RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/860189-16 (P) Uitspraakdatum: 26 november 2019 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 november 2019 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in P.I.V. HvB Nieuwersluis te Nieuwersluis. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. W.S. Korteling, advocaat te 's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 16 september 2016 te Den Helder, in elk geval in Nederland [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] , meermalen, althans éénmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in zijn borststreek en/of hals, althans in zijn lichaam gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag en vrijspraak gevorderd van de impliciet primair ten laste gelegde moord, omdat volgens haar niet bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. 3.2. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van moord, nu er geen sprake is geweest van voorbedachten rade. Volgens de raadsman zijn twee scenario’s denkbaar (het scenario van de politie en het scenario van verdachte) en geldt voor beide gevallen dat contra indicaties bestaan voor voorbedachten rade. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte slechts in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. In het onderhavige geval kan volgens de raadsman niet gezegd worden dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De snij- en steekbewegingen vonden impulsief en niet doordacht plaats. Ze heeft het slachtoffer niet willens en wetens willen doden. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Vrijspraak van het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij/zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij/zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn/haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat voorbedachten rade, niet wettig en overtuigend is bewezen. Weliswaar bevinden zich in het dossier aanwijzingen die wijzen op enige planmatigheid in het handelen van verdachte, maar deze aanwijzingen acht de rechtbank onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen vaststellen dat aan het hiervoor weergegeven strikte juridische kader voor het bewijs van voorbedachten rade is voldaan. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van moord. 3.3.2. Redengevende feiten en omstandigheden voor het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag) De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair ten laste gelegde op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.3. Bewijsmotiveringen Steekverwondingen Uit het pathologisch rapport van [deskundige 1] , arts en patholoog, van 10 november 2016 blijkt dat aan de romp en de linkerbovenarm van het slachtoffer in totaal vijf scherprandige huidperforaties zijn geconstateerd. Volgens de arts/patholoog zijn deze huidperforaties enkele minuten tot enkele tientallen minuten oud. De arts/patholoog heeft geconcludeerd dat het intreden van de dood wordt verklaard door fors bloedverlies en longfunctiestoornissen als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend mogelijk deels snijdend geweld (steken/snijden aan de borstkas). In relatie met twee van de vijf als oudst ingeschatte letsels waren vitale structuren gekliefd waaronder de linkerhalsslagader (letsel A) en de long (letsel C) met klieving tot in de luchtpijp (letsel A), met fors bloedverlies als gevolg. Met deze letsels heeft het slachtoffer nog enkele minuten, tot tientallen minuten kunnen leven. De overige letsels hebben middels bloedverlies bijgedragen aan het overlijden. De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de letsels niet lang na elkaar zijn toegebracht. De rechtbank stelt vast dat verdachte in haar verklaringen tegenover de politie en de rechter-commissaris wisselend heeft verklaard over het aantal keren dat zij het slachtoffer heeft gestoken dan wel heeft gesneden. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij zich slechts kan herinneren dat zij het slachtoffer één keer heeft gesneden in het gezicht en één keer heeft gestoken in de borststreek. Zij heeft er geen verklaring voor dat op het lichaam van het slachtoffer meer steek- en snijverwondingen zijn aangetroffen dan zij heeft verklaard te hebben toegebracht. Gelet op de sectiebevindingen, voornoemde conclusie van de rechtbank dat de letsels niet lang na elkaar zijn toegebracht, de bekennende verklaring van verdachte dat zij het slachtoffer heeft gestoken en bij gebreke van enige andere aanwijzing in het dossier dat een ander het slachtoffer ook heeft gestoken dan wel gesneden, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte alle bij het slachtoffer geconstateerde steek- en snijverwondingen heeft toegebracht ten gevolge waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Bij dat oordeel heeft de rechtbank mede betrokken dat verdachte ter zitting weliswaar over één keer snijden en één keer steken heeft gesproken, maar dat zij ook heeft verklaard dat dit slechts is wat zij zich nog kan herinneren. Opzet Verdachte heeft het slachtoffer in totaal vijf keer met een mes gestoken dan wel gesneden. Vier van de verwondingen waren in de borststreek en hals van het slachtoffer, waarbij de halsslagader, de halswervel, het schildkraakbeen tot in de luchtpijp, de linkerlong, de lever en de maag werden geperforeerd. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte het slachtoffer vier keren met kracht heeft gestoken in gedeeltes van het lichaam waarin zich vitale organen bevinden. Na het steken heeft verdachte tegen het slachtoffer gezegd: “bon nochi”, waarmee zij naar eigen zeggen “welterusten” bedoelde en heeft zij het slachtoffer tegen zijn schouder geduwd, waarna het slachtoffer gedeeltelijk in het water is gevallen. Zonder zich verder om het slachtoffer te bekommeren, is verdachte vertrokken. Genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat verdachtes opzet gericht was op de dood van het slachtoffer, en wel in de vorm van vol opzet. 