RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/4994 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juni 2019 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad, verweerder (gemachtigde: mr. P. Koenhen). Procesverloop Bij besluit van 29 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verstrekte uitkering op grond van de Participatiewet (PW) beëindigd per 1 april
- Bij besluit van 13 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft op 16 november 2018 een brief van eiseres van 15 november 2018, met daarbij een kopie van een beroepschrift gedateerd op 22 oktober 2018, ontvangen. Verweerder heeft voornoemde brief met bijlage op 20 november 2018 aan de rechtbank doorgezonden. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 7 juni 2019 uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Voordat de rechtbank de inhoud van het beroep kan beoordelen moet eerst de vraag worden beantwoord of eiseres tijdig beroep heeft ingesteld. En vervolgens, als dat niet zo is, of eiseres daarvoor een hele goede reden heeft, waardoor de termijnoverschrijding haar niet kan worden aangerekend.
- In dit geval is niet gebleken dat het bestreden besluit van 13 september 2018 niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dit betekent dat de beroepstermijn is aangevangen op 14 september 2018 en is geëindigd op 26 oktober
- Uit het procesdossier blijkt echter dat verweerder pas op 16 november 2018 een beroepschrift van eiseres heeft ontvangen, gedateerd op 15 november
- Dit is dus te laat. Weliswaar is bij dit beroepschrift een eerder gedateerd beroepschrift van 22 oktober 2018 gevoegd, echter er is geen bewijs van (tijdige) verzending van dit eerdere beroepschrift overgelegd door eiseres. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting ook aangegeven geen bewijs van verzending te hebben.
- Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep te laat is ingediend. De enkele niet onderbouwde stelling van eiseres dat er iets mis is gegaan bij Post NL bij de verzending van het eerdere beroepschrift, is onvoldoende om hier anders over te oordelen. Van verschoonbaarheid is verder niet gebleken. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Als gevolg hiervan komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.