vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind Zittingsplaats Alkmaar zaaknummer / rolnummer: C/15/269959 / HA ZA 18-83 Vonnis van 6 maart 2019 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres 1] B.V., (hierna: [eiseres 1] ), gevestigd te Andijk, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOUWBEDRIJF [eiseres 2] B.V., (hierna: [eiseres 2] ), gevestigd te Dinxperlo, 3. vennootschap onder firma NICEE ADVIES & PROJECTMANAGEMENT, (hierna: Nicee), gevestigd te Hoorn, 4. [eiser] T.H.O.D.N. ARCHITECTENBUREAU [eiser], (hierna: [eiser] ), wonende te [woonplaats 1] , eisers, advocaat mr. M.G. Jansen te Haarlem, tegen 1 [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats 2] , gedaagde, advocaat mr. R. van der Hooft te Hoorn Nh, 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats 3] , gedaagde, advocaat mr. R. van der Hooft te Hoorn Nh, 3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats 4] , gedaagde, niet verschenen, 4. [gedaagde 4], wonende te [woonplaats 4] , gedaagde, niet verschenen, 5. [gedaagde 5], wonende te [woonplaats 5] , gedaagde, advocaat mr. R. van der Hooft te Hoorn Nh, 6. [gedaagde 6] wonende te [woonplaats 6] , gedaagde, advocaat mr. R. van der Hooft te Hoorn Nh, 7. [gedaagde 7], wonende te [woonplaats 7] , gedaagde, advocaat mr. R. van der Hooft te Hoorn Nh, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NOORD-HOLLAND-NOORD ONROEREND GOED B.V., gevestigd te Medemblik, gedaagde, advocaat voorheen mr. W. Schoo te Heerenveen, thans mr. M.A. Le Belle te Alkmaar. Eisende partijen zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres 1] c.s.. Gedaagde 1, 2 en 5 tot en met 7 zullen worden aangeduid als [gedaagde 1] c.s. . Gedaagde sub 8 zal worden aangeduid als Noord-Holland-Noord. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 25 januari 2018; de akte overlegging producties van [eiseres 1] c.s., met 24 producties; de verstekverlening jegens [gedaagde 3] en [gedaagde 4] ; de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] c.s., met 2 producties; de conclusie van antwoord van Noord-Holland-Noord, met 3 producties (genummerd 25 tot en met 27); het tussenvonnis van 18 april 2018 het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2018, inclusief de daaraan gehechte pleitnota’s en de brief van 30 november 2018 van mr. M.G. Jansen; de akte tevens akte (voorwaardelijke) vermeerdering van eis van [eiseres 1] c.s.; de akte uitlating voortprocederen van [gedaagde 1] c.s.; de akte uitlating voortzetting procedure van Noord-Holland-Noord; de antwoordakte van [gedaagde 1] c.s. de akte uitlating vermeerdering eis van Noord-Holland-Noord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [gedaagde 1] c.s. zijn ieder afzonderlijk eigenaar van een stuk grond gelegen nabij het centrum van Venhuizen. 2.2. Nicee, [eiser] en Noord-Holland-Noord zijn een samenwerking gestart gericht op de ontwikkeling van een woningbouwproject nabij dit centrum. Aanvankelijk was Gourmet B.V. als investeerder hierbij aangesloten. Op zeker moment is Goumet B.V. afgehaakt en zijn in haar plaats [eiseres 1] en [eiseres 2] toegetreden. 2.3. Noord-Holland-Noord heeft bij afzonderlijke overeenkomsten, gedateerd in de periode mei tot en met november 2017 van [gedaagde 1] c.s. gekocht de volgende onroerende zaken:- de onroerende zaak ((grond)perceel) gelegen te [adres 1] (kadastraal kenbaar onder kenmerk: [kadastrale gegevens] ); - de onroerende zaak ((grond)perceel), gelegen te [adres 2] (kadastraal kenbaar onder kenmerk: [kadastrale gegevens] ); - de onroerende zaak ((grond)perceel) gelegen te [adres 3] (kadastraal kenbaar onder kenmerk: [kadastrale gegevens] ). Hierbij merkt de rechtbank op dat gedaagde sub 2 ( [naam] ) heeft gesteld geen koopovereenkomst te hebben gesloten. Dit kan in het midden blijven. Gemakshalve zal derhalve worden gesproken van [gedaagde 1] c.s.. 2.4. Bij voornoemde overeenkomsten heeft [gedaagde 1] c.s. zich jegens Noord-Holland-Noord verbonden om genoemde onroerende zaken te leveren aan Noord-Holland-Noord of aan een door deze aan te wijzen andere “nader te noemen meester.” 