RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/3126 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2019 in de zaak tussen Visserijbedrijf [eiser] , te [plaats] , eiser (gemachtigde: [naam 4] ), en de minister van Economische Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. W.C.M. Niekus – de Vries). Procesverloop Bij besluit van 9 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om verstrekking van een vismachtiging om met vaste kieuwnetten in 2017 op zeebaars te mogen vissen met zijn vaartuig [benaming vaartuig] ( [nummer] ), afgewezen. Bij besluit van 29 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. Eiser is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde [naam 4] , collega visser en door [naam 3] , medewerker van Nederlandse Vissersbond. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Inleiding 1. Eiser heeft verweerder bij brief van 4 mei 2017 verzocht om een vismachtiging zeebaars voor 2017, ten behoeve van vissersvaartuig [benaming vaartuig] . Eiser heeft hierbij aangegeven dat hij van mening is dat in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan aan hem een dergelijke machtiging kan worden toegekend. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat zijn visserijbedrijf in de referentieperiode 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016 zeebaars heeft aangeland, alsmede in de voorgaande jaren. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser twee uitbetalingsstaten van de Hollandse Visveiling IJmuiden B.V. bijgevoegd en daarbij aangegeven desgewenst nadere uitbetalingsstaten van de visveilingen te kunnen overleggen waaruit blijkt dat hij gedurende de referentieperiode diverse malen zeebaars heeft aangeland en ter verkoop heeft aangeboden via de visveiling. 2. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat uit een controle van de logboeken van eiser niet is gebleken dat voor eisers vaartuig [benaming vaartuig] in de referentieperiode van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2016 (hierna: de referentieperiode) vangsten met staande netten van zeebaars zijn geregistreerd. Verweerder komt op grond hiervan tot de conclusie dat eiser niet in aanmerking komt voor een aparte vismachtiging zeebaars. Het is eiser dan ook niet toegestaan om in 2017 op zeebaars te vissen, aan boord te houden, overladen, verplaatsen of aan te landen. Procesbelang 3. Gelet op het feit dat het jaar waarvoor eiser de vismachtiging heeft aangevraagd – te weten 2017 – is verstreken, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog wel belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit tot afwijzing van zijn verzoek. Desgevraagd heeft verweerder op de zitting aangegeven dat indien voor 2017 moet worden aangenomen dat eiser in aanmerking komt voor een vismachtiging, dat automatisch ook geldt voor 2018 omdat hiervoor dezelfde referentieperiode geldt. Gelet op het repeterende karakter van de vismachtiging en het gevolg voor mogelijke toekomstige besluiten is de rechtbank van oordeel dat eiser een daadwerkelijk en actueel belang heeft bij een rechtsoordeel over het bestreden besluit, ook al heeft dit besluit betrekking op het jaar 2017. Dit betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk zal beoordelen. Wettelijke bepalingen 4. De voor deze zaak relevante bepalingen uit de Verordening (EG) nr. 2114/2009 (hierna: de Controleverordening), Verordening (EU) nr. 2017/127 (hierna: de Vangstverordening), en de Uitvoeringsregeling zeevisserij zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak en maken daarvan deel uit. Registratie van de vangst 5.1 Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte in zijn besluit niet heeft betrokken dat hij in de referentieperiode zeebaars heeft gevangen. Hij heeft deze vangst weliswaar niet geregistreerd in zijn logboek, maar dat hoefde ook niet volgens eiser omdat het om een geringe hoeveelheid ging. Volgens het ‘Informatiebulletin regelgeving visserij, december 2015’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland hoeven vangsten tot 50 kg niet te worden geregistreerd in het logboek. Dat zijn vangst niet is geregistreerd in het logboek mag hem dan ook niet worden tegengeworpen, te meer nu hij door overlegging van de besommingsbrief van 31 augustus 2016 heeft aangetoond dat hij minstens 2 kg zeebaars heeft gevangen. Eiser betoogt dat de Europese wetgeving wat betreft het zeebaarsregime en de Nederlandse wetgeving en de uitvoering daarvan wat betreft vangstregistratie – de zogenoemde 50 kilogram regel – niet op elkaar aansluiten. Hij is ernstig gedupeerd door het besluit hem geen vismachtiging te verlenen. 