← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:3319

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlemmermeer Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/997300-12 (P) Uitspraakdatum: 1 mei 2020 Tegenspraak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3, 4, 6, 7, 10, 11, 17 en 18 februari 2020, 9 maart 2020 en 17 april 2020 in de zaak tegen: Lex V., geboren [geboortedatum en plaats], [adres]. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. M.D. Hes en mr. A. Kristiç en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. J.S. Spijkerman en mr. K.D.M. de Lange, advocaten te ’s-Gravenhage, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ter terechtzitting van 3 februari 2020 en na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 Sv ter terechtzitting van 17 februari 2020, ten laste gelegd dat hij zich, kort en zakelijk weergegeven (per zaaksdossier), heeft schuldig gemaakt aan: t.a.v. IS en PC: medeplegen van oplichting (feit 1); medeplegen van valsheid in geschrift en/of het opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften (feit 2); t.a.v. IFH en TE: medeplegen van oplichting, hetzij als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever van de betrokken rechtspersoon (feit 3 primair), hetzij als natuurlijke persoon zonder die hoedanigheden (feit 3 subsidiair); medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht, hetzij als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever van de betrokken rechtspersoon (feit 4 primair), hetzij als natuurlijke persoon zonder die hoedanigheden (feit 4 subsidiair); medeplegen van valsheid in geschrift en/of het opzettelijk gebruik maken van valse en/of vervalste geschriften, hetzij als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever van de betrokken rechtspersoon (feit 5 primair), hetzij telkens als natuurlijke persoon zonder die hoedanigheden (feit 5 subsidiair); t.a.v. QCP: medeplegen van oplichting (feit 6); medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift (feit 7); - deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (hierna ook: deelneming aan een “criminele organisatie”), van welke organisatie verdachte oprichter, leider en/of bestuurder zou zijn geweest (feit 8). De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. Met betrekking tot de gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren overweegt de rechtbank het volgende. Feit 4 – schending specialiteitsbeginsel? De verdediging heeft bij pleidooi betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van feit 4, overtreding van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daartoe is aangevoerd dat de Spaanse rechter de overlevering van verdachte aan Nederland – naar aanleiding van het door de Nederlandse autoriteiten uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel (EAB) van verdachte – niet voor dit feit heeft toegestaan. Door verdachte, na zijn overlevering, toch voor dit feit te vervolgen, is sprake van schending van het zogenoemde specialiteitsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de verdediging dit betoog eerder bij wijze van preliminair verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft dat verweer gemotiveerd verworpen. In hetgeen de verdediging bij pleidooi (onder nummers 367-376) naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden tot een ander oordeel te komen. Het verweer wordt verworpen. Feit 8 – schending vertrouwensbeginsel? Voorts heeft de verdediging betoogd – voor de situatie dat verdachte niet volledig van feit 8 zal worden vrijgesproken – dat het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van feit 8, deelneming aan een “criminele organisatie”, namelijk voor zover deze verdenking ziet op het zaaksdossier Titan. Daartoe is aangevoerd, zo begrijpt de rechtbank, dat het Openbaar Ministerie bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij wat betreft het zaaksdossier Titan niet (verder) zal worden vervolgd, ook niet in het kader van de verdenking van deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank overweegt dat in een concept van de definitieve tenlastelegging in de zaak van verdachte eerder drie feiten waren opgenomen die specifiek zagen op het zaaksdossier Titan, namelijk oplichting, valsheid in geschrifte en overtreding van artikel 2:96 Wft. Deze feiten zijn niet in de hiervoor vermelde nadere omschrijving ex artikel 314a Sv opgenomen en verdachte wordt voor deze feiten klaarblijkelijk niet verder vervolgd. Dit vindt bevestiging in de door de verdediging (als bijlage 11 bij het pleidooi) overgelegde e-mail van één van de officieren van justitie van 11 december 2019, gericht aan de verdediging, onder meer inhoudende: “In reactie op onderstaande kan ik u berichten dat uw e-mail, in combinatie met uw onderhoud met mr. Slieker, heeft geleid tot een heroverweging. Bij nader inzien hebben wij besloten de feiten die betrekking hebben op - kort gezegd - zaaksdossier Titan geen onderdeel (meer) te laten zijn van de tenlastelegging in de zaak jegens uw client de heer Lex V.” Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit bericht van het Openbaar Ministerie bij verdachte niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen wekken dat hij – naast voor de genoemde drie specifieke feiten – ook niet (meer) voor de verdenking van deelname aan een criminele organisatie inzake (onder andere) Titan zou worden vervolgd. Die beschuldiging is, op voor verdachte kenbare wijze, gehandhaafd door het Openbaar Ministerie. Ook in het laatste, na 11 december 2019 gewijzigde concept van de nadere omschrijving ex artikel 314a Sv is deze beschuldiging opgenomen, waarbij, onder meer, als pleegplaats is vermeld “Belgrado of (elders) in Servië” en als medeverdachte (naast Rabih F.) “Robert S.”. Het geciteerde bericht van het Openbaar Ministerie van 11 december 2019 kan niet anders worden verstaan dan dat het enkel ziet op de feiten oplichting, valsheid in geschrifte en overtreding van artikel 2:96 Wft. Dat ook verdachte daarvan moet zijn uitgegaan, ontleent de rechtbank, ten slotte, ook aan de inhoud van de aan de e-mail van één van de officieren van justitie voorafgaande e-mail van de verdediging van 5 december 2019, waarin is vermeld: “Ondertussen bevat de definitieve tll ten aanzien van cliënt wel een drietal feiten die zien op de vermeende rol van cliënt inzake Titan. (…) Graag verneem ik van u, op voorhand, uw standpunt omtrent bovenstaande. Zeker nu de verdenking tegen cliënt al voldoende feiten behelst (…).” Het verweer faalt. 3Beoordeling van het bewijs 3.1. Standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal van de aan hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle (primair) aan verdachte ten laste gelegde feiten op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen in bijlagen 2, 3 (A en B) en 4 bij dit vonnis. 3.3.2. IS en PC 3.3.2.1. Medeplegen van oplichting (feit 1) Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij als medepleger was betrokken bij de oplichting van een groot aantal personen, waaronder de in de tenlastelegging genoemde beleggers, aangaande de verkoop van aandelen in AWNA en AUFI. Deze aandelen zijn vanaf juli 2004 aan Nederlandse beleggers aangeboden door IS, vanuit Düsseldorf (Duitsland). De verkoop van deze aandelen is vanaf september 2005 voortgezet door PC, eveneens gevestigd in Düsseldorf. De rechtbank moet beoordelen of bij de verkoop van aandelen in AWNA en AUFI sprake is geweest van oplichting en zo ja, of en in hoeverre verdachte daarbij betrokken was. Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank beoordelen of het opzet van verdachte op die eventuele oplichting was gericht en of zijn bijdrage daaraan kan worden aangemerkt als die van een medepleger. Wanneer is sprake van oplichting? Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het kenmerk van oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft willen roepen om daarvan misbruik te kunnen maken (ECLI:NL:HR:2016:2889). Daartoe moet de verdachte één of meer van de in de wet bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt om de ander te bewegen tot bepaalde gedragingen, zoals het aangaan van een schuld of de afgifte van goederen of geldbedragen. Van het in het bestanddeel “bewegen tot” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot die bepaalde gedragingen. Het antwoord op de vraag of de ander mede onder invloed van die onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot dit gedrag, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren de mate waarin de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen. Daarnaast kan de persoonlijkheid van het slachtoffer een rol spelen, zoals zijn leeftijd en verstandelijke vermogens. Tot slot moet voor een bewezenverklaring van oplichting worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(

