← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:8126

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Alkmaar Enkelvoudige raadkamer Registratienummers: 18.002116 en 18.002117 Parketnummer: 15.138295.17 Uitspraakdatum: 1 oktober 2018 Beschikking (art. 89 en 591a Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 5 maart 2018 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. S.J.M. Jaasma, advocaat, ingediend verzoekschrift van [verzoeker 1] , [geboortedatum] [woonplaats] domicilie kiezende te (1062 AR) Amsterdam, Marius Bauerstraat 30, ten kantore van mr. S.J.M. Jaasma, voornoemd. Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van: € 315,-, ter zake van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden tengevolge van ten onrechte ondergane verzekering; € 1.557,51 (incl. € 15,20 kilometervergoeding), wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak; € 550,-, wegens de kosten van bijstand met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift. Op 17 september 2018 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Voor verzoeker is verschenen mr. S.J.M. Jaasma, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J.M. Lengers. 2Beoordeling De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een bevestiging van de officier van justitie per email, d.d. 9 februari 2018, aan de advocaat van verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak tegen verzoeker is geseponeerd. Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift is tijdig ingediend. Verzoeker is op 26 maart 2017 in verzekering gesteld en op 28 maart 2017 in vrijheid gesteld. Op de voet van het bepaalde in de artikelen 89, 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering kan de gewezen verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – aanspraak maken op vergoeding van de door deze ten gevolge van ondergane verzekering geleden schade, respectievelijk de gemaakte kosten van een advocaat, zo daartoe althans gronden van billijkheid aanwezig zijn, alle omstandigheden in aanmerking genomen. De rechtbank overweegt het volgende. Verzoek ingevolge art. 89 Sv In zijn arrest HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat bij het billijkheidsoordeel van de rechter omtrent het toekennen van een tegemoetkoming en bij het bepalen van de hoogte daarvan een belangrijke rol kan spelen in hoeverre de verdachte de voorlopige hechtenis “aan zijne eigen houding te wijten heeft”. Daarmee citeerde de Hoge Raad uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 90 Sv. Voorts is in dit arrest van de Hoge Raad onder meer de volgende passage weergegeven uit de Memorie van Toelichting bij de wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 (waarbij in artikel 89 Sv de term tegemoetkoming is vervangen door schadevergoeding): “De beoordeling van de vraag of er grond is voor een vergoeding vindt hier immers niet haar antwoord in de onrechtmatigheid van de overheidsmaatregel, maar in het billijkheidsoordeel, nl. de vraag of het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de indertijd bestaande verdenking niet voor rekening van de gewezen verdachte worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen. (...)“ (Kamerstukken II, 1972, 12 132, nr. 3, p. 3). De rechtbank overweegt voorts dat de onschuldpresumptie niet verbiedt, bij de inhoudelijke beoordeling van de vraag of er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de gevraagde schadevergoeding geheel dan wel gedeeltelijk toe te wijzen, rekening te houden met de destijds bestaande verdenkingen en met de opstelling van verzoeker gedurende de preventieve hechtenis. De onschuldpresumptie stelt wel de grenzen waarbinnen deze beoordeling kan plaatsvinden. Voorbeelden daarvan worden gegeven in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) “Ashendon en Jones”, zij het dat dit daar “in the context of defendants’ costs orders” gebeurt. Samengevat komen de overwegingen en oordelen van het EHRM hierop neer dat deze vergoedingen niet kunnen worden geweigerd op gronden die “were based on any continuing suspicion that the applicant was guilty” of in het geval dat “the applicant had been penalised for exercising his right to silence”. Wél kan weigering bijvoorbeeld toegelaten zijn in het geval dat “it was inevitable that a defendant who declined to produce any evidence until trial would incur costs until trial, and that those costs would then have to be borne by the defendant” of als “the applicant had brought suspicion on himself and misled the prosecution into thinking the case against him was stronger than it was” of in de situatie dat als “the applicant (had) explained her position before trial, the prosecution would in all likelihood have been dropped and there would have been no question of a defendant’s cost order”. De rechtbank dient dus bij ieder verzoek om schadevergoeding van een gewezen verdachte de vraag te beantwoorden of het, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, billijk is dat de nadelige gevolgen van de in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis - uitgaande van de indertijd gerechtvaardigde verdenking - niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar geheel of gedeeltelijk door de Staat worden gedragen (vgl. Hof Amsterdam 22 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5522). Naar het oordeel van de rechtbank waren er ten tijde van het bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis belastende feiten en omstandigheden, die in de risicosfeer van verzoeker lagen en die tot zijn inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis konden leiden. