RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/871516-17 (P) Uitspraakdatum: 9 december 2020 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 2 november 2020, 10 november 2020 en 25 november 2020 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum en -plaats], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte (hierna eveneens te noemen [verdachte]) is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven (per zaaksdossier), heeft schuldig gemaakt aan het volgende: (incident C1) feit 1 primair: in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017 samen met anderen opzettelijk een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I, binnen Nederland heeft gebracht; feit 1 subsidiair: op 4 mei 2017 samen met anderen een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I opzettelijk heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd, althans voorhanden heeft gehad; feit 1 meer subsidiair: in de periode van 1 mei 2017 tot en met 4 mei 2017 samen met anderen voorbereidingshandelingen en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd om een onbekende hoeveelheid cocaïne, dan wel een middel genoemd op lijst I, opzettelijk binnen Nederland te brengen en te verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren; (incident C4) feit 2 primair: in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017 samen met anderen opzettelijk een hoeveelheid van 2.883 gram cocaïne binnen Nederland heeft gebracht; feit 2 subsidiair: in de periode van 9 juni 2017 tot en met 13 juni 2017 samen met anderen voorbereidingshandelingen en/of bevorderingshandelingen heeft gepleegd om een hoeveelheid van 2.883 gram cocaïne opzettelijk binnen Nederland te brengen en te verkopen/afleveren/verstrekken/vervoeren; feit 3: in de periode van 1 mei 2017 tot en met 22 november 2017 samen met anderen heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld onder artikel 2 jo artikel 10 van de Opiumwet en/of artikel 2 jo artikel 10a van de Opiumwet. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1. Inleiding Naar aanleiding van ontvangen informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) is op 1 maart 2017 het onderzoek Tanybryn gestart. Het onderzoek, uitgevoerd door het CargoHarc-team (Koninklijke Marechaussee, FIOD en Douane) richtte zich op personen die zich zouden bezighouden met de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. Tijdens dit onderzoek zijn onder meer telefoongesprekken afgeluisterd, observaties uitgevoerd en camerabeelden uitgekeken. Naar voren is gekomen dat cocaïne Nederland werd ingevoerd in de laadruimte van vliegtuigen die waren vertrokken uit Suriname. Eveneens kwam naar voren dat personen die werkzaam waren op de luchthaven Schiphol voor de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) hierbij betrokken leken te zijn. Het onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van een aantal verdachten op 21 november 2017. Daarnaast werd (in een later stadium) een aantal personen als verdachte aangemerkt en gehoord zonder te zijn aangehouden. In het onderzoek worden acht incidenten onderscheiden welke zaaksdossiers C1 tot en met C8 zijn genoemd, hierna ook kort aangeduid als C1 enzovoort. In de tenlastelegging en hetgeen de rechtbank daarover overweegt is steeds naar deze zaaksdossiers verwezen. 3.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten. 3.3. Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft verzocht om verdachte integraal vrij te spreken. Het standpunt van de raadsman zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 3.4. Het oordeel van de rechtbank 3.4.1. