beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND [jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing] Wrakingskamer Zaaknummer: C/15/308424 / HA RK 20/186 Beslissing van 24 november 2020 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, Het verzoek is gericht tegen: mr. G.H. de Soeten, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 6 oktober 2020 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem, aanhangige zaken met als zaaknummers HAA 20/485, HAA 20/486, HAA 20/3327 en HAA 20/3328, hierna te noemen: de hoofdzaken. 1.2 De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.3 Het verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de wrakingskamer van 17 november
- Verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar zonder bericht van afmelding niet verschenen. Tevens is de wederpartij in de hoofdzaken, de inspecteur van de Belastingdienst, zonder bericht van afmelding niet verschenen. De rechter is wel verschenen. 2Het standpunt van verzoeker/ster 2.1 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek - samengevat - het volgende aangevoerd. De vader van verzoeker heeft de hoofdzaken aanhangig gemaakt en is overleden op 19 september
- Door het overlijden van zijn vader is verzoeker direct belanghebbende geworden in de hoofdzaken. Gelet op de complexiteit van de dossiers en de benodigde voorbereidingstijd heeft verzoeker op 24 september 2020 verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaken op 8 oktober
- De rechter heeft op 30 september 2020 het verzoek om uitstel afgewezen. Verzoeker is hierdoor geschaad in zijn verweermogeljkheden. Tevens stelt verzoeker dat de rechter extra terughoudend diende te zijn bij de beoordeling van het uitstelverzoek gelet op het geschil in de hoofdzaken. Daarbij heeft hij aangevoerd dat sprake is van onnodige, disproportionele discriminatie van verzoeker ten opzichte van de leden van de familie Van Oranje-Nassau en nageslacht, zodat de rechter in feite tegenbelanghebbende is. Door afwijzing van het uitstelverzoek heeft de rechter de schijn van vooringenomenheid gewekt, aldus steeds verzoeker. 3De beoordeling 3.1 Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (de objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend. 3.2 De beslissing van de rechter tot afwijzing van het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoofdzaken is een procesbeslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat dergelijke (tussen)beslissingen geen grond voor wraking kunnen opleveren. De vraag of een procesbeslissing, waaronder de motivering ervan, inhoudelijk al of nietjuist moet worden geacht, leent zich dus niet voor een oordeel door de wrakingskamer en kan slechts in hoger beroep van de (hoofd)zaak worden getoetst. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Deze situatie doet zich niet voor. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een beslissing die de bij verzoekers bestaande vrees van vooringenomenheid naar objectieve maatstaven kan rechtvaardigen. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. 4Beslissing De rechtbank
- 1 wijst het verzoek tot wraking van de rechter af; 4.2 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek; 4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaken een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden. Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. de Bruin, voorzitter, mr. E.B. de Vries-van den Heuvel en mr. H. de Jong, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Doesburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 november
- griffier voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.