uitspraak RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/3178 en HAA 18/4571 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 december 2019 in de zaak tussen
(2017)af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur (uitspraken van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340 (Veghel) en van 20 mei 2015, nr. ECLI:NL:RVS:2015:1581 (Papendrecht)). 10.
- Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing mogelijk maakt, of het gebied als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, ziet het nieuwe plan op een gebied dat als bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is aan te merken. Daaraan doet niet af dat de bebouwing waarin het voorgaande plan voorzag ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan nog niet was gerealiseerd (uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4654 (Lansingerland)). Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt, of het gebied niet als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, kunnen omstandigheden als bijvoorbeeld de situering van het plangebied aansluitend aan bebouwing en omgeven door een doorgaande weg, de aanduiding van het plangebied in de toepasselijke provinciale verordening als bestaand stedelijk gebied en de vermelding van het gebied in een structuurvisie, er in beginsel niet aan afdoen dat het plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt (uitspraken van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4654 (Lansingerland) en van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340 (Veghel)).” 4.3 De rechtbank stelt vast dat de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling is gewezen in een bestemmingsplanprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank is deze ook van betekenis in de situatie waarin middels de uitgebreide procedure bij omgevingsvergunning wordt afgeweken van een vigerend bestemmingsplan, zoals in de onderhavige situatie. 4.4 De rechtbank stelt tevens vast dat de overzichtsuitspraak van de Afdeling is geschreven vanuit het oogpunt van de ruimtelijke ordening en niet met het oog op de situatie van de toepasselijkheid van het LIB. In artikel 3.2 van de Nota van Toelichting bij het LIB is het volgende opgenomen: “3.2 Begripsbepalingen […] Bestaand stedelijk gebied Wat betreft het begrip <<bestaand stedelijk gebied>> (BSG) wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel h: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare en sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Met het begrip wordt de fysiek bestaande situatie geduid en niet de (nog niet gerealiseerde) bestemming.” 4.5 Met name gelet op de hiervoor laatst aangehaalde zin uit de Nota van Toelichting bij het LIB is de overzichtsuitspraak van de Afdeling niet één-op-één toepasbaar voor de situatie waarin het LIB van toepassing in. De overzichtsuitspraak van de Afdeling behoeft naar het oordeel van de rechtbank voor die situatie nuancering nu in de Nota van Toelichting bij het LIB uitdrukkelijk is benadrukt dat met het begrip bestaand stedelijk gebied de fysiek bestaande situatie wordt geduid en niet de (nog niet gerealiseerde) bestemming. Gelet op deze bewuste keuze van de LIB-wetgever en nu het LIB op de gronden in geding van toepassing is, neemt de rechtbank de eerste alinea, tweede zin, van overweging 10.2 uit de overzichtsuitspraak niet over. Bij de verdere beoordeling zal de rechtbank uitgaan van de fysieke – met het plan in overeenstemming zijnde – situatie ter plaatse en niet van de – niet gerealiseerde – mogelijkheden die het vigerende bestemmingsplan biedt aan de gronden waarop de woningbouw is beoogd. 4.6 In de besluitvorming, nader toegelicht in het verweerschrift, stelt verweerder dat uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling volgt dat om aan te kunnen nemen dat sprake is van bestaand stedelijk gebied, is vereist dat de voorgenomen woningbouw (ter vervanging van de oude tuinbouwkassen) reeds moest zijn voorzien in het geldende bestemmingsplan. In deze lezing van de overzichtsuitspraak en daarmee in verweerders uitleg van het begrip bestaand stedelijk gebied volgt de rechtbank verweerder niet. Daartoe is redengevend dat in het LIB en de Nota van Toelichting op het LIB een directe koppeling is gelegd met de definitie van het begrip bestaand stedelijk gebied in het Bro. Deze definitie beperkt zich, anders dan verweerder stelt, niet tot woningbouw, maar is ruimer, in die zin dat ook sprake kan zijn van bestaand stedelijk gebied indien fysiek sprake is van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare en sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. 