikte [gedaagde1] op grond van de Wet op het Notarisambt, althans op grond van artikel 6:170 BW. 3.3. [gedaagde1] c.s. voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. Kern van het geschil is of [gedaagde1] als notaris de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mag worden verwacht. Volgens [eiser] is dat niet het geval, omdat [gedaagde1] rond de vestiging van het recht van hypotheek drie fouten heeft gemaakt. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.