2.5. Op 16 juni 2017 is tussen Noord-Holland-Noord en [eiseres 1] een schriftelijke stuk opgemaakt en door beiden voor akkoord ondertekend. Het stuk bevat de volgende passages: “Betreft: Voorschotbetaling op overname grondposities in woningbouwplan [naam plan] In het zicht van de overname van beide koopovereenkomsten van Noord-Holland- Noord Onroerend Goed BV met de familie [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ( …) in het woningbouwplan [naam plan] het volgende: Op donderdag 1 juni 2017 heeft u bij u in huis ons toegezegd dat u, zodra het ons past € 125.000,00 (…) voorschot zal betalen inzake bevengenoemde overname. (…) Wij zien uw overboeking tegemoet.” Noord-Holland-Noord en [eiseres 1] hebben het stuk voor akkoord ondertekend. 2.6. [eiseres 1] heeft op 28 juni 2017 het voorschot van € 125.000,00 aan Noord-Holland-Noord overgemaakt. 3Het geschil 3.1. [eiseres 1] c.s. vordert, na de eis te hebben gewijzigd, dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad primair (voorwaardelijk) - (I) Noord-Holland-Noord veroordeelt tot nakoming van de op de comparitie van 1 oktober 2018 gemaakte afspraken, in die zin dat de rechtbank Noord-Holland-Noord veroordeelt om medewerking te geven aan de uitvoering van de tijdens de comparitie gemaakte afspraken door te gehengen en te gedogen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn toegetreden, althans zullen toetreden, tot de koopovereenkomsten die met [gedaagde 1] c.s. zijn gesloten, en wel onder de in deze koopovereenkomsten genoemde voorwaarden, alsmede onder de voorwaarden als neergelegd in de overgelegde allonges, welke [eiseres 1] en [eiseres 2] met [gedaagde 1] c.s. hebben gesloten ter aanvulling op de in de koopovereenkomst neergelegde afspraken, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag, of dagdeel dat Noord-Holland-Noord hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500.000,00; subsidiair (II) (primair) verklaart voor recht dat [eiseres 1] en [eiseres 2] door Noord-Holland-Noord zijn aangewezen als nader te noemen meesters en derhalve partij zijn geworden bij de met [gedaagde 1] c.s. gesloten koopovereenkomsten ten aanzien van de bij hen in eigendom zijnde grondpercelen; (subsidiair) Noord-Holland-Noord veroordeelt om [eiseres 1] en [eiseres 2] alsnog aan te wijzen als nader te noemen meesters uit hoofde van voornoemde koopovereenkomsten met [gedaagde 1] c.s., alsmede Noord-Holland-Noord veroordeelt om al het mogelijke te verrichten en na te laten waardoor [eiseres 1] en [eiseres 2] in de rechten en plichten van Noord-Holland-Noord kunnen treden en partij worden bij deze koopovereenkomsten, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat Noord-Holland-Noord hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 2.500.000,00; (III) [gedaagde 1] c.s. veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de koopovereenkomsten na te komen door op eerste verzoek van [eiseres 1] en [eiseres 2] mee te werken aan levering van de door [gedaagde 1] c.s. verkochte onroerende zaken, conform de bepalingen uit deze overeenkomsten en conform de daarin opgenomen (ontbindende) voorwaarden, zulks onder de bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de noodzakelijke medewerking/ handtekening/ wilsverklaring van [gedaagde 1] c.s., indien zij niet binnen 10 dagen na betekening van dit vonnis hun medewerking hebben verleend; (IV) Noord-Holland-Noord veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn toegetreden , dan wel zullen toetreden, tot de koopovereenkomsten met [gedaagde 1] c.s., alsmede Noord-Holland-Noord veroordeelt om te gehengen en te gedogen dat de grondpercelen van [gedaagde 1] c.s. uiteindelijk aan [eiseres 1] en [eiseres 2] worden verkocht en geleverd, conform de bepalingen uit deze overeenkomsten en conform de daarin opgenomen (ontbindende) voorwaarden, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat Noord-Holland-Noord hiermee in gebreke blijft, met een maximum van €2.500.000,00; (V) verklaart voor recht dat Noord-Holland-Noord toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met [eiseres 1] c.s. gemaakte afspraken inzake het woningbouwproject “Het Weyver’ te Venhuizen, althans onrechtmatig