5.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake moet zijn van geregistreerde vangsten van zeebaars en dat de enige manier om dit te bewijzen is bijhouding van vangsten in het visserijlogboek. Dit volgt volgens verweerder uit punt 20 van de preambule van de Verordening vangstmogelijkheden, waarin nadrukkelijk wordt bepaald dat de Controleverordening voor wat betreft vangstregistratie van toepassing is. Met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden heeft de Europese wetgever volgens verweerder daadwerkelijk een registratie als bedoeld in de Controleverordening beoogd en niet een andere vorm van bewijs dat in de referentieperiode zeebaars is gevangen. Hiermee is bedoeld de kring van personen die in aanmerking komen voor een vismachtiging, alsmede de relevante bewijsmiddelen te beperken. Nu in het logboek van eiser geen vangsten zijn geregistreerd in de referentieperiode kan gelet op artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden volgens verweerder geen vismachtiging worden verleend. Dat eiser door hem gevangen zeebaars niet heeft geregistreerd in het logboek met het oog op de 50 kilogram regel, kan niet leiden tot een uitzondering. Voorts blijkt volgens verweerder uit de preambule bij de Verordening vangstmogelijkheden dat beoogd wordt het inkomen van vissers te beschermen. Daaruit moet, volgens verweerder, worden afgeleid dat alleen substantiële vangsten ertoe doen bij de vraag of op grond van vangsten in de referentieperiode een recht ontstaat om in een nieuwe periode op zeebaars te vissen. Vangsten die gelet op de 50 kilogram regel niet zijn bijgehouden in het logboek, kunnen ook om deze reden buiten beschouwing worden gelaten. 5.3 De rechtbank overweegt dat de Uniewetgever in artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden de vangstmogelijkheden voor de zeebaars heeft aangescherpt gezien de precaire toestand van het zeebaarsbestand. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat in afwijking van het daarin genoemde verbod op zeebaars te vissen en om zeebaars die is gevangen aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen, vissersvaartuigen van de Unie die met vaste kieuwnetten vissen, per maand maximaal 250 kg aan onvermijdelijke bijvangsten van zeebaars aan boord mogen hebben, indien zij vangsten van zeebaars met vaste kieuwnetten hebben geregistreerd in de referentieperiode. Met artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij heeft verweerder hieraan uitvoering gegeven. Gelet op het feit dat eiser met vaste kieuwnetten (staande netten) vist, is artikel 84a, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij van toepassing. Hierin is bepaald dat een vismachtiging wordt verleend indien met het betreffende vissersvaartuig: in de in artikel 9, tweede lid, derde alinea van de Verordening vangstmogelijkheden genoemde periode, zijnde tussen 1 juli 2015 en 30 september 2016 (hierna: de referentieperiode); blijkens de logboekgegevens; met het type vistuig GTR, GNS, FYK, FPN of FIX, bedoeld in bijlage XI van de uitvoeringsverordening controleverordening; op zeebaars is gevist. 5.4 Niet in geschil is dat eiser vist met type vistuig GNS. Het geschil spitst zich toe op de vraag of ten aanzien van eiser in de referentieperiode gesproken kan worden van geregistreerde vangsten van zeebaars. Eiser voert aan dat het in artikel 84a, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij opgenomen voorschrift dat sprake moet zijn van registratie van de vangst in het logboek niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Verordening Vangstmogelijkheden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ‘registratie van vangsten’ zo moet worden uitgelegd dat het vangsten betreft die zijn geregistreerd in het visserijlogboek als genoemd in artikel 14 van de Controleverordening. 5.5 De Uitvoeringsregeling zeevisserij is een algemeen verbindend voorschrift. De rechtmatigheid van algemeen verbindende voorschriften kan bij wege van exceptieve toetsing worden beoordeeld in het kader van een beroep. Volgens vaste jurisprudentie kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig moeten worden geacht met een hogere - algemeen verbindende – regeling, zoals in dit geval de Verordening vangstmogelijkheden, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever, en derhalve met terughoudendheid toetsend, geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan de algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. 