← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2019:7086

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/1813 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2019 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 1 augustus 2018 ingewilligd per 20 september

  1. Bij besluit van 19 december 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder bij eiser een bedrag van € 7.014,78 teruggevorderd in verband met de ten onrechte genoten PW-uitkering over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus
  2. Bij besluit van 16 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli
  3. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak van eiser met nummer HAA 19/
  4. Daarna zijn de zaken weer gesplitst. Overwegingen
  5. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving sinds 15 december 2017 een PW-uitkering van verweerder. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek heeft verweerder onderzoek naar de PW-uitkering van eiser gedaan. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit rechtmatigheidsonderzoek is verweerder bij besluiten van 21 augustus 2018 en 20 september 2018 overgegaan tot blokkering en vervolgens, op grond van artikel 17, eerste lid, van de PW en 54, derde lid, van de PW, tot intrekking van de PW-uitkering over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus 2018, wegens het ten onrechte verzwijgen van het hebben van vermogen. De hiertegen gerichte bezwaren van eiser zijn bij besluit van 24 januari 2019 ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep, met procedurenummer HAA 19/461, is door deze rechtbank bij uitspraak van 16 augustus 2019 ongegrond verklaard.
  6. De rechtbank heeft in haar hiervoor genoemde uitspraak van 29 augustus 2019 al geoordeeld dat verweerder terecht is overgegaan tot blokkering en intrekking van de PW-uitkering van eiser over de periode van 15 december 2017 tot 1 augustus
  7. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot het terugvorderen van het bedrag aan ten onrechte genoten PW-uitkering over die periode, te weten € 7.014,
  8. Verweerder is namelijk verplicht om dit te doen. Deze verplichting volgt uit artikel 58, eerste lid, van de PW. Van dringende redenen om toch af te zien van de terugvordering als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW is de rechtbank niet gebleken. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij de terugvordering financieel niet kan dragen en dat de situatie eiser veel stress oplevert, is hiervoor onvoldoende.
  9. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de (nieuwe) aanvraag om een PW-uitkering van 20 september 2018 terecht per die datum heeft ingewilligd. Eiser heeft niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij zich hiervoor al eerder, naar hij stelt op 1 augustus 2018, heeft gemeld bij verweerder. Gelet hierop zijn er geen bijzondere omstandigheden naar voren gekomen die verweerder ertoe hadden moeten brengen af te wijken van de hoofdregel van artikel 44, eerste lid, van de PW, namelijk dat bijstand niet eerder wordt toegekend dan de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.
  10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus
  11. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.