← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:2417

vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/295945 / KG ZA 19-823 Vonnis in kort geding van 28 januari 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat: mr. A.C. Mens te Hoofddorp, tegen de besloten vennootschap VAN DER VLEUTEN & VAN HOOFF GERECHTSDEURWAARDERS, gevestigd te IJmuiden, gedaagde, in persoon verschenen. Partijen zullen hierna [eiser] en Van der Vleuten genoemd worden. 1De procedure 1.

  1. [eiser] heeft Van der Vleuten, almede de besloten vennootschap naar vreemd recht Klarna A.B. gevestigd te Stockholm (Zweden), op 28 november 2019 in kort geding gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter op 8 januari
  2. Bij e-mail van 7 januari 2020 heeft [eiser] aan gedaagden meegedeeld dat de vordering wordt ingetrokken. Op 17 januari 2020 heeft Van der Vleuten de voorzieningenrechter schriftelijk bericht dat zij aanspraak maakt op vergoeding van de proceskosten en de voorzieningenrechter verzocht daarover een beslissing te nemen. Bij e‑mail van 23 januari 2020 heeft [eiser] schriftelijk zijn reactie gegeven. 1.
  3. De voorzieningenrechter verstaat dat de zaak van [eiser] tegen Klarna A.B. als ingetrokken moet worden beschouwd, nu Klarna A.B. niet binnen veertien dagen na de datum waartegen zij was opgeroepen, aan de voorzieningenrechter heeft medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten wenst (vgl. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1087). Derhalve ligt thans uitsluitend de zaak tegen Van der Vleuten voor. 2De beoordeling 2.
  4. Op grond van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1087 komt de aanhangigheid van een kort geding ondanks een intrekking door de eiser niet te vervallen, indien een gedaagde partij binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen, aan de voorzieningenrechter meedeelt dat hij een beslissing over de proceskosten wenst. In dat geval zijn partijen griffierecht verschuldigd en beslist de voorzieningenrechter over de proceskosten (artikel 9.1 Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie). 2.
  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat Van der Vleuten tijdig heeft medegedeeld dat zij een beslissing over de proceskosten verlangt, waardoor het kort geding tussen [eiser] en Van der Vleuten aanhangig is gebleven. 2.
  6. Van der Vleuten betoogt dat [eiser] veroordeelt dient te worden in de proceskosten, omdat de vordering in kort geding is ingetrokken zonder dat aan de vordering is voldaan. [eiser] vorderde immers opheffing van een ten laste van hem gelegd beslag, terwijl dat beslag tot op heden niet is opgeheven. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat de vordering is ingetrokken omdat Van der Vleuten ná het uitbrengen van de dagvaarding op 28 november 2019, en voorafgaand aan de aangekondigde mondelinge behandeling op 8 januari 2020, namelijk eind december 2019, een deel van het bedrag dat (volgens [eiser] ten onrechte) was ingehouden in verband met het beslag, aan [eiser] heeft uitgekeerd. Van der Vleuten heeft dit niet weersproken. 2.
  7. Het voorgaande rechtvaardigt de conclusie dat Van der Vleuten na het uitbrengen van de dagvaarding in feite gedeeltelijk heeft voldaan aan hetgeen door [eiser] werd gevorderd. Daarom moet Van der Vleuten worden aangemerkt als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij (vgl. HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR: 2016:1087, r.o. 3.6 jo 3.5.3). Daar staat tegenover dat het beslag voor het overige niet is opgeheven, zoals [eiser] in de dagvaarding vorderde. Aangezien elk van partijen als gedeeltelijk in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. 2.
  8. Het door partijen verschuldigde griffierecht wordt begroot op het tarief dat geldt voor een vordering van onbepaalde waarde, zijnde voor [eiser] € 83,-- (tarief onvermogenden), en voor Van der Vleuten € 656,-- (tarief niet-natuurlijke personen). 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
  9. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 3.
  10. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.