heeft gehandeld en jegens [eiseres 1] c.s. aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen hiervan; (VI) Noord-Holland-Noord veroordeelt tot vergoeding van deze schade aan [eiseres 1] c.s., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met rente; (VII) Noord-Holland-Noord veroordeelt tot terugbetaling van het aan haar door [eiseres 1] betaalde voorschot van € 125.000,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening; (VIII) Noord-Holland-Noord veroordeelt tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 21.302,05, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening; Primair en subsidiair - ( (IX) [gedaagde 1] c.s. en Noord-Holland-Noord veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met rente en nakosten. 3.2. Ter onderbouwing van de primaire vordering (I) voert [eiseres 1] c.s., kort gezegd, aan dat partijen gedurende de schorsing van de comparitie van partijen van 1 oktober 2018 afspraken hebben gemaakt en dat partijen vervolgens aan de rechtbank hebben verzocht de zaak enige tijd aan te houden voor het voeren van onderhandelingen met de niet verschenen gedaagden en het effectueren van gemaakte afspraken. Op 9 november 2018 heeft Noord-Holland-Noord echter te kennen gegeven de toegezegde medewerking aan de op 1 oktober 2018 gemaakte afspraken eenzijdig te hebben ingetrokken. Hiertoe was Noord-Holland-Noord niet meer gerechtigd. Op grond hiervan heeft [eiseres 1] c.s. een opeisbare vordering op tot nakoming van de tijdens de comparitie gemaakte afspraken. De tussen verzoekers en verweerder gemaakte afspraken komen er, kort gezegd, op neer dat indien [eiseres 1] c.s. met de grondeigenaren (lees: [gedaagde 1] c.s. en de niet verschenen gedaagden) tot overeenstemming zouden komen, Noord-Holland-Noord er definitief uit tussenuit zou vallen en [eiseres 1] c.s. alle rechten en plichten van Noord-Holland-Noord uit de koopovereenkomsten zou overnemen. In dat geval zou [eiseres 1] c.s. de vordering tot terugbetaling van de voorschot betaling van € 125.000,00 jegens Noord-Holland-Noord weer intrekken, welk voorschot als vergoeding voor Noord-Holland-Noord zou worden beschouwd, met kwijting voor Noord-Holland-Noord, welke kwijting tevens zou gelden voor hetgeen Noord-Holland-Noord aan [eiser] en Nicee verschuldigd is. 3.3. Ter onderbouwing van de subsidiaire vordering voert [eiseres 1] c.s., kort gezegd, het volgende aan. en [eiseres 2] zijn tengevolge van de met Noord-Holland-Noord gemaakte afspraken als ‘nader te noemen meesters’ partij geworden bij de door Noord-Holland-Noord met [gedaagde 1] c.s. gesloten koopovereenkomsten. Derhalve hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] thans reeds te gelden als contractuele wederpartijen van [gedaagde 1] c.s. [gedaagde 1] c.s. is jegens [eiseres 1] en [eiseres 2] gehouden tot levering van de verkochte percelen.[eiseres 1] c.s. vreest echter dat Noord-Holland-Noord, in strijd met de met [eiseres 1] c.s. gemaakte afspraken, [gedaagde 1] c.s. ertoe zal bewegen de grondpercelen niet aan [eiseres 1] en [eiseres 2] te leveren, maar aan Noord-Holland-Noord zelf of een door deze aangewezen derde. Hierdoor zullen botsende leveringsrechten ontstaan en zullen betrokkenen, waaronder [eiseres 1] c.s. aanzienlijke schade lijden. Voor zover niet komt vast te staan dat [eiseres 1] en [eiseres 2] als ‘nader te noemen meesters’ bij de koopovereenkomsten betrokken zijn, hebben zij als potentieel gerechtigden belang bij toewijzing van hun vorderingen tot nakoming van de koopovereenkomsten. In dat geval dient Noord-Holland-Noord te worden veroordeeld tot medewerking bij de aanwijzing van [eiseres 1] en [eiseres 2] , zodat deze alsnog partij kunnen worden bij de koopovereenkomst.Voor zover dit laatste niet mogelijk is, dient Noord-Holland-Noord de schade van [eiseres 1] c.s. te vergoeden. Voorts dient het betaalde voorschot van € 125.000,00 door Noord-Holland-Noord te worden terugbetaald. Bovendien heeft [eiser] in dat geval aanspraak op betaling van de door hem aan Noord-Holland-Noord verzonden factuur van € 21.302,05. 