RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Registratienummer: 19-010205 Parketnummer: 15-870508-15 Uitspraakdatum: 23 maart 2020 Beschikking (ex art. 182 Sv) 1Ontstaan en loop van de procedure Op 27 november 2019 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, ingekomen een door mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, ingediend bezwaarschrift, van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in [PI] , hierna verdachte. Het bezwaarschrift is op 9 maart 2020 achter gesloten deuren in raadkamer behandeld. Hierbij waren aanwezig verdachte, zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz voornoemd, en de officier van justitie, mr. M. Kubbinga. 2De beoordeling De raadsman heeft namens verdachte op grond van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bij brief van 7 november 2018 de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank verzocht om onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit het horen als getuige van: - [naam 1] - [naam 2] - [naam 3] - [naam 4] - [naam 5] - [naam 6] - [naam 7] - [naam 8] - [naam 9] - [naam 10] - [naam 11] - [naam 12] - [naam 13] - [naam 14] - [naam 15] - [naam 16] - [naam 17] . De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking van 13 november 2019 afgewezen onder de volgende motivering: De rechter-commissaris stelt voorop dat de verdediging geen belang heeft bij haar verzoek tot het horen van getuigen voor zover zij aan die, blijkens de onderbouwing van het verzoek, vragen wil stellen die betrekking hebben op de uitvoer van verdovende middelen. In de eerste plaats is van belang dat aan verdachte thans geen uitvoer van verdovende middelen ten laste is gelegd, maar witwassen. In de tweede plaats is van belang dat dit verband houdt met het feit dat verdachte op 11 december 2015 in het Verenigd Koninkrijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaren wegens drugsinvoer in de periode van 1 april 2014 tot 17 juni 2015, welke periode de in onderhavige zaak ten laste gelegde periode overlapt. Verdachte heeft in de Engelse zaak een bekennende verklaring afgelegd, welke verklaring (vertaald) aan onderhavig strafdossier is toegevoegd. Ook al blinkt die (vertaalde) verklaring in taalkundig opzicht niet uit, toch kan eruit worden begrepen dat verdachte zijn wezenlijke rol in het meermalen in vereniging met anderen over de grens brengen van verdovende middelen vanaf april 2014 tot zijn aanhouding op 16 juni 2015 in rechte heeft erkend. Het verzoek is in zoverre dus onvoldoende gemotiveerd. Voorts wenst de verdediging vragen te stellen aan getuigen met betrekking tot de bedrijfsvoering van [B.V. 1] , zodat zou kunnen worden aangetoond dat het bedrijf geen dekmantel was, maar er daadwerkelijk mensen mee werden vervoerd en legale inkomsten mee werden gegenereerd. De rechter-commissaris merkt op dat het dossier vooral aanwijzingen bevat dat de ambulances van [B.V. 1] werden gebruikt voor het vervoer van verdovende middelen. De verdediging heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom nader onderzoek naar de bedrijfsvoering van [B.V. 1] is geboden, zeker nu verdachte zich in onderhavig onderzoek louter op zijn zwijgrecht heeft beroepen en de door de verdediging namens verdachte overgelegde administratie voor de officier van justitie zonder nadere uitleg die ontbreekt, onvoldoende houvast voor nader onderzoek biedt. Ook voor zover de verdediging betoogt dat bepaalde in de tenlastelegging opgenomen bedragen en/of voertuigen niet afkomstig zijn uit enig misdrijf, maar legale inkomsten uit een van de (andere) ondernemingen van verdachte betreffen, is het verzoek in hoofdlijnen onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft wel concreet gesteld dat verdachte legale inkomsten heeft genoten uit zijn bedrijf [B.V. 2] De verdediging wil in dit kader medeoprichter [naam 12] , alsmede de chauffeurs [naam 13] en [naam 14] als getuige horen. Hierbij wordt er door de verdediging op gewezen dat [naam 12] in zijn bij de politie afgelegde verklaring heeft aangegeven dat het bedrijf daadwerkelijk werkzaam is geweest en omzet heeft gedraaid. Deze onderbouwing kan evenwel niet tot de slotsom leiden dat er een verdedigingsbelang bestaat bij het horen van de genoemde getuigen, omdat die eerdere verklaring van [naam 12] daarvoor juist geen houvast biedt. De verdediging wil [naam 9] onder meer vragen of hij de administratie van verdachte vrijwillig heeft overhandigd en of het de volledige administratie betrof. De rechter-commissaris wijst in dit verband naar de eerder door [naam 9] bij de politie afgelegde verklaring (dossierpagina’s 991 en 992) waarin hijzelf alsmede verbalisant expliciet benoemen dat het afstaan van de administratie “geheel vrijwillig” is gedaan. Ook blijkt eruit dat het gaat om “de administratieve stukken die u ( [naam 9] ) heeft van [verdachte] , dan wel van zijn bedrijven”. Dit wordt vervolgens nog door [naam 9] tot op zekere hoogte gespecificeerd. Uit het verzoek wordt niet duidelijk waarom de verdediging hier nog vragen over heeft. Verder wil de verdediging [naam 9] horen over de BTW afdracht. De vraag of uit een en ander kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk onterecht BTW in rekening heeft gebracht of dat dergelijk opzet heeft ontbroken, is evenwel geen vraag die rechtens zal moeten worden beantwoord. Verdachte wordt er in het strafdossier van beschuldigd dat de facturen volledig valselijk zijn opgemaakt. Het kennelijk onterecht in rekening brengen van BTW lijkt de rechter-commissaris hierbij geen factor van (substantieel) belang te zijn. Voor zover onderdelen in het voorgaande toch niet expliciet of impliciet in voldoende mate aan de orde zijn geweest, is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Bevoegdheid en ontvankelijkheid Op 27 november 2019 heeft de raadsman tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank is bevoegd tot afdoening van het bezwaar. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar. Standpunten In raadkamer heeft de raadsman, onder verwijzing naar de onderbouwing van de getuigenverzoeken en van het bezwaarschrift, zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moet worden. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar, gelet op de bekennende verklaring van verdachte in de Engelse strafzaak. Beoordelingskader De verdediging kan de rechter-commissaris verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten op de voet van artikel 182 Sv. In het Wetboek van Strafvordering wordt geen maatstaf genoemd aan de hand waarvan de rechter-commissaris dergelijke verzoeken dient te beoordelen. Blijkens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2009/10, 32177, 3, p. 16) moet een relevantiecriterium worden gehanteerd: ‘De rechter-commissaris wijst het verzoek af, indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing’. In eerdere uitspraken van deze rechtbank op bezwaarschriften op grond van artikel 182, zesde lid, Sv is als maatstaf gehanteerd of de verdachte door afwijzing van een verzoek redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad (zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 19 augustus 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:7332). Ook andere rechtbanken hanteren deze maatstaf. Bij de beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift zal de rechtbank deze maatstaf toepassen. Daarmee wordt dezelfde maatstaf toegepast als in het geval de officier van justitie of rechtbank een verzoek tot oproeping van een getuige voor het onderzoek ter terechtzitting beoordeelt (art. 264, eerste lid, sub c resp. 288, eerste lid, sub c Sv). De rechtbank acht de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de betekenis van dit zogenoemde ‘criterium van verdedigingsbelang’ dan ook van overeenkomstige toepassing. Met betrekking tot de betekenis van dit criterium overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441: 2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.