4.7 Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, overweegt de rechtbank voor het onderhavige geval als volgt. De gronden waarop de woningen zijn beoogd liggen in het bestemmingsplan “Rijsenhout en omgeving” dat op 26 augustus 2015 is vastgesteld. Op bedoelde gronden rust volgens dit bestemmingsplan de bestemming “Agrarisch - Tuinbouw” met aanduidingen “Luchtverkeerszone – LIB” en “wro-zone – wijzigingsgebied 2”. Op grond van de toepasselijke gebruiksregels uit het bestemmingsplan, neergelegd in de artikelen 6.1 en 6.4, zijn de gronden aangewezen voor agrarisch, maar ook voor niet-agrarisch gebruik, waarbij ter zake van laatstgenoemd gebruik met name moet worden gedacht aan inpandige stalling van voertuigen, vaartuigen of kampeermiddelen in agrarische bedrijfsgebouwen en/of kassen en het opslaan van goederen en/of materialen van niet-agrarische herkomst in vrijkomende of vrij gekomen agrarische bedrijfsgebouwen en/of kassen. 4.8 Tussen partijen is niet in geschil en de rechtbank stelt vast dat op de gronden waarop de woningbouw is beoogd thans geen bebouwing meer aanwezig is en de gronden niet worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bestemming, maar ook niet voor niet-agrarisch gebruik. Gelet daarop is ter plaatse van het beoogde bouwplan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bestaand stedelijk gebied. De rechtbank overweegt verder, onder verwijzing naar rechtsoverweging 10.2, tweede alinea, in de overzichtsuitspraak, dat de omstandigheid dat de betreffende gronden aansluitend aan bebouwing zijn gesitueerd en in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming wonen is opgenomen, er in beginsel niet aan kan afdoen dat de voor woonbebouwing beoogde locatie niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt. 4.9 Het betoog van eisers faalt derhalve. 5.1 Eisers stellen verder dat de gevraagde vvgb in redelijkheid niet kon worden geweigerd nu het bouwplan zwaarwichtige belangen dient die als doelstelling van het LIB hebben te gelden, te weten het tegengaan van verpaupering die de structurele leegstand met zich brengt en de vergroting van de leefbaarheid van Rijsenhout. De beperkte omvang van het deelgebied maakt dat het niet mogelijk is om grootschalige glastuinbouw op duurzame wijze te herontwikkelen, terwijl ook kleinschalige bedrijvigheid hier niet op zijn plaats is. Kassen zijn gesloopt, leegstaand of worden in strijd met de bestemming gebruikt voor caravanopslag. Zonder woningbouw is verloedering onvermijdelijk. Verweerder overschat de mogelijkheden die de gemeente heeft om de kassen toonbaar te maken. Op de locatie is een afronding van de woonbebouwing van de kern van Rijsenhout wenselijk. De ligging naast het dorpscentrum maakt voorts dat, anders dan verweerder stelt, sprake is van een unieke situatie. 5.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat de door eisers opgevoerde omstandigheden – het tegengaan van verpaupering en het vergroten van de leefbaarheid van Rijsenhout – onvoldoende grondslag vormen om in afwijking van het LIB toe te staan dat ter plaatse alsnog gevoelige bestemmingen worden toegevoegd. Van belang daarbij is dat het belang van de leefbaarheid van dorpskernen van onder meer Rijsenhout reeds is verdisconteerd in de mogelijkheid om in bestaand stedelijk gebied maximaal 25 woningen per bouwplan te realiseren en maximaal 3 binnen lintbebouwing, en dat woningbouw in bestaand stedelijk gebied ook in Rijsenhout mogelijk is gebleken. Verder is van belang dat woningbouw geen noodzakelijke voorwaarde is om verloedering van het kassengebied tegen te gaan. De gemeente kan immers handhavend optreden tegen het verval en verder kleinschalige bedrijvigheid ter plaatse toestaan. Verweerder heeft ook in de omstandigheid dat het plangebied aan drie zijden is omsloten en de mogelijkheid om het dorp op deze plek “af te ronden” geen reden hoeven zien om alsnog tot verlening van een vvgb over te gaan. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de ligging van het plangebied in Rijsenhout niet uniek is en van het alsnog verlenen van een vvgb voor het onderhavige bouwplan een ongewenste precedentwerking zou uitgaan omdat dan steeds weer tot een nieuwe “afronding” van het dorp zou kunnen worden geconcludeerd. 5.3 Het betoog van eisers faalt derhalve. 6.1 Eiseres sub 1 stelt verder dat voor vergelijkbare gevallen wel een vvgb is verstrekt en noemt in dat verband het Centurionterrein alsmede het project waarbij zes woningen en het medisch centrum aan de Rijshornstraat zijn gerealiseerd. Net als deze projecten is Catharina Segrina aangewezen als transformatiegebied in de Ruimtelijke Economische Visie Rijsenhout. Verweerder stelt dat in de projecten was aangetoond dat woningbouw de enige optie was om actuele leefbaarheidsproblemen op te lossen en dat de zes woningen nodig waren om het medisch centrum te kunnen financieren. Ook op deze plek is wonen de enkele optie. Verder geldt het project Piet Lanserhof II als vergelijkbaar geval. Ook bij het project Catharina Segrina is sprake van het opvullen van open gaten in stedelijk gebied tot een maximum van 25 woningen. Dat de onderhavige locatie niet aan vier maar aan drie zijden is omsloten door woningbouw, maakt het geval niet onvergelijkbaar. 6.2 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van vergelijkbare gevallen reeds geen sprake is, nu het project Centurionterrein, het medisch centrum aan de Rijshornstraat en het project Piet Lanserhof II, anders dan het onderhavige project, alle waren beoogd (en inmiddels zijn gerealiseerd) in (open gaten in) bestaand stedelijk gebied. 6.3 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.
- De beroepen zijn ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. drs. J. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 december
- griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bijlage Wet luchtvaart Artikel 8.8 “1 Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening voor een gebied dat is gelegen binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen. 2 Voor het gebied dat ligt binnen het luchthavengebied of het beperkingengebied, waarvoor geen bestemmingsplan of beheersverordening geldt in overeenstemming met het besluit en voor het bestemmingsplan geen toepassing is gegeven aan artikel 8.9, derde lid, geldt het besluit als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor zover het besluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde lid, van die wet niet van toepassing. 3 De gemeenteraad is verplicht binnen een jaar of een andere bij het besluit te bepalen termijn nadat het besluit in werking is getreden het bestemmingsplan of de beheersverordening overeenkomstig het besluit vast te stellen. […]” Artikel 8.9 “1 Bij de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het geldende bestemmingsplan wordt afgeweken en bij de toepassing van artikel 3.3, derde lid, van die wet wordt het luchthavenindelingbesluit in acht genomen. […] 3 Bij de toepassing van artikel 8.8, eerste lid, artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a en b, van de Wet ruimtelijke ordening, en de artikelen genoemd in het eerste lid, kan van het besluit worden afgeweken indien van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu de verklaring is ontvangen dat hij tegen de afwijking geen bezwaar heeft. […] 5 De verklaring van geen bezwaar die betrekking heeft op het beperkingengebied kan worden geweigerd met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting in verband met de nabijheid van de luchthaven. […]” LIB oud Artikel 2.2.1 “[…] 4 Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 4 zijn aangewezen, zijn geen woningen, woonwagens, gebouwen met een onderwijsfunctie of gebouwen met een gezondheidszorgfunctie toegestaan, behoudens bestaand gebruik. […] 7 In afwijking van het eerste tot en met vierde lid, zijn daarin bedoelde gebouwen eveneens toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de wet.” Anticipatiebeleid “Van 24 oktober 2016 tot en met 21 november 2016 heeft na kennisgeving in de Staatscourant (nr. 55748) het ontwerpwijzigingsbesluit ter inzage gelegen. In de regio blijkt breed draagvlak te bestaan voor het wijzigingsbesluit. Daardoor kan er met een grote mate van zekerheid worden gesteld dat de huidige – in de nota van toelichting bij het LIB opgenomen – toetsingscriteria zullen worden aangepast overeenkomstig de voorgenomen wijziging. Deze criteria worden alsdan vastgelegd in regelgeving zelf. