RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7653210 CV EXPL 19-4067 Uitspraakdatum: 24 december 2019 Vonnis in de zaak van: 1 [Passagier sub 1] , wonende te [woonplaats] 2. [Passagier sub 2]wonende te [woonplaats] 3. [Passagier sub 3]wonende te [woonplaats] 4. [Passagier sub 4]wonende te [woonplaats] 5. [Passagier sub 5]wonende te [woonplaats] eisers hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers gemachtigde: D.R. Kluft tegen de buitenlandse rechtspersoon Osakeythiö (Finland) Finnair Oyj gevestigd te Helsinki, Finland gedaagde hierna te noemen: Finnair gemachtigde: mr. W.O. Russell 1Het procesverloop 1.1. De passagiers hebben bij dagvaarding van 11 maart 2019 een vordering tegen Finnair ingesteld. Finnair heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna Finnair een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.1. De passagiers hebben met Finnair een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Finnair de passagiers op 29 december 2017 diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol naar Helsinki, met vluchtnummer: AY1302 en van Helsinki naar Delhi, India, met vluchtnummer: AY121. 2.2. Vlucht AY121, hierna: de vlucht, heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen. 2.3. De passagiers hebben compensatie van Finnair gevorderd in verband met voornoemde vertraging. 2.4. Finnair heeft op 6 juni 2019 een bedrag van € 3.000,00 naar de rekening van de gemachtigde van de passagiers overgemaakt. 3De vordering 3.1. De passagiers vorderen dat Finnair bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 514,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten. 3.2. De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat Finnair vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier. 4Het verweer 4.1. Finnair betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. Vlucht AY121 is met vertraging uitgevoerd wegens een technisch mankement. Passagier sub 5 heeft op 13 maart 2018, herhaald op 19 maart 2018, Finnair een bericht gestuurd waarin zij mede namens de passagiers sub 1 tot en met 4 compensatie heeft verzocht in verband met de vertraging van vlucht AY121. Finnair heeft bij mail van 27 maart 2018 geantwoord en verzocht om toezending van bewijzen van de volmachten van de passagiers sub 1 tot en met 4, waarop passagier sub 5 niet heeft gereageerd. Op 11 mei 2018 heeft de gemachtigde van passagiers Finnair namens passagier sub 5 om compensatie verzocht, waarop Finnair bij e-mail van 15 mei 2018 wederom heeft verzocht om de bewijzen van de volmachten van de passagiers. Voorts merkt Finnair in haar reactie op dat haar geen compensatieclaim van 17 april 2018 bekend is en verzoekt zij de (gemachtigde van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.