3.4. [gedaagde 1] c.s. voert verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden. Wat betreft de jegens Noord-Holland-Noord ingestelde vorderingen, refereert [gedaagde 1] c.s. zich aan het oordeel van de rechtbank. [gedaagde 1] c.s. zijn niet in verzuim en zullen meewerken aan de levering aan diegene die als koper heeft te gelden, met dien verstande dat gedaagde sub. 2 geen koopovereenkomst heeft gesloten. Voor veroordeling in de kosten van de procedure, bestaat geen grond, nu [gedaagde 1] c.s. zonder grond in rechte is betrokken door [eiseres 1] c.s.. 3.5. Noord-Holland-Noord voer verweer op, kort gezegd, de navolgende gronden. [eiseres 1] c.s. en Noord-Holland-Noord hebben geen overeenkomst gesloten, nu [eiseres 1] c.s. niet tijdig akkoord is gegaan met de door Noord-Holland-Noord gestelde voorwaarden. Derhalve bestaat geen contractuele verplichting voor Noord-Holland-Noord om [eiseres 1] en [eiseres 2] aan te wijzen als ‘nader te noemen meesters’. Het betaalde bedrag van € 125.000,00 is geen voorschot, maar een door [eiseres 1] aan Noord-Holland-Noord verstrekte lening. Er is geen grondslag voor betaling van de gevorderde factuur. Noord-Holland-Noord heeft met [eiser] gecontracteerd onder de no cure no pay voorwaarde. Uitsluitend wanneer het woningbouwproject afgerond zou worden, zou [eiser] recht krijgen op betaling van het factuurbedrag. Nu het project niet is voltooid om redenen die [eiser] zijn aan te rekenen, heeft [eiser] geen recht op betaling van de factuur. Tot slot betwist Noord-Holland-Noord dat partijen op de comparitie van 1 oktober 2018 bindende afspraken hebben gemaakt. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De vermeerdering van eis 4.1. De eis vermeerdering betreft het jegens Noord-Holland-Noord instellen van de primaire vordering onder (I). De eis is ingesteld onder de voorwaarde dat Noord-Holland-Noord zich op het standpunt blijft stellen dat zij niet gebonden is aan de op 1 oktober 2018 gemaakte afspraken. Vastgesteld kan worden dat deze voorwaarde in vervulling is gegaan, zodat de eis als definitief ingesteld kan worden beschouwd. 4.2. De rechtbank zal deze vermeerdering van eis desondanks buiten beschouwing laten. Hiertoe wordt als volgt overwogen. De oorspronkelijk jegens Noord-Holland-Noord ingestelde vorderingen (thans subsidiair onder II e.v. met uitzondering van (III)) zijn gebaseerd op de gebeurtenissen in de periode vanaf begin 2017 tot en met december 2017 en zijn, kort gezegd, gegrond op de stelling dat Noord-Holland-Noord [eiseres 1] en [eiseres 2] heeft aangewezen als ´nader te noemen meesters´, althans dat Noord-Holland-Noord in genoemde periode zich hiertoe jegens [eiseres 1] c.s. heeft verbonden. Daarentegen ziet de eisvermeerdering op hetgeen zich volgens [eiseres 1] c.s. heeft afgespeeld gedurende de schorsing van de mondelinge behandeling op 1 oktober 2018 en is gebaseerd op hetgeen partijen in de visie van [eiseres 1] c.s. ter beslechting van hun in 2017 gerezen geschil zijn overeengekomen. Het ten behoeve van de eisvermeerdering aangevoerde feitensubstraat en de juridische gevolgtrekking betreft in feite een nieuw geschil tussen [eiseres 1] c.s. en Noord-Holland-Noord en de rechtbank is hierom van oordeel dat toelating van de vermeerdering van eis in strijd is met de goede procesorde. Opmerking verdient dat op de comparitie namens [eiseres 1] c.s. is aangevoerd dat deze de eis wilde wijzigen op de in de pleitnota van mr. Jansen omschreven wijze. Om deze reden is aan [eiseres 1] c.s. na de comparitie van 1 oktober 2018 een aanhouding gegeven om de eis te wijzigen. De rechtbank stelt vast dat de thans door [eiseres 1] c.s. verlangde eisvermeerdering niet overeenstemt met de eiswijziging die [eiseres 1] c.s. blijkens de inhoud van de pleitnota destijds voorstond. 4.3. Hetgeen partijen voor het overige over de eiswijziging hebben aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. De rechtbank zal recht doen op basis van de door [eiseres 1] c.s. bij dagvaarding ingestelde eis en de wijziging die [eiseres 1] c.s. blijkens de pleitnota voor ogen stond. het onderwerp van het geschil 4.4. In deze procedure staan de volgende overeenkomsten centraal: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.