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft na overleg met Schiphol, KLM, betrokken gemeenten en provincies besloten het Luchthavenindelingbesluit (LIB) te wijzigen. Ten eerste wordt een afwegingsgebied voor externe veiligheid en geluid in het LIB opgenomen (nu bekend als het ‘20Ke-gebied’). Buiten het bestaand stedelijk gebied blijven nieuwe woningbouwlocaties niet toegestaan. Ten tweede worden de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen. Niet gewijzigd wordt de ligging van de beperkingengebieden. Gelet op het voorgaande is er reden om de in de nota van toelichting bij het LIB vastgestelde beleidslijnen niet meer toe te passen en in de plaats daarvan de in de regelgeving vast te stellen nieuwe criteria nu al toe te passen bij besluiten over verklaringen van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Daarbij is van belang op te merken dat in het ontwerpbesluit voor een aantal situaties geen verklaring van geen bezwaar meer nodig is, dit in tegenstelling tot de regels van het thans vigerende LIB. Dit betekent dat in de situaties waarin in de toekomst geen verklaring van geen bezwaar meer nodig is, tot het moment waarop het ontwerpbesluit van kracht wordt, er op basis van de vigerende regelgeving er nog steeds een verklaring van geen bezwaar nodig is. In deze situaties zal er nu een verklaring worden afgegeven. Vanaf 24 oktober 2016 is door publicatie van het ontwerpbesluit in de Staatscourant kenbaar geworden welke beoogde criteria worden vastgelegd in regelgeving. Deze kenbaarheid is reden om het in de nota van toelichting bij het LIB vastgestelde beleid met ingang van die datum te wijzigen. […]” LIB Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder e “In dit besluit wordt verstaan onder bestaand stedelijk gebied: gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onderdeel h, van het Besluit ruimtelijke ordening.” Artikel 2.2.1c “Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 4 zijn aangewezen, zijn met het oog op geluidbelasting geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan, behoudens: a. bestaand gebruik van een geluidgevoelig gebouw; b. toevoeging binnen bestaand stedelijk gebied van niet meer dan 25 woningen per bouwplan of binnen lintbebouwing van niet meer dan 3 woningen per bouwplan; c. een geluidgevoelig gebouw ter vervanging van een bestaand geluidgevoelig gebouw, mits van gelijke aard en gelijke schaal en onder de voorwaarde dat het te vervangen gebouw wordt verwijderd of dat de functie en bestemming van het te vervangen gebouw wordt omgezet naar niet-geluidgevoelig; d. herstructurering van een bestaand stedelijk gebied, indien dit niet leidt tot een toename met meer dan 25 woningen en indien dit niet leidt tot een toename van de capaciteit van andere geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied; e. nieuwbouw van een bedrijfswoning, voor zover de noodzaak daarvan is aangetoond.” Artikel 2.2.1e “[…]
- In afwijking van de artikelen 2.2.1 tot en met 2.2.1d, zijn daarin bedoelde gebouwen eveneens toegestaan voor zover dit in overeenstemming is met een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, van de wet.” Artikel 3.1 “[…] 2 Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 januari 2018 blijft van toepassing ten aanzien van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, van de wet waarvoor de aanvraag is ingediend voor dat tijdstip.” Nota van Toelichting LIB “3.2 Begripsbepalingen […] Bestaand stedelijk gebied Wat betreft het begrip «bestaand stedelijk gebied» (BSG) wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening, artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel h: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare en sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Met het begrip wordt de fysiek bestaande situatie geduid en niet de (nog niet gerealiseerde) bestemming. 