RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1988 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2019 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder (gemachtigden: M. Eerens en W. Treur). Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 11 april 2019 de aanvraag van 13 februari 2019 om maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen. Verzoekster heeft daartegen op 29 april 2019 een bezwaarschrift ingediend. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe; bepaalt dat verzoekster per heden in aanmerking wordt gebracht voor 3 uur huishoudelijke hulp per week voor zwaar huishoudelijke taken als zorg in natura; bepaalt dat deze voorlopige voorziening loopt tot 6 weken na de datum van verzending van het besluit op bezwaar; - wijst hetgeen overigens is gevraagd af; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan verzoekster te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.024,-. Overwegingen
- De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
- Deze uitspraak ziet op de gevraagde huishoudelijke hulp. Er is voldoende spoedeisend belang aanwezig nu de situatie waarin verzoekster verkeert al enige tijd duurt en er overbelasting van verzoeksters moeder dreigt. Voor hetgeen overigens is gevraagd is geen sprake van een dringende situatie die meebrengt dat de bodemprocedure redelijkerwijs niet kan worden afgewacht.
- Verweerder heeft naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter in de primaire fase niet voldoende onderzoek verricht, zoals volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is vereist. Het gaat dan met name om het in kaart brengen of en in hoeverre gebruikelijk hulp door de moeder van verzoekster kan worden verleend. In bezwaar zal alsnog onderzoek moeten plaatsvinden naar de mogelijkheden van de moeder en de andere huisgenoten.
- Het standpunt van verweerder wat betreft de ‘uitruil’ van het persoonsgebonden budget (pgb) voor persoonlijke verzorging is naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter niet houdbaar, gelet op vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9930).
- Het standpunt van verweerder dat nog steeds sprake is van gebruikelijk zorg, ook als sprake is van drukke werkzaamheden, kan naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter ook niet zonder meer worden gevolgd, gelet op de rechtspraak van de CRvB in situaties van (dreigende) overbelasting. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Buiskool, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei
- griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.