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn vervat. 3.4.2. Bewijsmotivering feit 1 (C1) 3.4.2.1. Zaaksdossiers C1, C2 en C3 Zaaksdossier C1 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C1’ het volgende af. Op 2 mei 2017 hebben [naam medewerker] (medewerker op Schiphol) en [naam 1] een telefoongesprek, waarin zij met elkaar spreken over ‘veertien’ en ‘’s morgens rond 11 uur’. Op 3 mei 2017 om 11.15 uur komt het vliegtuig met registratienummer PH-BFB met vluchtnummer KL0714, afkomstig uit Suriname, aan op Schiphol. Diezelfde avond vindt er een ontmoeting plaats tussen [naam 1], [naam medewerker], [naam 2] en [naam 3], waarbij [naam medewerker] een telefoon van [naam 2] overhandigd krijgt. Na deze ontmoeting belt [naam 1] met [verdachte] en zegt hem dat hij morgen met de grijze bus moet rijden. Op 4 mei 2017 belt [naam 1] ’s ochtends [medewerker] (medewerker op Schiphol) en vraagt hem of hij rond 7.30 uur [naam medewerker] kan ophalen bij ‘Foxie 4’. [naam 1], [verdachte] en [naam 4] hebben van 7.30 uur tot 8.50 uur een ontmoeting bij de Mac Donalds in Hoofddorp. [naam medewerker] en [naam 1] hebben rond 8.00 uur telefonisch contact, waarna [naam 1] [naam 3] probeert te bellen. Er wordt niet opgenomen. Rond diezelfde tijd leent [naam medewerker] een Mulagtrekker van [medewerker], waarmee hij samen met [naam 2] (medewerker op Schiphol) naar het vliegtuig met registratie PH-BFB rijdt. [naam medewerker] en [naam 2] hebben die dag geen dienst op Schiphol. [naam 2] haalt twee sporttassen uit het vliegtuig. [naam medewerker] brengt de tassen naar het KLM Cargo gebouw, alwaar [naam 4] op ‘landside’ met een bestelbus klaar staat. Intussen heeft [naam medewerker] telefonisch contact met [naam 1]. De twee sporttassen worden in de bestelbus van [naam 4] geladen. [naam 4] rijdt vervolgens met de bestelbus naar de woning van [naam 1]. [verdachte] en [naam 1] rijden in ieder in hun eigen auto ‘bumper aan bumper’ respectievelijk voor en achter de bestelbus van [naam 4]. Later die ochtend wordt gezien dat de auto van [naam 1] bij het bedrijfspand van [naam 3] in Zwanenburg staat geparkeerd. [naam 1] belt [naam medewerker] en zegt dat hij het ‘net heeft afgegeven’. De volgende dag belt [naam 1] rond 19.00 uur met [verdachte] en zegt dat hij een tientje voor hem heeft, die hij net heeft gekregen. Twintig minuten voor dit gesprek heeft de telefoon van [naam 1] een zendmast aangestraald op de Zwanenburgerdijk te Zwanenburg. Zaaksdossier C2 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C2’ het volgende af. Op 7 mei 2017 belt [naam 1] met [naam medewerker] en zegt dat ze morgen ‘één tassie’ gaan doen. [naam 1] zegt dat ie heel vroeg komt, om 7.00 uur en het de JFK is. [naam medewerker] zegt dat het link is om een tas mee naar buiten te nemen. [naam 1] zegt dat [naam medewerker] ‘em gewoon daar neer zet’ en dat [naam 1] ‘em’ dan pakt. [naam 1] zegt dat hij een tang meeneemt. Op 8 mei 2017 komt het vliegtuig PH-BFB afkomstig uit New York (code JFK), om 06.55 uur aan op Schiphol. Dit vliegtuig was eerder, op 7 mei 2017, vanuit Suriname aangekomen op Schiphol en diezelfde dag vertrokken naar New York. Die avond bellen [naam medewerker] en [naam 1] met elkaar. [naam 1] zegt dat hij een kleine betonschaar meeneemt, want ‘ze gaan het er niet overheen gooien’. Op 9 mei 2017 is [naam medewerker] ’s ochtends aanwezig op het beveiligde gebied van de luchthaven Schiphol, terwijl hij op dat moment nog geen dienst heeft. [naam 2] is die ochtend voor korte duur aanwezig op het beveiligde gebied, terwijl