RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Uitlevering Parketnummer: 15/860260-19 Registratienummer: 20/2 Zittingsdatum: 26 maart 2020 Uitspraakdatum: 9 april 2020 Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Albanië, thans in uitleveringsdetentie verblijvende in [detentieadres] , aan Zwitserland. 1Voorvragen De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. E.G.S. Roethof, heeft ter zitting als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de onderhavige uitleveringsprocedure nietig is, omdat in de huidige omstandigheden ten tijde van de coronacrisis, strikt genomen geen sprake is van een openbare procedure zoals vereist in artikel 25 van de Uitleveringswet. Dit verweer slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verhoor van de opgeëiste persoon in het openbaar plaatsgevonden. De opgeëiste persoon was aanwezig, bijgestaan door zijn raadsman. Tevens was een tolk aanwezig. Ook was het de pers toegestaan de zitting bij te wonen. Daarmee is het doel van de openbaarheid, te weten de controleerbaarheid, voldoende gewaarborgd. Dat de rechtbank in zijn algemeenheid heeft besloten, vanwege de coronacrisis, belangstellenden niet meer toe te laten tot het gerechtsgebouw heeft te maken met gewichtige redenen van volksgezondheid. Deze (beperkte) inbreuk op de openbaarheid acht de rechtbank niet in strijd met het bepaalde in artikel 25 van de Uitleveringswet. Immers, in het eerste lid van dit artikel is voorzien in de mogelijkheid van – gedeeltelijke – sluiting der deuren om gewichtige redenen zoals nu ook in deze zaak aan de orde. 2De relevante schriftelijke stukken 2.1 Het verzoek tot uitlevering. In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Zwitserse autoriteiten, met als kenmerk B-19-4096-2 en, met tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid te Den Haag, ontvangen door het Openbaar Ministerie Noord-Holland. Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging terzake van de strafbare feiten opgenomen in genoemd verzoek tot uitlevering gedateerd 30 december 2019, te weten – kort gezegd – handel in verdovende middelen. Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd: - een aanhoudingsbevel, afgegeven door Olivia Dilonardo, officier van justitie van de Republiek en het kanton van Geneve te Zwitserland d.d. 2 oktober 2019; - een formulier ‘aanvullende informatie in verband met uitlevering’ d.d. 7 oktober 2019; - een uiteenzetting van de feiten door de Zwitserse officier van justitie voornoemd d.d. 14 januari 2020; - een overzicht van de toepasselijke Zwitserse wetsbepalingen;- een kopie van het personaliablad van de opgeëiste persoon, te weten een Albanees nationaal paspoort nummer [nummer] . 2.2 De overige stukken van het dossier. Verder maken de volgende stukken deel uit van het dossier: - het proces-verbaal, gedateerd 29 december 2019, van aanhouding door de Koninklijke Marechaussee; - het bevel bewaring van de rechter-commissaris van 31 december 2019; - de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet d.d. 22 januari 2020; - de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Uitleveringswet; - de door de raadsman ter zitting van 26 maart 2020 overgelegde stukken. 3De overwegingen 3.1 De identiteit van de opgeëiste persoon. Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Albanië) is, dat hij de Albanese nationaliteit bezit en dat hij degene is, van wie de uitlevering wordt verzocht. 3.2 Inhoud en grondslag van het verzoekDe uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht in verband met strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast zoals omschreven in het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel, te weten (kort gezegd) handel in verdovende middelen. 3.3 Het feitencomplexHet schrijven van Olivia Dilonardo, officier van justitie van de Republiek en het kanton van Genève te Zwitserland van 14 januari 2020, vermeldt – samengevat – dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 17 juli 2018, tezamen met anderen, de invoer naar Genève van meerdere kilo’s cocaïne en heroïne te hebben georganiseerd, dan wel hiertoe opdracht te hebben gegeven. Ook wordt hij ervan verdacht de ingevoerde drugs te hebben opgeslagen en doorverkocht in Genéve. Daarbij heeft deze officier van justitie, Dilonardo, concreet aangegeven dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht:- in oktober 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven om naar het buitenland te gaan om verdovende middelen op te halen, waarschijnlijk heroïne, en die mee terug te nemen naar Genève en op te slaan;- op 2 november 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven 960 gram heroïne en 950 gram cocaïne op te halen in Milaan, Italië, en deze drugs in Genève te verpakken en op te slaan; - op 15 november 2017 [medeverdachte 1] opdracht te hebben gegeven naar een Geneefse klant te gaan en hem 500 gram heroïne te overhandigen; - in het eerste semester van 2018 te Genève een levering heroïne te hebben georganiseerd, bestemd voor [medeverdachte 2] ; - in de periode van 5 juli 2018 tot en met 14 juli 2018, in samenwerking met [medeverdachte 3] , via [medeverdachte 4] , de invoer naar Genève te hebben geregeld van 975,6 gram heroïne die op 14 juli 2018 aan [medeverdachte 2] moest worden overhandigd;- op 13 juli 2018 [medeverdachte 4] opdracht te hebben gegeven om elders in Europa heroïne op te halen en deze mee terug te nemen naar Genève; - op 17 juli 2018 in Genève een levering te hebben geregeld van 800 gram heroïne, bestemd voor [medeverdachte 2] , waarna deze is verpakt en op de Geneefse markt is gebracht. 3.4 De genoegzaamheid van de stukken. De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag en de Uitleveringswet te stellen eisen. Met name is in het hiervoor genoemde verzoek om uitlevering van 30 december 2019 en de aanvulling daarop van 14 januari 2020 voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd. Bovendien is ter zitting, op verzoek van de raadsman, vastgesteld dat het dossier van de rechtbank een authentiek afschrift van het aanhoudingsbevel bevat. Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat is voldaan aan de in artikel 12 Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en artikel 18 van de Uitleveringswet. 3.5 De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering. 3.5.1 Dubbele strafbaarheid. Vastgesteld wordt dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar zijn naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op: (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 EUV en artikel 5 van de Uitleveringswet gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 3.5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.