beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rekestnummer: C/15/284221 / KG RK 19-73 Beschikking van de voorzieningenrechter van 30 januari 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [F] , gevestigd te [plaats], verzoekster, advocaat mr. M.J. Elkhuizen te Amsterdam en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] , gevestigd te [plaats], gerekwestreerde. 1De procedure 1.
- Het eerste verzoek strekte tot het verkrijgen van verlof om conservatoir derdenbeslag te mogen leggen onder vijf derden ten laste van gerekwestreerde voor een door verzoekster begrote vordering van € 342.321,-. Dat verlof is niet verleend. De voorzieningenrechter heeft verzoekster gevraagd om nader te onderbouwen waarom het noodzakelijk was dat er voor de gestelde vordering vijf conservatoire beslagen zouden moeten worden gelegd. In een aanvullend verzoekschrift heeft verzoekster een nadere toelichting gegeven. 2De beoordeling 2.
- Uit het verzoekschrift en de door verzoekster overgelegde stukken blijkt het volgende. Verzoekster heeft met gerekwestreerde in 2012 een overeenkomst gesloten. Verzoekster zou saleswerkzaamheden voor gerekwestreerde verrichten en daarvoor een vergoeding ontvangen. Verzoekster heeft die werkzaamheden verricht en tussen partijen is overleg geweest over de hoogte en de wijze van vergoeding. Verzoekster stelt dat zij in totaal van gerekwestreerde te vorderen had een bedrag van € 1.400.789,
- Gerekwestreerde heeft deze vordering voldoende onderbouwd. Daarvan heeft gerekwestreerde in totaal € 1.137.465,51 voldaan. Gerekwestreerde heeft daarnaast ook alle onkosten van verzoekster voldaan. 2.
- Uit de overgelegde stukken blijkt dat gerekwestreerde zich op het standpunt stelt het overige deel van de vergoeding niet verschuldigd te zijn. Zij heeft een bedrag van € 263.323,86 onbetaald gelaten. 2.
- In de nadere toelichting voert verzoekster het volgende aan. “Verzoekster heeft er recht op en belang bij om haar vorderingen op gerekwestreerde te verzekeren door middel van het doen leggen van conservatoir beslag onder de sub 1.11 genoemde derden. Dat geldt temeer omdat sprake lijkt te zijn van betalingsonmacht én betalingsonwil en gerekwestreerde vermoedelijk haar best zal doen om haar vorderingen op de sub 4 genoemde derden aan verhaal zal onttrekken. De betalingsonwil blijkt onder andere uit het feit dat gerekwestreerde op 29 maart 2018 te kennen gaf «de rest van de facturen kun je gevoegellijk intrekken tot nader orde» alsmede het feit dat gerekwestreerde in oktober 2018 eiste dat verzoekster kwijting zou verlenen en alleen onder die voorwaarde een deel van haar vordering zou ontvangen. Verzoekster is ermee bekend dat gerekwestreerde rond januari/februari een bepaalde onderhoudsvergoeding voor licenties ontvangt van de sub 1.11 genoemde derden B) tot en met E). Verzoekster heeft er in ieder geval zelf geen twijfel over – onder andere omdat gerekwestreerde weet dat verzoekster bezig is met het ondernemen van juridische stappen – dat gerekwestreerde als de onderhoudsvergoedingen nog niet zouden zijn ontvangen op dit moment dagelijks kijkt of het geld al binnen is om het vervolgens ‘weg te sluizen’. Dat naast deze betalingsonwil sprake is van betalingsonmacht staat ook vast. Dat is, zoals in dit rekest is toegelicht, van meet af aan
(2012)niet anders geweest.” 2.
- Dat de wederpartij het niet met verzoekster eens is over de berekening van de vergoeding, heeft verzoekster duidelijk gemaakt. Dat gerekwestreerde in die zin betalingsonwil toont, is daarmee echter in overeenstemming. Indien verzoekster over dat geschil tussen partijen een rechterlijke beslissing wenst, dient zij een vordering in te stellen. Die procedure vangt aan met een dagvaarding. De noodzaak voor conservatoire maatregelen is daarmee echter niet gegeven. Behalve de veronderstelling van verzoekster ziet de voorzieningenrechter in de inhoud van het verzoekschrift of de daarbij overgelegde stukken geen aanleiding aan te nemen dat gerekwestreerde bezig zou zijn geld “weg te sluizen”. 2.
- Ook het argument van de gestelde betalingsonmacht wordt verworpen. Uit de eigen stellingen van verzoekster blijkt immers dat gerekwestreerde het grootste deel van de gefactureerde bedragen (meer dan 80%) en de onkosten van verzoekster heeft voldaan. 2.
- Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de noodzaak om het verhaal voor de gestelde vordering door middel van een conservatoir beslag te verzekeren onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. 3De beslissing De voorzieningenrechter: 3.
- wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. L.J. Saarloos op 30 januari 2019.