hij die dag geen dienst heeft. Om 8.23 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1]. [naam 2] zegt dat ze ‘hem’ gelijk hebben weggebracht, dat ‘hij straks weggaat, om 14.20’ en dat hij ([naam 2]) hier om kwart voor één is. Volgens de planning zou het vliegtuig PH-BFB op 9 mei 2017 om 14.17 uur vanaf Schiphol vertrekken naar Suriname. [naam 1] loopt tussen 12.20 uur en 12.58 uur de parkeerplaats P28 bij Schiphol op en knipt met een voorwerp gelijkend op een tang een deel van het hek open. Om 12.56 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zegt hem dat hij beter kan gaan want ‘beetje teveel ogen hier’. [naam 1] vraagt: ‘wanneer nu dan?’ [naam 2] zegt: ‘donderdag’. [naam 2] is op dat moment, te weten tussen 12.40 uur en 13.01 uur, op het beveiligde gebied van Schiphol, terwijl hij geen dienst had. Op 10 mei 2017 bellen [naam 1] en [naam medewerker] met elkaar en zegt [naam 1] dat ‘ie’ vanochtend is teruggekomen. Die dag is het vliegtuig PH-BFB om 10.32 uur geland op Schiphol. Rond 17:35 uur is het vliegtuig PH-BFB doorzocht en is in het achterste vrachtruim achter een plafondplaat een sporttas met daarin pakketten cocaïne aangetroffen. De cocaïne had een netto gewicht van 19.087,2 gram. In de ochtend van donderdag 11 mei 2017 brengt [naam medewerker] [naam 2] naar het vliegtuig PH-BFB. [naam 2] gaat het vliegtuig binnen en komt onverrichterzake terug. Om 8.38 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zegt hij dat er niets in zat. Zaaksdossier C3 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C3’ het volgende af. Tijdens een telefoongesprek op 4 juni 2017 zegt [naam medewerker] dat hij die ochtend ‘onze grote vriend’ tegenkwam die vorige keer met die FB geholpen heeft en dat die nummer ‘L’ in de hangar staat. ‘Het’ zit er nog steeds in en ‘hij’ houdt het in de gaten. [naam medewerker] zegt ook dat ‘hij’ zegt dat als dat ding uit de hangar komt, ‘we’ het gaan doen. Op 4 juni 2017 is het vliegtuig PH-BFL, dat geparkeerd stond in een hangar op Schiphol, doorzocht en zijn in het achterste vrachtruim achter een plafondplaat twee sporttassen met daarin pakketten cocaïne aangetroffen. De cocaïne had een netto gewicht van 14989,6 gram. [naam medewerker] belt op 15 juni 2017 met [naam 1] en zegt tegen [naam 1] dat die Marokkaan toevallig appte, met die ‘BL’. [naam medewerker] vraagt wanneer [naam 1] het wil doen en [naam 1] zegt dat het zaterdag of zondag kan. Op zaterdag 17 juni 2017 belt [naam medewerker] met [naam 2]. [naam 2] zegt dat het maandag wordt. [naam medewerker] regelt vervolgens dat hij op maandag een voertuig van [medewerker] kan lenen. Op maandag 19 juni 2017 rijden [naam medewerker] en [naam 2] in het door [medewerker] geleende voertuig naar vliegtuig PH-BFL. Zij hebben beiden geen dienst. [naam 2] gaat het vliegtuig in en komt terug zonder dat hij iets meeneemt. Om 10.21 uur belt [naam 2] met de telefoon van [naam medewerker] naar [naam 1] en zeg: ‘er is niks’ en ‘ik ga met ze praten want dit is de tweede keer’. 3.4.2.2. Sprake van invoer van cocaïne feit 1 (C1)? In C1 is geen cocaïne in beslaggenomen, in C2 en C3 wel. Met toepassing van de door het Gerechtshof Amsterdam – onder meer – in het onderzoek Pan (ECLI:GHAMS; 2012:BY0657) gevolgde redenering, acht de rechtbank bewezen dat in C1 cocaïne is ingevoerd. Het samenstel van de hierna te noemen feiten en omstandigheden, blijkend uit de bewijsmiddelen in C1, C2 en C3 tezamen, laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat het ook in C1 om de invoer van cocaïne ging. Verdachten hebben geen, deze conclusie