beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Familie en Jeugd Zittingsplaats: Alkmaar Zaakgegevens : C/15/289999 / JU RK 19-1150 datum uitspraak: 9 juli 2019 beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI, gevestigd te Alkmaar, betreffende de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [datum] te [plaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [plaats] , [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [plaats] , [pleegouders] , de grootouders moederszijde en de pleegouders van [minderjarige] , hierna te noemen de pleegouders, wonende te [plaats] 1Het procesverloop 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI, ingekomen op 20 juni 2019; de (door de rechtbank opgevraagde) stukken van de GI, ingekomen op 2 juli 2019; de brief (met bijlage) van de ouders, ingekomen op 3 juli 2019. 1.2 Op 4 juli 2019 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. J.J. Jorna, de pleegouders, bijgestaan door hun advocaat mr. G.R. Dorhout-Tielken, [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI, [vertegenwoordiger Actiezorg] en [vertegenwoordiger Actiezorg] , werkzaam bij Actiezorg (op verzoek van de ouders als informanten ter zitting verschenen), [vertegenwoordiger Parlan] , werkzaam bij Parlan (op verzoek van de GI als informant ter zitting verschenen). 1.3 Bij beschikking van 9 juli 2019 is reeds in verkorte vorm uitspraak gedaan in deze zaak. Hieronder volgt de schriftelijke uitwerking daarvan. 2De feiten 2.1 Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders. 2.2 De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 juni 2016 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 27 september 2016. Bij beschikking van 5 juli 2016 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 5 juli 2017. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk (bij beschikking van 14 juni 2018) tot 5 juli 2019. 2.3 Bij beschikking van 27 juni 2016 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg, voor de duur van vier weken. Op 5 juli 2016 is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een voorziening voor pleegzorg, tot 27 september 2016. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien steeds verlengd, laatstelijk (bij beschikking van 26 april 2019) tot 5 juli 2019. 2.4 Bij beschikking van 4 juli 2019 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengd, beide tot 11 juli 2019 en de beslissing ten aanzien van het meer verzochte aangehouden tot 9 juli 2019. 2.5 [minderjarige] woont sinds eind juni 2017 bij de pleegouders, na een plaatsing elders. 3Het verzoek 3.1 De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg – te weten bij de pleegouders – te verlengen, beide voor de duur van twaalf maanden. 3.2 Met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar stelt de GI dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de ouders op dit moment (nog steeds) onvoldoende in staat zijn om met passende acties en/of hulp van netwerk/instanties onder eigen verantwoordelijkheid die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. 3.3 Met betrekking tot het verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, heeft de GI aangevoerd geen aanleiding te zien om het eerder ingenomen standpunt dat niet meer toegewerkt wordt naar terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders, te wijzigen. De GI heeft een onafhankelijk expertiseteam van de William Schrikker, bestaande uit een orthopedagoog, een jurist en een jeugdpsychiater, verzocht om de casus te toetsen. Dit team heeft de zorgen van de GI onderschreven, als ook haar beslissing niet meer naar thuisplaatsing van [minderjarige] bij haar ouders toe te werken. De GI ziet – in tegenstelling tot Actiezorg – onvoldoende groei bij de ouders. De persoonlijke problematiek van moeder speelt hierbij een grote rol. De moeder is daardoor te weinig consistent in haar opvoedvaardigheden en de vader is niet in staat om aan de persoonlijke problematiek van de moeder het noodzakelijke tegenwicht te bieden. Bij de vader is bovendien sprake van problemen in de agressieregulatie. Het risico is groot dat doordat de ouders de verantwoordelijkheid van de dagelijkse zorg over [minderjarige] niet aankunnen, de spanningen tussen hen opnieuw oplopen, zoals in het verleden het geval is geweest. Een terugplaatsing vraagt ook te veel van de mentale weerbaarheid van [minderjarige] , gelet op de kwetsbaarheid van de ouders. Een terugplaatsing is in het verleden overwogen toen [minderjarige] bij de pleegouders werd geplaatst. Doordat er toen een goede band en samenwerking was tussen de ouders en de pleegouders was het idee dat de pleegouders een ondersteunende rol zouden blijven vervullen bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] en een deel van de week de zorg voor [minderjarige] op zich zouden nemen, in een soort van co-ouderschap. Door de reeds langere tijd verstoorde relatie tussen de ouders en de grootouders is een dergelijke constructie niet meer mogelijk. Verder is duidelijk dat [minderjarige] het goed doet bij de pleegouders en op school. De grootouders kunnen de zorg voor [minderjarige] goed aan, zij stimuleren haar in haar (sociaal-emotionele) ontwikkeling en bieden haar de regels en structuur die zij nodig heeft. De GI is van mening dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. De GI acht het voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang dat zij op korte termijn duidelijkheid krijgt over haar opvoedperspectief. 