RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/118046-19 (P) Uitspraakdatum: 18 oktober 2019 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2019 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kubbinga en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. P.K. de Blieck-Willemsen, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 20 augustus 2019, ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 21 februari 2019 te Purmerend tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning gelegen aan [adres] , A.met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en/of een gouden ring en/of een horloge (merk Oozoo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een (gestolen) huisdeursleutel, toebehorende aan [zoon van slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(
- s)hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of B.met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een gouden ring en/of een horloge (merk Oozoo), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat- [slachtoffer] (dreigend) de woorden werd toegevoegd “op de grond" en/of “geld, sieraden” en/of "waar is de kluis” en/of “geld, geld, anders schiet ik je door je kankerkop” en/of- [slachtoffer] werd bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een of meer stroomstootwapen(
- s)en/of- met een stroomstootwapen werd geknetterd en/of- [slachtoffer] aan haar handen werd vastgebonden met (een) tie-rip(s)/kabelbinder(
- s)en/of- op de ogen en/of de mond van [slachtoffer] (duct-)tape werd geplakt en/of- de voeten van [slachtoffer] aan elkaar werden vastgeplakt met (duct-)tape. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft – buiten haar pleitnota om – aangevoerd dat het medeplegen van het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. 3.3. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten: de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd; het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] d.d. 21 februari 2019 (dossierpagina’s 24-28); een schriftelijk bescheid, te weten de Bijlage goederen, behorende bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (dossierpagina 23); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 21 februari 2019 (dossierpagina’s 34-36); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 21 februari 2019 (dossierpagina 46); de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 8 mei 2019 en 21 mei 2019 (dossierpagina’s 30-37 en 40-46 van het persoonsdossier van medeverdachte [medeverdachte 1] ); het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal “handmatig uitlezen telefoon verdachte [verdachte] ” d.d. 22 mei 2019 (dossierpagina’s 186-188). Nadere overweging Voor zover de raadsvrouw van verdachte – in haar pleitnota – heeft willen betogen dat verdachte geen wetenschap en/of opzet zou hebben gehad van/op het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld, overweegt de rechtbank nog kort het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt, dat verdachte voorafgaand aan de overval met medeverdachte [medeverdachte 2] communiceert over het meenemen van een taser, dat verdachte in de woning aanwezig is als daar het slachtoffer wordt bedreigd (onder andere met een taser) en met tie-rips/kabel-binders wordt vastgebonden en dat verdachte dit – voorafgaand aan het moment dat de drie verdachten met het slachtoffer naar boven gaan – moet hebben gehoord en gezien en dat hij zich op geen enkele wijze hiervan heeft gedistantieerd. In het licht van de bewijsmiddelen en het op grond daarvan bewezen geachte – en overigens ook niet door de raadsvrouw betwiste – medeplegen, kunnen de geweldshandelingen, gelet hierop, mede aan verdachte worden toegerekend, ook in strafrechtelijke zin. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat hij op 21 februari 2019 te Purmerend tezamen en in vereniging met anderen uit een woning gelegen aan de [adres] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en een gouden ring en een horloge (merk Oozoo), toebehorende aan [slachtoffer] , en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen huisdeursleutel, toebehorende aan [zoon van slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat- [slachtoffer] dreigend de woorden werd toegevoegd “op de grond" en “geld, sieraden” en "waar is de kluis” en “geld, geld, anders schiet ik je door je kankerkop” en- [slachtoffer] werd bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en- met een stroomstootwapen werd geknetterd en- [slachtoffer] aan haar handen werd vastgebonden met tie-rips/kabelbinders en- op de ogen en de mond van [slachtoffer] duct-tape werd geplakt en- de voeten van [slachtoffer] aan elkaar werden vastgeplakt met duct-tape. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: Diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de straf 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij dienen als bijzondere voorwaarden te worden opgelegd: een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met de medeverdachten, een locatiegebod met elektronische controle, het meewerken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding en het storten van een bedrag van € 1.000,- in het Schadefonds Geweldsmisdrijven. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen waarvan een zeer groot gedeelte voorwaardelijk zal zijn, zodat verdachte spoedig weer naar huis kan. Daarbij heeft de raadsvrouw gewezen op het beperkte strafblad van verdachte en op de omtrent hem opgemaakte rapportages van de psycholoog en de reclassering. 