← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:2414

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 18/2284 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2020 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. I. Rhodes), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: R. Roos). Procesverloop Bij besluit van 18 oktober 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf 26 september 2017 voor minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht als gevolg waarvan eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen per 19 december 2017 is beëindigd. Bij besluit van 4 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Bij beslissing van 6 november 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft dr. [naam] , verzekeringsarts werkzaam bij DC Expertise Centrum te Amsterdam, als deskundige benoemd. Op 28 oktober 2019 heeft dr. [naam] rapport uitgebracht. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 2 december 2019 heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard. Eiser heeft bij brief van 16 december 2019 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de bezwaarfase en van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij brief van 16 januari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft geen verweer gevoerd. Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
  3. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
  4. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  5. De rechtbank zal het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toewijzen.
  6. De kosten die eiser vergoedt wenst te zien, hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 1050,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).
  7. Voorts hebben de kosten betrekking op de reiskosten die eiser heeft gemaakt om de zitting van 24 oktober 2018 bij te wonen. Deze kosten komen ingevolge het Besluit voor vergoeding in aanmerking ter hoogte van een bedrag van € 11,56 (reiskosten op basis openbaar vervoer).Verweerder heeft het verzoek niet betwist. Nu de gevraagde kosten bovendien redelijk zijn, zal de rechtbank het verzoek om verweerder te veroordelen op dit onderdeel eveneens toewijzen.
  8. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,- te worden vergoed door verweerder. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1061,
  9. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.