← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2018:8276

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Enkelvoudige raadkamer Registratienummer: 17/007492 Uitspraakdatum: 24 september 2018 Beschikking (art. 591a Sv.) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 18 oktober 2017 is ter griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een verzoekschrift van: [verzoeker] , verzoeker, geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , domicilie kiezende te [adres] , ten kantore van mr. J. Soeteman, advocaat. Het door verzoeker ondertekende verzoekschrift strekt - op de daarin vermelde in bij de behandeling in raadkamer nader geadstrueerde, als hier herhaald en ingelast te beschouwen gronden - tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 2.459,39, wegens de met betrekking tot een verzoek tot wijziging van de sepotcode gemaakte kosten van een advocaat, althans ter hoogte van een door de rechtbank billijk geacht geldbedrag, en te vermeerderen met de kosten, nodig voor het opstellen, indienen en toelichten van dit verzoekschrift. Op 10 september 2018 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Voor verzoeker is verschenen mr. Soeteman, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. K. Sanders. De officier van justitie heeft aangegeven zich niet tegen de inwilliging van het verzoek te verzetten. 2Beoordeling Op de voet van het bepaalde in de artikelen 90 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan de gewezen verdachte - indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten van een raadsman, zo daartoe althans - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn. De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de strafzaak tegen verzoeker (wegens verdenking van oplichting, gepleegd op 29 april 2013 te Beverwijk) onherroepelijk is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 3 juni 2016, kenmerk 2013041801, aan verzoeker waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd (sepotcode 02, onvoldoende bewijs). Gelet op artikel 591a lid 4 Sv jo 591 lid lid 2 Sv moet een verzoekschrift als het onderhavige worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 591 Sv. Immers het verzoek tot wijziging sepotcode betreft slechts de motivering van de beslissing, maar tast de beslissing zelf niet aan. Aldus is de rechtbank van oordeel dat het verzoek niet tijdig is ingediend en verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het daarnaast moet gaan om een vergoeding van kosten die rechtstreeks met de strafzaak samenhangen. Anders dan verzoeker en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. Het betreffen werkzaamheden die zijn aangevangen op 7 oktober 2016, ruim 4 maanden na het einde van de zaak en ook alleen betrekking hadden op de motivering van de sepotbeslissing. Ten tijde van de strafzaak zelf had verzoeker geen bijstand van een advocaat. 3Beslissing De rechtbank: verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Beek, rechter, in tegenwoordigheid van A.B. van Velzen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2018. Informatie bij deze beschikking Tegen deze uitspraak staat voor de verzoekende partij hoger beroep open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen een maand (30 dagen) na betekening van deze beschikking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.