6.3. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woningoverval. De 60-jarige bewoonster werd in de ochtend geconfronteerd met drie mannen die haar huiskamer binnenkwamen, nadat de mannen zich de toegang tot haar woning hadden verschaft met gebruikmaking van een gestolen huissleutel. De mannen hadden een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een (andere) taser bij zich. De bewoonster werd met deze wapens bedreigd, waarbij dingen werden gezegd als “geld, geld, anders schiet ik je door je kankerkop”. De polsen van de vrouw werden op een bepaald moment vastgemaakt met tie-rips en haar mond werd afgeplakt met duct-tape. Later werden ook haar ogen dichtgeplakt met duct-tape en werden haar voeten aan elkaar gebonden. De mannen hebben de woning verlaten met als buit een gouden ring, een horloge en geld, het slachtoffer liggend op de vloer achterlatend. De rechtbank acht dit een bijzonder ernstig feit. Het is algemeen bekend dat een overval in een woning, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, grote impact heeft op de slachtoffers. Een feit als dit schokt de rechtsorde en draagt bij aan individuele en algemene gevoelens van onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Daaraan kan niet afdoen dat het slachtoffer in de onderhavige zaak heeft aangegeven “verdachten te hebben vergeven”. Gezien de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf in aanmerking dan een die vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur meebrengt. Gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, kan als uitgangspunt worden genomen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar in geval van ‘licht geweld/bedreiging’ en een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar indien sprake is van ‘ander geweld’. De rechtbank heeft, naast hetgeen hiervoor al is vermeld, verder rekening gehouden met de volgende omstandigheden. De overval is samen met anderen gepleegd en was georganiseerd, in die zin dat de drie verdachten in de dagen voorafgaand aan de overval meerdere keren naar de betreffende woning zijn gereden om polshoogte te nemen, alvorens de overval te plegen. Voorts hadden de verdachten zich speciaal voor deze gelegenheid gehuld in donkerkleurige kleding en droegen zij gezichtsbedekkingen zoals een bivakmuts of een masker. De verdachten zijn voorzien van wapens en tie-rips/kabelbinders de woning binnengegaan. Voorts is als strafverzwarende omstandigheid aan te merken dat de verdachten de woning zijn binnengekomen met een gestolen huissleutel, die één van de verdachten al enige tijd in zijn bezit had. Uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 juli 2019, blijkt dat verdachte niet eerder voor een feit als het onderhavige is veroordeeld. De rechtbank heeft in het voordeel van de verdachte de tamelijk jeugdige leeftijd van verdachte betrokken. De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia rapport gedateerd 15 juli 2019, opgesteld door [naam psycholoog] , MSc, GZ-psycholoog, waarin is geadviseerd om, bij bewezenverklaring, verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsadvies van 2 oktober 2019, opgesteld door [naam reclasseringswerker] van Reclassering Nederland. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met diverse bijzondere voorwaarden. Alle bovengenoemde factoren afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren in de onderhavige zaak passend en geboden. Gelet op de duur van deze straf, zal de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het advies van de reclassering om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld diverse bijzondere voorwaarden, niet overnemen. De rechtbank acht het wenselijker dat bij de voorbereiding van de voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) van verdachte op dat moment wordt bekeken welke bijzondere voorwaarden alsdan (nog) aangewezen zijn. 7Schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [slachtoffer] heeft geen vordering tot schadevergoeding ingediend, daartoe onder meer stellende dat financiële compensatie voor hetgeen haar is overkomen reeds door het Schadefonds Geweldsmisdrijven aan haar is uitgekeerd. Het betreft hier een bedrag van € 2.500,- wegens immateriële schade. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en zijn beide medeverdachten naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn voor deze schade, die is veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht, gelet hierop, termen aanwezig om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen ter hoogte van een bedrag van € 833,- (pondspondsgewijze verdeling). Op die manier wordt het door de Staat (het Schadefonds Geweldsmisdrijven) aan het slachtoffer uitgekeerde bedrag feitelijk op de verdachten verhaald. 8Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 9Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Legt aan verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 833,- (zegge: achthonderddrieëndertig euro), wegens immateriële schade, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. P. van Steijnen, voorzitter, mr. C.A.M. van der Heijden en mr. S. Jongeling, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier O. Bergmans, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2019. Mr. C.A.M. van der Heijden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.