Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/5054 uitspraak van de meervoudige douane kamer van 28 december 2020 in de zaak tussen [X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres (gemachtigde: E. Doens) en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder. 17/5304 Procesverloop Verweerder heeft bij besluit van 18 juli 2018 een door eiseres gestelde zekerheid van € 23.508 verbeurd verklaard. Het op 9 juli 2018 door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 1 oktober 2018 ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde E. Doens, vergezeld van [A] , juridisch medewerker bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] . De rechtbank heeft het onderzoek na de zitting heropend en partijen bij brief van 6 oktober 2020 vragen voorgelegd over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. Partijen hebben op 28 oktober 2020 (verweerder) en 30 oktober 2020 (eiseres) deze vragen beantwoord. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek weer gesloten. Overwegingen Feiten 1. Op 23 juni 2018 heeft eiseres een aanvraag voor een invoercertificaat ingediend voor de invoer uit Oekraïne van 783.600 kg tarwe met GN-code 1009 99 00 met oorsprong Oekraïne. Daarbij heeft eiseres een beroep gedaan op het tariefcontingent met nummer 09.4125. 2. Op 30 maart 2018 heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) namens verweerder het invoercertificaat afgegeven onder nummer [# 1] . Als laatste datum van geldigheid is 31 mei 2018 vermeld, later verlengd tot 30 juni 2018. Eiseres heeft een bedrag van € 23.508 tot zekerheid gesteld. 3. Op 3 april 2018 heeft eiseres verweerder per e-mail bericht dat in de aanvraag abusievelijk Oekraïne is vermeld als land van uitvoer en oorsprong en dat dit Kazachstan moet zijn. Eiseres informeert naar de mogelijkheid om het certificaat in die zin aan te passen. Een medewerker van de RVO heeft eiseres per e-mail op 5 april 2018 bericht dat het land van oorsprong niet kan worden gewijzigd na 13.00 uur op de dag van indiening. 4. Vervolgens heeft eiseres op 6 april 2018 een aanvraag voor een invoercertificaat ingediend voor de invoer uit Kazachstan van 73.600 kg tarwe met GN-code 1009 99 00 met oorsprong Kazachstan. Daarbij heeft eiseres een beroep gedaan op het tariefcontingent met nummer 09.4125. Op 13 april 2018 heeft de RVO namens verweerder een invoercertificaat afgegeven onder nummer [# 2] . Als laatste datum van geldigheid is 30 juni 2018 vermeld. Eiseres heeft wederom een bedrag van € 23.508 tot zekerheid gesteld. 5. Verweerder heeft het certificaat met nummer [# 1] op 5 juli 2018 van eiseres onbenut retour ontvangen. Daarop heeft verweerder bij besluit van 18 juli 2018 de door eiseres gestelde zekerheid van € 23.508 voor dit invoercertificaat verbeurd verklaard, omdat het certificaat niet volledig is benut. Geschil 6. Tussen partijen is in geschil of verweerder de voor het invoercertificaat gestelde zekerheid terecht verbeurd heeft verklaard. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder bevoegd is af te zien van verbeurdverklaring indien het onbenut laten van het invoercertificaat is terug te voeren op een kennelijke fout van eiseres bij de aanvraag en zo ja, of er sprake is geweest van een kennelijke fout en verweerder gebruik had moeten maken van die bevoegdheid. 7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van een onopzettelijke menselijke fout en verweerder het (eerste) certificaat had kunnen aanpassen. De leverancier was afkomstig uit Oekraïne en het product uit Kazachstan, wat het begaan van de fout onder meer verklaart. Eiseres is van mening dat op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239 (hierna: UVo. 2016/1239) verweerder de bevoegdheid heeft bij een kennelijke fout het certificaat aan te passen. Dat verweerder deze bevoegdheid heeft, blijkt volgens eiseres bovendien uit de omstandigheid dat verweerder op het certificaat een onjuiste geldigheidsdatum had vermeld en verweerder deze fout heeft rechtgetrokken. Eiseres deelt niet het standpunt van verweerder dat slechts rekening kan worden gehouden met een kennelijke fout in situaties waarin een sanctie is opgelegd op grond van Verordening (EU) 1301/2006 (hierna: Verordening 1301/2006). Verweerder heeft zijn besluit ten onrechte gebaseerd op artikel 9, eerste lid, van de Gedelegeerde (EU) Verordening 2016/1237 (hierna: GVo. 2016/1237). Hier is echter de gehele zekerheid verbeurd verklaard, terwijl deze bepaling betrekking heeft op de mogelijkheid tot gedeeltelijke vrijgave van de zekerheid. 8. Voor zover er een wettelijke grondslag zou zijn, kan het volgens eiseres niet de bedoeling zijn van deze wetgeving om in het geval van een menselijke fout tot verbeurdverklaring over te gaan. De doelstelling zal zijn een deugdelijk beheer van de contingenten en dus de bescherming van de Europese markt en mede-importeurs. Op 23 maart 2018 (ten tijde van de hier aan de orde zijnde aanvraag) was er nog voldoende biologische tarwe beschikbaar op tranche I en op 6 april 2018 (ten tijde van de tweede aanvraag) voor tranche II. Bovendien komen de niet gebruikte hoeveelheden weer beschikbaar op het betreffende quotum. De belangen van de Europese markt en de belangen van de mede-importeurs zijn dus op geen enkele wijze geschaad. Ten slotte is eiseres van mening dat de verbeurdverklaring een ongerechtvaardigde inbreuk is op haar eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), gelet op het disproportionele karakter en het feit dat het algemeen belang op geen enkele wijze is geschaad. 9. Eiseres concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep, met vergoeding van de door haar geleden schade (de verbeurd verklaarde som van € 23.508), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verbeurdverklaring tot de dag van algehele betaling, subsidiair tot vernietiging van het besluit en veroordeling tot terugbetaling van € 23.508, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verbeurdverklaring tot de dag van algehele betaling, het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad en verweerder te veroordelen in alle proceskosten, voorlopig begroot op € 3.287,51. 