RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Privaatrecht Sectie Handel & Insolventie zaaknummer: C/15/277965 18-1138 Beschikking van 29 augustus 2018 op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van [schuldenares], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] wonende te [woonplaats], schuldenares. tegen de burgerlijke maatschap Prins & Koster Advocaten gevestigd te Den Helder hierna te noemen schuldeiser gemachtigde: Van der Vleuten & Van Hooff Gerechtsdeurwaarders. 1Het verzoek en de beoordeling 1.1 Op 17 augustus 2018 is ter griffie het verzoek ingekomen van schuldenares tot het opleggen van een dwangakkoord ex art. 287 onder a Faillissementswet (Fw), en bij afwijzing daarvan het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling ex art. 284 Fw. Tevens heeft schuldenares de rechtbank verzocht – totdat op voormelde verzoeken is beslist – bij voorlopige voorziening ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet (Fw) de door Van der Vleuten & Van Hooff Gerechtsdeurwaarders namens de burgerlijke maatschap Prins & Koster Advocaten executoriaal gelegde beslagen op alle voor beslag vatbare gelden en roerende zaken van schuldenares die zich onder het Openbaar Lichaam op basis van gemeenschappelijke regeling WerkSaam Westfriesland te Hoorn en de Stichting Kredietbank Nederland te Leeuwarden bevinden, op te schorten, teneinde te voorkomen dat de minnelijke regeling wordt verstoord. 1.2 De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorlopige voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is teneinde schuldenares in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met haar schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beslagen op 4 juli 2018 en 26 juli 2018 zijn gelegd, terwijl vóór deze data aan de schuldeisers reeds bekend is gemaakt dat schuldenares een schuldregelingsovereenkomst met de schuldbemiddelaar had gesloten om tot een minnelijke regeling met haar schuldeisers te komen, en er tevens reeds een brief was gestuurd met een minnelijk voorstel. Gelet hierop weegt het belang van schuldenares dat het minnelijk traject niet wordt gefrustreerd thans zwaarder dan het belang van deze schuldeiser bij het beslag. 2Beslissing De rechtbank: schorst de tenuitvoerlegging van het van de met ingang van 4 juli 2018 en 26 juli 2018 door Van der Vleuten & Van Hooff Gerechtsdeurwaarders ten laste van [schuldenares] gelegde beslagen; bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat in eerste aanleg is beslist op het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord en/of het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel dat deze verzoeken worden ingetrokken; bepaalt dat voormelde verzoeken tot oplegging van een dwangakkoord en/of toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zullen worden behandeld op [datum]; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2018.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.