RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/2510 uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juni 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster 1] , verzoekster 1, [verzoekster 2] , wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [verzoekster 1] , en [verzoekster 3] , verzoekster 2, allen te [plaats] , verzoeksters (gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld), en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder (gemachtigden: mr. Y.J.M. Pijnaker en F. Traksel). Procesverloop Verweerder heeft verzoeksters op 14 juni 2019 laten weten dat de opvang voor verzoekster 1, haar kind [naam] en verzoekster 2 per 18 juni 2019 wordt beëindigd. Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld op de zitting van 18 juni 2019. Verzoeksters zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2. Verzoeksters hebben een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van griffierecht voor het verzoek om een voorlopige voorziening. Gelet op hetgeen de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden toegewezen. Verzoeksters hoeven geen griffierecht te betalen. 3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 3.1. Verzoeksters hebben allen de Bulgaarse nationaliteit. Zij zijn dus onderdaan van de Europese Unie (EU). Verzoekster 1 is op 28 juni 2007 ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) van Amsterdam. Drie maanden later, op 10 september 2007, is zij weer uitgeschreven. In 2010 op 20 juli is zij weer ingeschreven en vier maanden later weer in november 2010 uitgeschreven. Ruim twee jaar later, op 20 februari 2012 is zij weer ingeschreven in Amsterdam, waarna zij op 3 juli 2012 weer is uitgeschreven. Een maand later, op 7 augustus 2012, is zij weer ingeschreven in Amsterdam. Op 25 oktober 2012 is zij weer uitgeschreven en in april 2013 is zij weer ingeschreven. Een maand later is zij weer uitgeschreven en naar Bulgarije vertrokken. Vervolgens is zij van 8 augustus 2013 tot 22 september 2017 ingeschreven in Amsterdam. Daarna is zij met onbekende bestemming vertrokken. In de tussentijd, op 22 december 2017, is het kind van verzoekster 1 geboren in Bulgarije. In juni 2018 is verzoekster 1 samen met haar kind weer in Amsterdam ingeschreven en vanaf 25 oktober 2018 zijn zij in Haarlem op het adres van de broer van verzoekster 1 (hierna: de broer) en diens gezin (vrouw en kind) ingeschreven. Vanaf 17 mei 2019 hebben verzoekster 1 en haar kind een briefadres in Haarlem. In voornoemde periodes heeft verzoekster 1 geen beroep gedaan op sociale bijstand in Nederland. Verzoekster 2 heeft van 3 juni 2015 tot 6 januari 2016 in de BRP van Amsterdam ingeschreven gestaan, waarna zij is vertrokken naar Bulgarije. Zij staat vanaf 5 maart 2019 ingeschreven op het adres van haar zoon in Haarlem. Haar verblijfplaatsgegevens zijn volgens verweerder nog in onderzoek. 3.2. Op 29 april 2019 hebben de broer en zijn gezin alsmede verzoeksters zich gemeld bij de Brede centrale opvang (BCT) omdat zij de dag erop uit hun woning zouden worden gezet en daardoor dak- en thuisloos zouden worden. In de periode van 29 april 2019 tot 17 mei 2019 is de gehele familie door verweerder opgevangen in een vakantiepark van Centerparcs te Zandvoort. Daarna zijn verzoeksters opgevangen in hotel Ambassador in Haarlem en de broer met zijn gezin in opvanglocatie Velserpoort. De broer en diens gezin hebben aldus verweerder een lange woongeschiedenis in Haarlem en voldoende inkomen. Verzoeksters zijn uit coulance tijdelijk opgevangen, maar inmiddels is volgens verweerder duidelijk dat zij hierop geen recht hebben zodat de hotelreservering niet wordt verlengd. In verband met de onderhavige procedure heeft verweerder de hotelreservering verlengd tot 21 juni 2019. Niet in geschil is dat verzoeksters rechtmatig in Nederland verblijven, zij het dat volgens verweerder de IND de rechtmatigheid van het verblijf van verzoekster 2 onderzoekt. Verzoeksters hebben tevens bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. De aanvraag van 7 mei 2019 van verzoekster 2 is bij besluit van 17 mei 2019 afgewezen omdat zij nog geen drie maanden in Nederland verblijft. Verzoekster 1 ontvangt voorschotten van € 70,- per week. Volgens verweerder zal haar aanvraag op korte termijn worden toegewezen. 