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van de volgende omstandigheden. Op 26 maart 2017 is de politie binnengetreden in een pand, waarin een hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Bij die inval werd verzoeker in het pand aangetroffen, met werkhandschoenen aan. Toen de politie hem benaderde, haalde hij zijn telefoon uit elkaar en gooide die in een afvoerput. Hij haalde even daarvoor de sim-kaart uit het toestel en slikte die door. Nadat verzoeker en een medeverdachte waren aangehouden, riep verzoeker naar die medeverdachte: “Je moet je smoel houden, niets zeggen.” Verzoeker heeft ondanks deze - hem zeer belastende feiten en omstandigheden - geen openheid van zaken willen geven door zich van begin af aan te beroepen op zijn zwijgrecht bij zijn verhoren door de politie. Het beroep op het zwijgrecht is weliswaar een recht dat een verdachte toekomt en waaraan de rechtbank ook geen afbreuk wil doen, maar dat wel gevolgen kan hebben voor de toekenning van een schadevergoeding. In deze zaak is een voortvarend onderzoek door de politie naar de voor verzoeker belastende omstandigheden door de houding van verzoeker zelf belemmerd. Daarom dient de door verzoeker als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis geleden schade voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Onder deze omstandigheden zijn er, hoewel de strafzaak zonder oplegging van straf of maatregel is geëindigd, geen gronden van billijkheid als bedoeld in artikel 90 Sv aanwezig om vergoeding toe te kennen voor de schade die verzoeker stelt te hebben geleden. Daarom zal de rechtbank de verzochte vergoeding afwijzen. Verzoek ingevolge art. 591a Sv Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft de advocaat zijn werkzaamheden in deze zaak nader toegelicht. Voor zover die zien op de periode van september 2017 t/m november 2017 komen 3 uur voor vergoeding in aanmerking. Deze werkzaamheden zijn verricht in het kader van het door de officier van justitie gelegde conservatoire beslag op het bedrijfspand van verzoeker. De advocaat van verzoeker heeft niet kunnen onderbouwen, waarop de werkzaamheden betrekking hebben, die zijn verricht na de sepotmededeling van 9 februari 2018. Van die werkzaamheden komen 30 minuten voor vergoeding door de Staat in aanmerking. Aan verzoeker komt daarom een vergoeding toe van: Kosten raadsman 3,5 uur x € 200,-, verhoogd met 6% kantoorkosten en btw en een bedrag van € 15,20 aan reiskosten. In totaal dus € 913,02. Proceskosten Gelet op het feit dat het verzoek slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, komt een bedrag van € 280,- als vergoeding voor het opstellen, indienen en toelichten van het verzoekschrift billijk voor. Dat bedrag zal worden toegewezen. 3Beslissing De rechtbank: Kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.193,02 (zegge: eenduizend eenhonderd drieënnegentig euro en twee cent), welk bedrag als volgt is samengesteld: € 913,02 wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak; € 280,- wegens de kosten van een raadsman voor de opstelling, indiening en behandeling van het verzoekschrift. Wijst af het meer of anders verzochte. Beveelt de uitbetaling door de griffier van deze rechtbank van de bij deze beschikking aan verzoeker toegekende vergoeding op de rekening van verzoekers advocaat, [bankrekening] 4Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos, rechter, in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018. Informatie bij deze beschikking Voor zover er in deze uitspraak een bedrag is toegewezen kan de opdracht tot uitbetaling van dit bedrag pas worden gegeven nadat de beslissing onherroepelijk is geworden. Bijgaande beschikking is op dit moment nog niet onherroepelijk; de officier van justitie heeft 14 dagen de tijd om hoger beroep in te stellen en voor de verzoekende partij is binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze uitspraak hoger beroep mogelijk. Genoemde termijnen kunnen worden bekort wanneer ter griffie afstand wordt gedaan van het recht op het instellen van hoger beroep. U kunt op de volgende wijze ter griffie afstand doen van het recht op het instellen van hoger beroep: (als verzoeker) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank; (als advocaat) in persoon bij de informatiebalie van onze rechtbank, indien u verklaart daartoe door verzoeker te zijn gevolmachtigd; (in het geval dat noch verzoeker noch de advocaat in de gelegenheid is om in persoon bij de informatiebalie afstand te doen) door aan een medewerker van de strafgriffie daartoe een schriftelijke bijzondere volmacht te verlenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.