3.4. Bewezenverklaring De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het impliciet subsidiair ten laste feit heeft begaan, met dien verstande dat zij op 16 september 2016 te Den Helder [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte die [slachtoffer] , meermalen met een mes, in zijn borststreek en hals gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op: doodslag Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Door de raadsman van verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht, waarbij de raadsman de lezing van verdachte als uitgangspunt heeft genomen. Deze lezing komt er in het kort op neer dat verdachte op enig moment in de steeg door het slachtoffer tegen de muur is gedrukt waardoor een dreigende situatie voor verdachte ontstond. Het slachtoffer zou vervolgens hebben verteld over misbruik van verdachtes dochters, waarna verdachte in de woning een mes heeft gepakt om het slachtoffer te bewegen de politie te bellen. Hierna zou een achtervolging zijn ontstaan, waarbij het slachtoffer achter verdachte aan rende en waarbij verdachte, na te zijn gestruikeld, het slachtoffer heeft gesneden en gestoken. De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op de verdachte is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht. Het scenario dat ten grondslag is gelegd aan het beroep op psychische overmacht vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. De rechtbank betrekt daarbij ook dat verdachte ruim twee jaar na het overlijden van het slachtoffer eerst met een verklaring is gekomen waarin dit scenario wordt geschetst en dat verdachte over dat scenario vervolgens op verschillende details telkens wisselend heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is reeds daarom niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft verbleven. 6.2. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de zwakbegaafdheid van verdachte, haar blanco strafblad, het feit dat zij uiteindelijk verantwoordelijkheid heeft genomen en met de opstelling van het slachtoffer zelf in de relatie. De verdediging heeft verzocht een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen vijf en zes jaar acht de raadsman, gegeven de omstandigheden, passend. 6.3. Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag. Zij heeft het slachtoffer op gewelddadige wijze om het leven gebracht, namelijk door hem meermalen met een mes in de borststreek en hals te steken, waarbij vitale organen zijn geraakt. Na het steken heeft verdachte het slachtoffer “welterusten” gezegd, hem een duw gegeven ten gevolge waarvan hij deels in het water is gevallen en is zij naar het huis van het slachtoffer gegaan, waar zij haar bebloede handen heeft gewassen. In de woning bevond zich op dat moment de nietsvermoedende moeder van het slachtoffer. Vervolgens heeft verdachte haar scooter gepakt en is naar haar huis gegaan. Daar heeft zij zich omgekleed en heeft zij haar bebloede kleding, schoenen, het mes en de telefoon van het slachtoffer in een zak gedaan, waarna zij één van haar kinderen opdracht heeft gegeven om deze spullen elders weg te gooien. Hierna is verdachte teruggegaan naar het huis van het slachtoffer en heeft zij een alledaags gesprek gehad met zijn nog steeds nietsvermoedende moeder. Bij haar thuis, maar ook later heeft verdachte uitgebeld en berichten gestuurd naar de telefoon van het slachtoffer, terwijl zij wist dat zij de telefoon van het slachtoffer in haar bezit had en had laten wegmaken. Op enig moment heeft zij gedaan alsof zij het slachtoffer ging zoeken, waarna zij hem dood aantrof. Na een buurtbewoner te hebben gewaarschuwd, heeft zij 112 gebeld en de moeder van het slachtoffer op de hoogte gesteld en haar meegenomen naar de waterkant. De moeder van het slachtoffer is vervolgens geconfronteerd met het levenloze en bebloede lichaam van haar zoon. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van haar andere zoon (erfgenaam van de moeder) blijkt dat de moeder psychisch ernstig is geraakt door de aanblik van haar overleden zoon en door zijn gewelddadige dood. Zij heeft ten gevolge hiervan een posttraumatische-stressstoornis (PTSS) ontwikkeld en is hiervoor onder behandeling geweest. Door haar handelen heeft verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt ontnomen: het recht op leven. Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. De ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dan ook een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank neemt het verdachte bovendien ernstig kwalijk dat zij jarenlang bewust geen openheid van zaken heeft gegeven, waardoor de nabestaanden lange tijd in het ongewis zijn gebleven. De moeder van het slachtoffer heeft jaren met het vermoeden moeten leven dat verdachte, die al direct na het overlijden van het slachtoffer als verdachte in beeld kwam, haar zoon had gedood. Een oplossing van de zaak na zeer langdurig, aanhoudend en intensief politieonderzoek heeft zij voor haar overlijden niet meer mogen meemaken. Eerst nadat verdachte ruim twee jaar na het overlijden van het slachtoffer is geconfronteerd met de belastende verklaringen van haar zoons en haar broer, heeft zij een deels bekennende verklaring afgelegd. Ook het door haar gestelde motief voor haar daad, vermeend misbruik door het slachtoffer van haar minderjarige dochter(s), lijkt achteraf door haar te zijn ingegeven om haar daad te rechtvaardigen. Verdachte heeft nimmer aangifte gedaan tegen het slachtoffer van misbruik van haar dochter(s), zij heeft in haar eerdere verklaringen tegenover de politie hier nooit over gesproken en zij heeft haar dochter(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.