4Het standpunt van de ouders 4.1 De ouders zijn het niet eens met het verzochte. Door en namens hen is ter zitting daartoe – zakelijk samengevat– aangevoerd dat het doel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing is bereikt. De thuissituatie bij de ouders is voldoende veilig, zodat deze maatregelen beëindigd kunnen worden en [minderjarige] terug naar huis kan. Dat is ook de wens van [minderjarige] . Verzocht wordt dan ook de verzoeken van de GI af te wijzen. De ouders onderschrijven het door de bijzondere curator, [bijzondere curator] , eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, zoals neergelegd in de beschikking van 26 april 2019. De bijzondere curator was van mening dat [minderjarige] per direct thuis kon worden geplaatst, onder gelijktijdige beëindiging van de ondertoezichtstelling. Het was dan ook een grote teleurstelling voor de ouders dat daaraan door de rechtbank geen gehoor is gegeven. Indien een geleidelijke terugplaatsing meer in het belang van [minderjarige] wordt geacht, staan de ouders daar ook voor open, maar echt nodig of wenselijk is dat volgens hen niet. Verder begrijpen de ouders dat de pleegouders een belangrijke rol in het leven van [minderjarige] behoren te houden, maar dan in de rol van grootouders en niet als opvoeders/verzorgers. 5Het standpunt van de pleegouders 5.1 De pleegouders onderschrijven de verzoeken van de GI. Door en namens hen is ter zitting daartoe aangevoerd dat zij het niet in het belang van [minderjarige] achten om haar terug te plaatsen bij de ouders. [minderjarige] heeft volgens de pleegouders teveel meegemaakt, zoals het huiselijk geweld in de thuissituatie, de tekortschietende opvoedsituatie en een aantal overplaatsingen, waardoor een terugplaatsing niet meer verantwoord is, ook niet als daarbij allerlei vormen van begeleiding wordt geboden en [minderjarige] naar de buitenschoolse opvang gaat. [minderjarige] heeft bovendien recht op duidelijkheid over haar perspectief. De pleegouders achten het in haar belang dat die duidelijkheid er zo snel mogelijk komt. 6De visies van de hulpverlening 6.1 Parlan onderschrijft de visie van de GI dat terugplaatsing van [minderjarige] niet in haar belang is. Ter zitting heeft Parlan nogmaals benadrukt dat een nader onderzoek naar een mogelijke thuisplaatsing (het zg. Boog of Terug naar Huis onderzoek) niet aan de orde is, omdat er geen duurzame verandering in het ouderlijk systeem gezien wordt, hetgeen een voorwaarde is voor een herhaald onderzoek. De eerdere resultaten ervan (geen terugplaatsing) zijn daarom nog steeds geldend. Bovendien zou een nieuw onderzoek langere tijd in beslag nemen, terwijl het schadelijk voor [minderjarige] is om nog langer in onzekerheid te verkeren over haar toekomstsperspectief. Het feit dat een goede samenwerking tussen de ouders en de pleegouders ontbreekt, beïnvloedt de mogelijkheden ook nog eens in ongunstige zin. 6.2 Actiezorg onderschrijft het standpunt van de ouders dat een terugplaatsing van [minderjarige] nog steeds mogelijk is. Actiezorg acht een geleidelijke terugkeer van [minderjarige] het meest wenselijk, zodat de ouders kunnen wennen aan de verantwoordelijkheden die horen bij het opvoeden van een kind en de hulpverlening goed in de steigers kan worden gezet. Zowel de vader als de moeder staan open voor begeleiding vanuit Actiezorg, werken actief mee aan de gestelde doelen en de adviezen worden door hen ter harte genomen. Wanneer [minderjarige] thuis zou wonen, zou Actiezorg aanwezig kunnen zijn in het gezin en zou er gewerkt kunnen worden aan het aanbrengen van structuur op allerlei gebieden (eten, slapen en dagindeling). Sociale situaties zijn moeilijk voor de moeder door haar persoonlijke problematiek, maar door deze goed voor- en na te bespreken, en (indien mogelijk) een aantal keer te begeleiden, kan zij dat zelfstandig. De vader is hierin een beschermende factor. Duidelijk is dat er veel liefde en warmte is van de ouders voor [minderjarige] en dat zij heel blij als zij bij de ouders is. Ook Actiezorg acht nader onderzoek naar de mogelijkheden van thuisplaatsing te belastend voor [minderjarige] . Duidelijkheid voor alle betrokkenen op korte termijn is belangrijk. 7De beoordeling 7.1 De rechtbank is van oordeel dat nog steeds aan het wettelijk criterium voor een ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt voldaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). 7.2 Op basis van de stukken van het dossier, het verhandelde op de zitting en de eerdere beschikkingen over [minderjarige] waarvan de rechtbank ambtshalve kennis heeft genomen, stelt de rechtbank het volgende vast. [minderjarige] heeft tot mei 2016 bij haar ouders gewoond, zij was toen bijna zeven jaar oud. In verband met huiselijk geweld tussen de ouders is [minderjarige] vervolgens tijdelijk bij haar opa en oma (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.