RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/067893-19 (P) Uitspraakdatum: 13 december 2019 Verstek Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 november 2019 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Swart. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1 hij op of omstreeks 2 juli 2018 te Blokker, gemeente Hoorn opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1068 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2 hij, op één of meer tijdstippen in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 juli 2018 te Blokker, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit/stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen elektriciteit/stroom onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. 3.2 Oordeel van de rechtbank De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat 1 hij op 2 juli 2018 te Blokker, gemeente Hoorn opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] 1068 hennepplanten; 2 hij in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 juli 2018 te Blokker, gemeente Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten Het bewezenverklaarde levert op: 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 2: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. 6.2 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in een leegstaande woning een hennepkwekerij, met daarin 1068 hennepplanten, in werking gehad. De voor deze kwekerij benodigde stroom werd door middel van een illegale aansluiting gestolen. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat de handel in hennep, vanwege de grote winsten die daarmee worden gemaakt, allerlei andere vormen van criminaliteit in de hand werkt. Daar komt bij dat de hennepteelt in woningen overlast, verloedering en (brand-)gevaarlijke situaties veroorzaakt. Verdachte heeft bij zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor financieel gewin, zonder zich te bekommeren om de genoemde negatieve gevolgen daarvan. Dat valt hem kwalijk te nemen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op: - het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 28 oktober 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder met Justitie in aanraking is geweest, maar niet wegens soortgelijke feiten. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat daarnaast een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden aan de kant van verdachte die tot een andere strafoplegging zouden nopen. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht. artikel 3 en 11 van de Opiumwet. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder
- vermelde strafbare feiten opleveren. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. N.O.P. Roché, voorzitter, mr. P. van Steijnen en mr. E.J.M. Tuijp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 december
- Mr. E.J.M. Tuijp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.