← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2019:3223

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/4314 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. L.C. Husmann). Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn Ziektewet-uitkering per 20 juli 2018 wordt beëindigd. Hiertegen heeft eiser op 15 augustus 2018 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 11 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  3. Eiser heeft – kort samengevat – naar voren gebracht dat het klopt dat het bezwaar te laat is ingediend maar dat hij daarvoor een goede reden had. Eiser wist namelijk niet waar zijn pijnklachten vandaan kwamen en wilde daarom eerst het deskundige oordeel van zijn behandelende artsen horen, zodat hij wist wat hij in bezwaar naar voren moest brengen. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat dit geen reden is om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank constateert dat tussen partijen niet in geschil is dat het bezwaar niet binnen de wettelijke bezwaartermijn is ingediend. De vraag die dan vervolgens aan de orde is, is of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Het primaire besluit bevat namelijk een rechtsmiddelenverwijzing. Eiser had daarom kunnen weten dat hij binnen 6 weken bezwaar moest indienen bij verweerder. Dit heeft eiser ook niet betwist. Dat eiser graag een deskundigenoordeel aan zijn bezwaarschrift ten grondslag wilde leggen is weliswaar begrijpelijk, maar betreft toch een omstandigheid die voor rekening en risico van eiser dient te blijven. Eiser had zijn bezwaarschrift namelijk tijdig kunnen indienen en dan later kunnen aanvullen met de gewenste medische verklaringen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk was geweest. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
  4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april
  5. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.