3.3 Toelichting andere begrippen «Lintbebouwing» wordt binnen het LIB gezien als een lineaire vorm van bestaand stedelijk gebied en daarom niet zelfstandig in de begripsbepaling opgenomen. Een agrarisch lint bestaat uit agrarische functies en valt daarmee niet binnen het begrip «bestaand stedelijk gebied». Hiermee is beoogd om een onderscheid te creëren met het buitengebied waarin agrarische- natuur- en extensieve (recreatie)functies domineren. […]” “4.4 Beperkingengebied geluidgevoelige gebouwen - LIB 4 […] Verdere flexibiliteit en decentrale afwegingsruimte wordt geboden om lokaal verpaupering tegen te gaan en de leefbaarheid te waarborgen. Hiertoe zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden binnen de regel opgenomen: • het opvullen van een open ruimte binnen bestaand stedelijk gebied met maximaal 25 woningen, of binnen lintbebouwing met maximaal 3 woningen. Woningsplitsing mag hierbij worden uitgelegd als een bijzondere vorm van opvulling, waarbij het gaat om eenvoudige woningsplitsing van één naar twee woningen; • functiewijziging van een bestaand gebouw binnen BSG gebied naar maximaal 25 wooneenheden; • een bedrijfswoning, waarvan de noodzaak vanwege samenhang met het bedrijf is aangetoond; • herstructurering van een gebied, indien dit per saldo niet leidt tot meer dan 25 extra woningen, of een hogere capaciteit voor andere geluidgevoelige functies. Functiewijziging en intensivering van een bestaand gebouw tot 25 woningen is met dit besluit mogelijk gemaakt omdat opvulling van open ruimten tot 25 woningen ook al mogelijk was en het materiële resultaat hetzelfde is. Voor dit besluit was het niet mogelijk de functie van een gebouw te wijzigen naar woningen, maar kon wel het betreffende gebouw gesloopt worden en de ontstane open ruimte opgevuld worden. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat woningbouwplannen worden opgeknipt in deelplannen met maximaal 25 woningen en zodanig gefaseerd worden dat er uiteindelijk toch een plan met meer dan 25 woningen wordt doorgezet. Bij herstructurering van een gebied geldt dat de gemeente in het plan moet verantwoorden dat de woningvoorraad binnen het beperkingengebied netto niet meer dan met 25 woningen toeneemt en de aard en schaal van de overige geluidgevoelige gebouwen netto gelijk blijft. De beperking betreft alleen nieuwbouw en niet verbouw van een bestaande woning of gebouw met een geluidgevoelige functie, waarbij het schaalniveau van het gebouw niet significant toeneemt. Bij herbouw van een bestaand geluidgevoelig gebouw mag deze op dezelfde locatie, of op een minder milieubelaste locatie gerealiseerd worden, mits met gelijke functie (aard) en schaal. De wijzigingen in de regels voor dit beperkingengebied zijn er op gericht om gemeenten meer flexibiliteit te bieden om lokale leefbaarheidproblemen aan te pakken. Er blijven beperkingen gelden voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen. Gemeenten krijgen binnen de gestelde beperkende regels meer eigen verantwoordelijkheid voor de afweging van de belangen ten aanzien van kleinschalige projecten die noodzakelijk worden geacht voor de lokale leefbaarheid. De extra flexibiliteit is nadrukkelijk bedoeld voor noodzakelijk geachte ontwikkelingen ten dienste van de lokale leefbaarheid. Wanneer op grond van leefbaarheid, binnen de regels van het LIB, door gemeenten woningbouw wordt toegestaan, zorgen betreffende gemeenten er voor dat de (toekomstige) bewoners in een zo vroeg mogelijk stadium deugdelijk en objectief worden geïnformeerd over geluidbelasting en mogelijke hinder door vliegtuiggeluid ter plaatse door de aanwezigheid van de luchthaven Schiphol. Ook dragen de gemeenten zorg voor de klachtenafhandeling. In bijzondere gevallen is het verlenen van een verklaring van geen bezwaar mogelijk. Hiervoor is nadere besluitvorming door de verantwoordelijke bewindspersoon vereist. […] 5.2 Uitvoering […] In 2.2.1e, vijfde lid, staat aangegeven dat in afwijking hierop gebouwen zijn toegestaan wanneer hiervoor een verklaring van geen bezwaar is verkregen, als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Omdat grote delen van het beleidskader voor de afgifte van een vvgb ten gevolge van het wijzigingsbesluit zijn opgenomen in de regels zelf, is een vvgb minder vaak noodzakelijk. Deze mogelijkheid van een vvgb is open gehouden om maatwerk te kunnen bieden in bijzondere omstandigheden. In afwijking op de in het LIB gestelde beperkingen kan een gemeente een vergunning voor een bouwwerk afgeven, indien zij hiervoor een verklaring van geen bezwaar, als bedoeld in artikel 8.9 van de wet, van de Minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) heeft