4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster 1 geen recht op een maatwerkvoorziening heeft omdat zij geen aaneengesloten periode van 3 maanden zelfstandig onderdak en voldoende inkomen heeft gehad. Verweerder baseert dit op mondeling overleg (door de BCT) met de IND en artikel 1.2.2 van de WMO in samenhang met artikel 24 lid van 2 van de Richtlijn. Daarnaast verwijst verweerder naar de MvT bij de voormeld artikel van de WMO, vindplaats naar de voorzieningenrechter begrijpt: TK 2013-2014, 33 841, nr.3, p. 128 (MvT WMO). 4.2. Verzoekster 1 voert hiertegen aan dat zij inmiddels meer dan vijf jaar aaneengesloten in Nederland verblijft zodat zij een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Daardoor heeft verzoekster 1 recht op opvang op grond van de WMO. Ook als ervan uitgegaan moet worden dat zij nog geen vijf jaar aaneengesloten in Nederland woont, heeft zij recht op opvang omdat zij – zo begrijpt de voorzieningenrechter vooralsnog – ondanks dat zij thans werkeloos is nog de status van werknemer heeft. Verzoekster 2 voert aan dat zij als familielid in opgaande lijn recht heeft op opvang zowel op grond van het recht van de broer als het recht van verzoekster 1. 5.1. Allereerst dient te worden vastgesteld of sprake is van een besluit in de zin van de Awb. Verzoeksters, die naar verweerder aanneemt rechtmatig verblijven in Nederland, hebben zich gemeld bij de BCT met het verzoek om opvang. Dit verzoek dient te worden opgevat als een melding/aanvraag in het kader van de Wmo. Vervolgens zijn verzoeksters door verweerder opgevangen. De beslissing van verweerder om een persoon (al dan niet) toe te laten tot de maatschappelijke opvang moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De mededeling tot beëindiging van de (nood)opvang is eveneens een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter ziet in dit kader, bij gebrek aan een duidelijk schriftelijk stuk en gelet op de opstelling van verweerder, het trajectplan als het (schriftelijke) besluit. Verweerder kan zich niet aan een beoordeling van zijn besluit om (geen) opvang te bieden dan wel de opvang niet te verlengen onttrekken door zich op het standpunt te stellen dat de Wmo niet op verzoeksters van toepassing is en sprake is van een privaatrechtelijke handeling. Ook als verzoeksters geen recht hebben op opvang in het kader van de Wmo, dient de weigering dergelijke opvang te verschaffen of te verlengen te kunnen worden getoetst. Overigens heeft inmiddels de gemachtigde van verzoeksters verweerder verzocht een beslissing te nemen, en zou (tevens) beroep kunnen worden ingesteld wegens het niet tijdig beslissen. 5.2. Vervolgens dient de zaak inhoudelijk te worden beoordeeld. 5.2.1. Ingevolge artikel 1.2.2, tweede lid van de Wmo komt een vreemdeling voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeksters vallen onder artikel 8, onderdeel e van de Vw. Ingevolge het tweede lid van artikel 1.2.2 van de Wmo komt een vreemdeling, in afwijking van het eerste lid, niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang in de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn 2004/38/EG. 5.2.2 Ingevolge artikel 24, tweede lid, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval, de in artikel 14, vierde lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn, bedoelde langere periode. 5.2.3 Ingevolge artikel 14, derde lid, van de Richtlijn leidt een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het sociale bijstandsstelsel van het gastland niet automatisch tot een verwijderingsmaatregel. Ingevolge het vierde lid, aanhef en onder b, van dat artikel, voor zover van belang, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld. 5.2.4 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn, voor zover hier van belang, heeft iedere burger van de Europese Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.