in de weg staande, aannemelijke verklaring gegeven voor de inhoud van de uit het dossier blijkende belastende feiten en omstandigheden. In C1, C2 en C3 is telkens sprake van eenzelfde patroon van handelingen en gebeurtenissen, waarbij in de laatste twee gevallen hetgeen heimelijk werd ingevoerd wel in beslag is genomen en cocaïne bleek te zijn. Dit patroon is te zien in de combinatie van de betrokken personen, hun rol bij de invoer en de gevolgde (C1), ofwel voorgenomen (C2 en C3) handelwijze hierbij. De handelende personen zijn steeds [naam 1], [naam medewerker] en [naam 2]. Indien nodig worden [verdachte] (vervoer vanaf Schiphol) en [medewerker] (ter beschikking stellen voertuig op airside) ingeschakeld. Het patroon is als volgt. In een vliegtuig dat op Schiphol aankomt – of kort daarvoor een vlucht heeft gemaakt – vanuit Suriname is in het vrachtruim cocaïne verstopt. In C2 en C3 was dit op dezelfde verbergplaats. [naam 2] haalt de cocaïne met behulp van een gemotoriseerde bellyband uit het vliegtuig en overhandigt de cocaïne aan [naam medewerker], die de cocaïne over airside vervoert en naar de grens van het beschermde gebied brengt om het daar te overhandigen voor verder vervoer. [naam 1] neemt de cocaïne zelf in ontvangst of laat dit door [naam 4] doen en zorgt voor het vervoer vanaf Schiphol. Uit het hiervoor omschreven patroon in handelingen en gebeurtenissen leidt de rechtbank af dat het steeds om dezelfde actie gaat. Dit volgt ook uit de door [naam medewerker] afgelegde verklaringen. Volgens hem ging het bij C2 om eenzelfde actie als bij C1. C3 noemt hij een kopietje van C1. Op één punt verschilt de gang van zaken van C1 met die van C2 en C3, te weten de inzet van [verdachte] en [naam 4]. [naam medewerker] zegt daarover dat in C2 ‘[verdachte] (de Turk) er tussen uit is gehaald, omdat het maar 1 tassie was en ze er anders niets aan over zouden houden’. Deze beredeneerde afwijking van het eerder gevolgde scenario betreft de vraag met hoeveel personen het verdere vervoer en veiligstellen van de cocaïne geschiedt en vormt geen aanleiding te veronderstellen dat er in C1 iets anders dan cocaïne is ingevoerd. In een telefoongesprek met Verhoeven (C1) zegt [naam 1] dat een “proefie” is gelukt. De rechtbank gaat er niet vanuit [naam 1] hiermee spreekt over een proefzending die geen cocaïne bevat. Dit blijkt niet uit de inhoud van dit gesprek, Verhoeven is geen direct bij de smokkel betrokkene zodat het ook niet voor de hand ligt om hierover met hem te spreken en de verhoren van [naam medewerker] bij de Kmar en de rechter commissaris bevatten daarvoor evenmin aanwijzingen. In de gang van zaken in C1 na de overdracht van de zakken door [naam medewerker] aan [naam 4], met name het geëscorteerde vervoer naar Haarlem, het afleveren in Zwanenburg en de ontvangen beloning, ziet de rechtbank bevestiging van haar oordeel dat de zakken daadwerkelijk cocaïne bevatten. 3.4.2.3. Medeplegen Toetsingskader Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien komt vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het gedragingen betreft die ook met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Oordeel van de rechtbank Op grond van het hiervoor overwogene en de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] op 3 mei 2017 (C1) telefonisch contact met [naam 1] heeft gehad over het op 4 mei 2017 rijden van een grijze bus. [verdachte] schakelt [naam 4] in en zij hebben op 4 mei 2017 in de ochtend een ontmoeting met [naam 1] bij de Mc Donalds’s, waarna door [naam medewerker] en/of [naam 4] op het KLM-terrein “airside” twee witte zakken in een grijze Volkswagen bus, met [naam 4] als chauffeur, zijn overgeladen. [verdachte], als chauffeur van een mini Cooper, en [naam 1], als chauffeur van de Audi, hebben de Volkswagenbus intussen opgewacht en deze direct na het verlaten van het KLM-terrein, bumper aan bumper geëscorteerd naar het adres van [naam 1] in Haarlem, ervoor wakend dat zij niet werden gevolgd. [verdachte] ontvangt de volgende dag ‘een tientje’ de rechtbank begrijpt 10.000 euro, voor zijn aandeel en dat van [naam 4]. Aldus heeft [verdachte] een wezenlijk aandeel in de voorbereiding en de uitvoering van de smokkel gehad. Hij schakelt [naam 4] in als chauffeur en beveiligt het vervoer van de cocaïne naar Haarlem. In de hoogte van de beloning ziet de rechtbank bevestiging van dit oordeel. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die leidt tot de bewezenverklaring van medeplegen. 3.4.2.4. (Voorwaardelijk) opzet Toetsingskader De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het invoeren van cocaïne – aanwezig is indien verdachte bij zijn gedraging bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Oordeel van de rechtbank Gelet op de heimelijke wijze waarop de zakken van Schiphol werden gehaald, het daarop volgende geëscorteerd vervoer ervan en de hoogte van de beloning, ging het onmiskenbaar om iets illegaals dat van grote waarde is. Gevoegd bij het algemene bekende feit dat via Schiphol (groothandels)hoeveelheden cocaïne worden ingevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat cocaïne werd ingevoerd. 3.4.3. Bewijsmotivering feit 2 (C4) 3.4.3.1. Zaaksdossier C4 De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen ten aanzien van ‘zaaksdossier C4’ het volgende af. Op 12 juni 2017 belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij een vrachtwagen voor hem kan huren, voor morgen. [verdachte] gaat het regelen. Later die dag zegt [naam 1] tijdens een telefoongesprek met [naam medewerker] dat ze morgen die “worstjes” willen doen. [naam medewerker] vraagt of het er twee zijn en zegt dat hij er morgen is. [naam 1] zegt dat hij vanavond [naam medewerker] een sms stuurt met de laatste vier nummertjes.‘s Avonds belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij die bus gehuurd heeft. [naam 1] denkt dat het om twee ‘auto’s’ gaat. Met ‘auto’s’ worden AKE bagagecontainers bedoeld. Later die avond belt [naam 1] opnieuw met [verdachte] en zegt hij dat ze niet die worstjes doen, maar staafjes, ze doen het in de middelste balk. [verdachte] zegt tegen [naam 1] dat hij maar met de prijs moet kijken wat ‘we’ kunnen doen. Op 13 juni 2017 belt [naam medewerker] met [naam 1], die vraagt of [naam medewerker] die twee nummertjes had gezien. [naam 1] vraagt ook of [naam medewerker] het zelf wil doen of dat hij die Turk moet laten komen. [naam medewerker] antwoordt beter die Turk. [naam medewerker] vraagt of het van “SU” komt en [naam 1] zegt: ja. [naam 1] zegt ook dat ze het nu in de middenbalk hebben gedaan. Met “de Turk” wordt [verdachte] bedoeld. Even later belt [naam 1] naar [verdachte] en vraagt hem of hij om kwart over 8 bij McDonald’s kan komen.Op 13 juni 2017 haalt [verdachte] [naam 4] op in een Mini Cooper. Onderweg stapt [naam 4] over in een bestelbus van [bedrijfsnaam]. [naam 4] en [verdachte] rijden in hun voertuigen naar de Mc Donalds in Hoofddorp. Daar hebben zij om ongeveer 8.20 uur een ontmoeting met [naam 1]. Op Schiphol is rond 9.00 uur de bagage van KLM vlucht KL0714, afkomstig uit Suriname, gelost. De bagagecontainers (AKE’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.