← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:3272

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/2949 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder de Ziektewet (ZW)- uitkering van eiser herzien over de periode van 28 augustus 2017 tot en met 27 mei 2018 en de over deze periode te veel verstrekte uitkering teruggevorderd tot een bedrag van € 8.257,

  1. Bij afzonderlijk besluit van 2 januari 2019 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 4.128,92 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Bij besluit van 28 mei 2019 (het bestreden besluit I), verzonden op 4 juni 2019, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Verweerder heeft bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 7 november 2019 (het bestreden besluit II) het bezwaar, gericht tegen de primaire besluiten I en II, alsnog (deels) gegrond verklaard en het bestreden besluit I gewijzigd, in die zin dat het bedrag dat eiser moet terugbetalen wordt verlaagd naar € 1.249,20 en de boete wordt verlaagd naar € 624,
  2. Verweerder zal de kosten van bezwaar vergoeden tot een bedrag van € 1.536,-. Eiser heeft het beroep bij brief van 9 maart 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser verzocht om verweerder op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij brief van 10 maart 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft geen verweer gevoerd. Nu partijen niet hebben verzocht om op een zitting te worden gehoord heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
  3. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
  4. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
  5. De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan eiser en dat eiser tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  6. De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
  7. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 525,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).
  8. Voor zover eiser heeft beoogd te verzoeken om verweerder tevens te veroordelen in de kosten van bezwaar, overweegt de rechtbank dat verweerder deze in het gewijzigde besluit al heeft toegekend, zodat hierop reeds is beslist.
  9. Eiser verzoekt de rechtbank om, naast een punt voor het indienen van het beroepschrift, ook een halve punt toe te kennen voor de nadere correspondentie vanwege de wijziging van het besluit (schriftelijke conclusie).
  10. De door eiser verzochte proceskosten voor de brieven van 28 februari 2020 en 9 maart 2020 komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze brieven niet kunnen worden aangemerkt als schriftelijke inlichtingen als bedoeld in artikel 8:45, eerste lid, van de Awb. Van een schriftelijke uiteenzetting als bedoeld in artikel 8:43, tweede lid, van de Awb is evenmin sprake, nu deze mogelijkheid louter voor andere belanghebbenden dan de indiener van het beroepschrift en het bestuursorgaan open staat.
  11. Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,- te worden vergoed door verweerder. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 22 april
  12. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.