5.6 De rechtbank stelt vast dat in de Verordening vangstmogelijkheden wordt gesproken van de registratie van vangsten, terwijl in de Uitvoeringsregeling zeevisserij is bepaald dat de vangst moet blijken uit logboekgegevens. De rechtbank stelt verder vast dat in artikel 14 van de Controleverordening voor vissersvaartuigen die langer zijn dan 10 meter – wat het geval is bij het vissersvaartuig van eiser, [benaming vaartuig] – is bepaald dat geen verplichting bestaat vangsten aan boord bij te houden in het visserijlogboek indien deze, per soort, niet uitkomen boven de 50 kg. Zo is ook te lezen onder 2.4.1 ‘50 kg regel’, onder het eerste bolletje, in het door eiser aangehaalde Informatiebulletin. De rechtbank is van oordeel dat eiser door geringe zeebaarsvangsten niet te registeren in het logboek niet heeft gehandeld in strijd met de Controleverordening. De Controleverordening zelf sluit dan ook niet uit dat sprake is van zeebaarsvangsten die niet blijken uit het logboek. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat zeebaarsvangsten uitsluitend door middel van registratie in het logboek dienen te zijn aangetoond. Verweerder geeft in artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij op dit punt een te strikte uitleg van de in artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden gestelde voorwaarde van registratie van vangsten. Daarom is artikel 84a van de Uitvoeringsregeling zeevisserij onverbindend voor zover vangsten moeten blijken uit logboekgegevens en dient in zoverre buiten toepassing te worden gelaten. Daartoe acht de rechtbank mede redengevend dat, anders van verweerder betoogt, artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden geen aanknopingspunt geeft voor het oordeel dat alleen substantiële vangsten relevant worden geacht voor de vraag of is voldaan aan de voorwaarde. Hier is immers geen minimum gewicht genoemd. Bovendien blijkt – zoals ter zitting is besproken en ook door verweerder is beaamd – dat vissersvaartuigen die kleiner dan 10 meter zijn ook bij (hele) kleine vangsten in aanmerking kwamen voor een vismachtiging. Het voorgaande leidt ertoe dat, gelet op artikel 9 van de Verordening vangstmogelijkheden en gelet op hetgeen is bepaald in de Controleverordening, andere wijzen van registratie dan door middel van het logboek mogelijk zijn. Of, zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, eiser voor zijn inkomen (mede) afhankelijk is van zeebaarsvangsten is dan ook niet van belang. Dat leidt de rechtbank voorts af uit het feit dat in artikel 9 van de Verordening het vangen van zeebaars is verboden en in afwijking daarvan onder voorwaarden is beperkt en wordt aangemerkt als onvermijdelijke bijvangsten. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat een visser zoals eiser voor zijn inkomen afhankelijk kan worden geacht te zijn van bijvangsten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser om verlening van een vismachtiging ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat geen vangsten van zeebaars zijn geregistreerd in het logboek. Conclusie 6. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ten behoeve van het nieuw te nemen besluit wijst de rechtbank nog op het volgende. Andere bewijsmiddelen 7. Eiser dient gelet op het vorenoverwogene in staat te worden gesteld andere bewijsmiddelen aan te dragen om aan te tonen dat hij in de referentieperiode zeebaars heeft gevangen. Hij heeft daartoe een tweetal uitbetalingsstaten van de van de Hollandse Visveiling IJmuiden B.V. aangeleverd waarbij als datum van aanlanding is genoteerd 5 juni 2014, respectievelijk 31 augustus 2016. Omdat de uitbetalingsstaat van 5 juni 2014 buiten de referentieperiode valt, kan deze reeds daarom niet als bewijsstuk dienen. Verweerder dient evenwel ten aanzien van de uitbetalingsstaat van 31 augustus 2016 aan te geven of hij daarin voldoende bewijs ziet van de vangst van zeebaars door het vissersvaartuig van eiser. Daarnaast volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hij eraan hecht het aantal bewijsmiddelen teneinde de vangst aan te tonen te beperken. De Controleverordening voorziet, naast voorschriften over registratie in het logboek (artikel 14), ook in voorschriften met betrekking tot het doen van aangifte van overlading (artikel 21) alsmede aangifte van aanlanding (artikel 23). Bij het doen van aangifte van aanlanding dienen alle hoeveelheden van elke aangelande soort te worden vermeld, derhalve ook geringe hoeveelheden. Ook in het Informatiebulletin onder 2.4.1 ‘50 kg regel’, onder het tweede bolletje, is te lezen dat alle hoeveelheden (groter of kleiner dan 50
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.