← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:3163

RECHTBANK NOORD-HOLLAND zittingsplaats Haarlem Sector bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/5629 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres(gemachtigde: M.F.M. Groot Kormelink ), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op 18 december 2019 digitaal beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing inzake haar WOB-verzoek van 13 september 2019, door verweerder ontvangen op 17 september

  1. Verweerder heeft bij brief van 8 oktober 2019 op grond van artikel 6 van de WOB de beslistermijn met 4 weken verdaagd tot 12 november
  2. Verweerder heeft bij brief van 2 januari 2020 alsnog een beslissing inzake eiseres haar WOB-verzoek genomen waarin besloten is dat verweerder de door eiseres opgevraagde documenten openbaar maakt. Eiseres heeft het beroep op 31 januari 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij brief van 31 januari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd. Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
  3. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
  4. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiseres is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
  5. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiseres en dat eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  6. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
  7. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 262,50 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 0,5).
  8. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrag van € 345,- te worden vergoed door verweerder. BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,
  9. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 28 april
  10. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.