10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 3, tweede lid, UVo. 2016/1239 de onjuiste initiële aanvraag voor een certificaat had kunnen worden ingetrokken per e-mail, brief of fax. Daartoe diende het verzoek tot intrekking uiterlijk om 13.00 uur van dezelfde werkdag waarop eiseres het certificaat aanvroeg, te zijn ontvangen. In dit geval had eiseres het verzoek om intrekking van de onjuiste aanvraag uiterlijk 23 maart 2018 om 13.00 uur kunnen doen. Het verzoek is na dit tijdstip ingediend (3 april 2018). Daarom zijn aan eiseres de uit het aangevraagde certificaat voortvloeiende verplichtingen opgelegd, namelijk invoer uit Oekraïne. Het communautaire recht en met name Verordening 1301/2016 (de rechtbank begrijpt: Verordening 1301/2006) laat geen ruimte om een onfortuinlijke vergissing te pardonneren, althans niet in de zin die eiseres voor ogen heeft, namelijk afzien van de verbeurdverklaring van de gestelde zekerheid. 11. Ten overvloede merkt verweerder op dat naar zijn mening geen sprake is van een kennelijke fout. Van een kennelijke fout kan over het algemeen alleen worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen. Het was verweerder niet aanstonds duidelijk of had verweerder duidelijk moeten zijn dat eiseres een tarwe invoercertificaat voor Kazachstan wilde aanvragen. Er was geen sprake van een onsamenhangende of tegenstrijdig ingevulde aanvraag. Daarnaast bood Verordening 2008/1067 ook de mogelijkheid om zachte tarwe met herkomst Oekraïne in te voeren. 12. Nu geen gebruik is gemaakt van het betreffende (Oekraïne) certificaat en er geen sprake is van overmacht, komt hem niet de vrijheid toe af te zien van het invorderen van de zekerheid. Anders dan eiseres stelt, impliceert artikel 13 UVo. 2016/1239 geen discretionaire bevoegdheid. Verweerder ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt dat dit artikel ruimte biedt voor (ambtshalve) wijzigingen na het verplichte tijdstip van 13.00 uur op 23 maart 2018. 13. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 14. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Relevante regelgeving Artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt als volgt: 1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen; b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. 2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn. Artikel 5, eerste lid, GVo. 2016/1237 luidt als volgt: “1. Het invoer- of uitvoercertificaat kent een recht tot en houdt een verplichting in om de hoeveelheid producten waarvoor het certificaat geldt, gedurende de geldigheidsduur ervan, respectievelijk in het vrije verkeer te brengen of uit te voeren overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1239.” Artikel 7, eerste lid, GVo. 2016/1237 luidt als volgt; “1. De vrijgave van de zekerheid, waarin is voorzien in artikel 24, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 van de Commissie (…), kan gedeeltelijk zijn in verhouding tot de hoeveelheid producten waarvoor is bewezen dat de verplichting tot invoer of uitvoer is nagekomen. De hoeveelheid bedraagt niet minder dan 5 % van de totale op het certificaat vermelde hoeveelheid. Indien de ingevoerde of uitgevoerde hoeveelheid evenwel minder dan 5 % van de op het certificaat vermelde hoeveelheid bedraagt, wordt de hele zekerheid verbeurd.” Artikel 13, eerste tot en met derde lid, Uvo. 2016/1239 luidt als volgt: “1. De vermeldingen op de certificaten en op de uittreksels mogen na afgifte niet worden gewijzigd. 2. Indien een bevoegde douaneautoriteit twijfels heeft over de juistheid van de vermeldingen op het certificaat of op het uittreksel, zendt zij het certificaat of het uittreksel terug naar de met afgifte van certificaten belaste autoriteit. Indien een met de afgifte van certificaten belaste autoriteit twijfels heeft over de juistheid van de vermeldingen op het certificaat of op het uittreksel, zendt zij het certificaat of het uittreksel terug naar de bevoegde douaneautoriteit. De eerste alinea is niet van toepassing indien het om een minimale of kennelijke fout gaat die kan worden rechtgezet door de met afgifte van certificaten belaste autoriteit of door de bevoegde douaneautoriteit of door een correcte toepassing van de wetgeving. 3. Indien de met afgifte van certificaten belaste autoriteit oordeelt dat rectificatie noodzakelijk is, trekt zij het certificaat of het uittreksel in en geeft zij onverwijld een verbeterd certificaat of uittreksel af.” Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Uvo. 2016/1239 luidt als volgt:“De bevoegde autoriteit van de lidstaat die het certificaat of uittreksel heeft afgegeven kan, rekening houdend met artikel 50 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie een geval van overmacht erkennen en besluiten:’ a. hetzij tot annulering van de in artikel 14, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde verplichting om de op het certificaat vermelde goederen en de op het certificaat vermelde hoeveelheid tijdens de geldigheidsduur van het certificaat in het vrije verkeer te brengen of uit te voeren, waarbij dan de zekerheid wordt vrijgegeven (…); (…)” Artikel 3, eerste lid, van Verordening 1301/2006 luidt als volgt: “1. Wanneer blijkt dat in een document dat door een aanvrager wordt overgelegd met het oog op de toekenning van de uit verordeningen van de Commissie inzake een bepaald invoercontingent voortvloeiend rechten, onjuiste gegevens worden verstrekt en wanneer de betrokken onjuiste gegevens doorslaggevend zijn voor de toekenning van die rechten, handelen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat als volgt: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.