verkregen. De Minister of - onder het huidige kabinet - de Staatssecretaris kan voor gevallen die hij als bijzonder beoordeelt een specifieke afweging maken en een verklaring van geen bezwaar afgeven. Dit betreft de zogenaamde ‘discretionaire bevoegdheid’. Een vvgb wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor toestemming tot afwijking van het LIB wordt gevraagd, onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel. Hierbij kan het gaan om ruimtelijke plannen met een relatief beperkte toename van hinder en risico door de luchtvaart in verhouding tot het belang van het plan voor de leefbaarheid, zoals: • de kwaliteit van het leefmilieu vanwege gezondheid, veiligheid en vermindering hinder, mede in relatie met andere verstorende bronnen dan de luchtvaart, • de kwaliteit van de sociale leefomgeving, voor zover het buurt- of wijkgebonden voorzieningen betreft, • de kwaliteit van de fysieke leefomgeving om verpaupering en verrommeling met een negatieve uitwerking op de directe omgeving tegen te gaan, • een groot en urgent maatschappelijk belang, bijvoorbeeld de acute behoefte aan tijdelijke opvang van asielzoekers. […]” Bro Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Regels bestemmingsplan “Rijsenhout en omgeving” 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch - Tuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. vollegronds tuinbouwbedrijven;b.ter plaatse van de aanduiding ‘cultuur en ontspanning’ tevens voor cultuur en ontspanning; c.ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’ tevens voor detailhandel;d.ter plaatse van de aanduiding ‘glastuinbouw’ tevens voor glastuinbouwbedrijven; e.ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ tevens voor een bedrijfswoning;met daaraan ondergeschikt:f.kleinschalig kamperen;g.aan huis verbonden beroepsuitoefening en kleinschalige bedrijfsactiviteiten; met daarbij behorend(e):h.nutsvoorzieningen; i.ondersteunende detailhandel; j.parkeren;k.groen;l.water en waterhuishoudkundige voorzieningen;m.verhardingen. 6.4 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen:a.aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, met dien verstande dat de omvang van de activiteit niet meer mag zijn dan 50 m² en plaats moet vinden in de bedrijfswoning en/of bij de bedrijfswoning horende bijbehorende bouwwerken;b.het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en bedrijfsgebouwen als zelfstandige woonruimte is niet toegestaan;c.gebruik van gronden voor de voorgevel van een woning voor gietwaterberging is niet toegestaan, tenzij het gaat om bestaand gebruik; de gietwaterberging wordt afgeschermd van de openbare weg door middel van een houtwal.d.buitenopslag is niet toegestaan, met uitzondering van opslag niet zichtbaar vanaf de openbare weg; e.het gebruik van bedrijfsgebouwen en/of kassen ten behoeve van inpandige stalling van voertuigen, vaartuigen of kampeermiddelen en het opslaan van goederen en/of materialen van niet-agrarische herkomst in vrijkomende of vrij gekomen agrarische bedrijfsgebouwen en/of kassen is toegestaan, onder voorwaarde dat:1.met de bestaande bedrijfsgebouwen en/of kassen is geen volwaardige bedrijfsuitoefening meer mogelijk;2.de opstallen dienen te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit;3.het gebruik doet geen afbreuk aan het straatbeeld en de ruimtelijke inrichting ter plaatse;4.het gebruik leidt niet tot onaanvaardbare overlast voor omwonenden;5.het gebruik leidt niet tot een verstoring van de agrarische bedrijfsvoering op aangrenzende percelen;6.het gebruik leidt niet tot een onevenredige toename van verkeersbewegingen en milieuhinder;7.het gebruik betreft enkel stille opslag: Schipholparkeren, onderhoud, verkoop van onderdelen en reparatie zijn niet toegestaan;f.ter plaatse van de aanduiding ‘cultuur en ontspanning’ is ondersteunende horeca toegestaan, tot een oppervlak van maximaal 325 m² (perceel Aalsmeerderweg 940) respectievelijk 225 m² (perceel Grote Poellaan 13);g.ter plaatse van de aanduiding ‘detailhandel’ is ondersteunende detailhandel toegestaan, tot een oppervlak van maximaal 250 m²;h.het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalig kamperen is toegestaan tot een maximum van 15 plaatsen, waarbij tevens gebruik van bestaande gebouwen voor aanvullende voorzieningen tot een maximum van 150 m² is toegestaan.