  1. en)wederrechtelijk te bevoordelen. Oplichting door een samenweefsel van verdichtsels Uit het hiervoor aangehaalde standaardarrest van de Hoge Raad inzake oplichting leidt de rechtbank verder af dat het bij het oplichtingsmiddel “een samenweefsel van verdichtsels” in de kern gaat om gesproken en/of geschreven uitingen, die bij de ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Daarvan kan sprake zijn als meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook als een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden, tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie. De in dit verband door de verdediging betoogde eis dat ten aanzien van elk in de tenlastelegging genoemd gedachtestreepje (door de verdediging als “oplichtingsmiddel” aangeduid) vast moet komen te staan dat het gaat om een leugenachtige mededeling, vindt, gelet op het voorgaande, wat betreft het oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” geen steun in het recht. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat voor een bewezenverklaring van dit oplichtingsmiddel niet is vereist dat elke gesproken en/of geschreven uiting een leugenachtige mededeling oplevert. Bij de beantwoording van de vraag of van een samenweefsel van verdichtsels sprake is geweest, moeten de aan beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen, zoals uitgewerkt in de verschillende gedachtestreepjes, in onderling verband en samenhang worden bezien. Oplichting Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de beleggers in de aandelen in AWNA en AUFI door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten voor de aankoop van de aandelen AWNA en/of AUFI en de afgifte van geldbedragen daarvoor. De beleggers zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen (in brochures, nieuwsbrieven, orderbevestigingen en/of gesprekken) deze overeenkomsten aangegaan en hebben de geldbedragen vervolgens afgegeven ter investering in AWNA en/of AUFI. De geldbedragen zijn echter in het geheel niet ten bate gekomen van deze ondernemingen, zoals beleggers wel was voorgespiegeld. Het geld is via vele verschillende bankrekeningen van onder andere internationale entiteiten (met zetels in onder meer Hongkong en Belize) doorgesluisd en terechtgekomen bij (vennootschappen van) Jeffrey R., die de aandelen in eigendom had. Een deel van het geld is aan verdachte en zijn medeverdachten uitbetaald. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat alle in de tenlastelegging omschreven uitingen gesproken en geschreven mededelingen betreffen, die tegenover beleggers zijn gebruikt. Niet al deze mededelingen kunnen worden gezien als leugenachtig. De rechtbank kan wat betreft de mededelingen over de hoofddoelen van AWNA en AUFI en het toezicht waaronder IS en PC stonden, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze vals en in strijd met de waarheid zijn. Zoals hiervoor is overwogen, is dat voor een bewezenverklaring evenwel niet vereist. Uit de bewijsmiddelen is wel gebleken dat deze mededelingen steeds zijn gebruikt in combinatie met één of meer leugenachtige mededelingen van voldoende gewicht (zoals de mededeling dat het geld zou worden geïnvesteerd in AWNA en/of AUFI en/of dat sprake was van een emissie van aandelen) en dat zij hebben bijgedragen aan de misleiding van de beleggers en het vertrouwen dat door IS en PC bij hen was gewekt. Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de beleggers door dat samenweefsel een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen. Oplichting van een ‘groot aantal personen’ Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank, anders dan de verdediging heeft bepleit, ook bewezen dat door het gebruik van het in de tenlastelegging omschreven samenweefsel van verdichtsels een groot aantal beleggers is bewogen tot de aankoop van de genoemde aandelen en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit geldt voor de expliciet in de tenlastelegging genoemde beleggers, maar dat ook andere beleggers overeenkomsten voor de aankoop van aandelen in AWNA en AUFI zijn aangegaan en ter investering in die ondernemingen geldbedragen hebben afgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de bewijsmiddelen dat deze andere beleggers op dezelfde wijze zijn misleid als de expliciet in de tenlastelegging genoemde beleggers. De rechtbank leidt dat af uit de getuigenverklaringen van de beleggers belegger 24, belegger 27 en belegger 139, en uit de omstandigheden dat de afgegeven geldbedragen naar dezelfde bankrekeningen zijn overgemaakt en eveneens zijn terechtgekomen bij (vennootschappen van) Jeffrey R., en dat een deel daarvan (uiteindelijk) is overgemaakt aan verdachte en zijn medeverdachten. Het bij pleidooi gedane (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om – zo begrijpt de rechtbank – het onderzoek te heropenen en de andere dan de expliciet in de tenlastelegging genoemde beleggers als getuigen te horen, wordt afgewezen. Voor de beoordeling van dit verzoek, dat nimmer eerder is gedaan, is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing, namelijk de vraag of het door de verdediging verzochte onderzoek noodzakelijk is voor de beantwoording door de rechtbank van de vragen van, in dit geval, artikel 350 Sv. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verdediging geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht, die het (nogmaals) horen van de andere beleggers noodzakelijk maken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Fiscale Inlichtingen en OpsporingsDienst (FIOD) behalve de in de tenlastelegging genoemde beleggers ook de genoemde beleggers belegger 24, belegger 27 en belegger 139 heeft gehoord. Belegger 24 en belegger 27 zijn daarna op verzoek van de verdediging ook nog als getuigen bij de rechter-commissaris ondervraagd. Uit de verklaringen van deze drie beleggers komt geen ander beeld naar voren over de werkwijze van IS en PC en de reden waarom zij zijn bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten en de afgifte van de geldbedragen dan uit de verklaringen van de andere beleggers. De rechtbank ziet in het licht hiervan geen noodzaak om nog andere beleggers als getuigen te horen. Ook het herhaalde verzoek van de verdediging om Jeffrey R., betrokkene S., betrokkene V., betrokkene M. en betrokkene MB. als getuigen te horen, wordt afgewezen. De verdediging heeft in een eerder stadium van het onderzoek al verzocht om deze getuigen te horen. De getuigen Jeffrey R., betrokkene V. (voormalig medewerker van PC) en betrokkene MB. (voormalig directeur van AWNA) zijn toen, gelet op het verdedigingsbelang, toegewezen. Dat heeft echter niet geleid tot enig resultaat. Blijkens het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris van 5 februari 2019 is het – ondanks een Europees onderzoeksbevel aan de Duitse autoriteiten – niet gelukt de verblijfplaats van betrokkene V. te achterhalen, zodat het getuigenverhoor niet heeft kunnen plaatsvinden. In het geval van Jeffrey R. (gedetineerd in het Verenigd Koninkrijk) en betrokkene MB. (verblijvend in Zuid-Afrika) is gebleken dat zij (kort gezegd) weigeren aan een getuigenverhoor mee te werken. Blijkens de processen-verbaal van verrichtingen en bevindingen van de rechter-commissaris van 1 april 2019 respectievelijk 31 december 2019 hebben de buitenlandse autoriteiten gelet op deze houding van de getuigen het verzoek om hen te horen afgewezen, dan wel op dat verzoek geen verdere actie ondernomen. Ondanks de verrichte inspanningen is het daarom niet gelukt deze getuigen te horen. De toegewezen verzoeken tot het horen van Jeffrey R., betrokkene V. en betrokkene MB. zijn hiermee afgewikkeld. Verder heeft de rechtbank bij beslissing van 9 maart 2018 het verzoek tot het horen van betrokkene S. (voormalig bestuurder van IS) en betrokkene M. (voormalig bestuurder van PC) afgewezen, omdat dat verzoek onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging bij pleidooi geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, die het horen van de vijf verzochte getuigen in dit stadium van het onderzoek noodzakelijk maken voor enige in de strafzaak van verdachte te nemen beslissing. Betrokkenheid van verdachte: medeplegen en oogmerk De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of, en zo ja in hoeverre, verdachte betrokken is geweest bij de verkoop van de aandelen in AWNA en AUFI en, meer in het bijzonder, bij de hiervoor vastgestelde oplichting van de beleggers in deze aandelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode betrokken is geweest bij eerst IS en daarna PC. Verdachte heeft een aandeel gehad in het opbouwen van de vestiging van IS in Düsseldorf. Het doel van IS, en later ook PC, was het verkopen van aandelen aan Nederlandse beleggers vanuit Düsseldorf. Verdachte was vanwege zijn eerdere werkzaamheden in de aandelenhandel door Bert de V. gevraagd dit te helpen realiseren. Verdachte was in de beginfase verantwoordelijk voor de facilitaire dienstverlening. Hij regelde een ingerichte kantoorruimte, kon vanuit zijn oude netwerk verkopers aantrekken en regelde voor hen appartementen en vervoer. Daarnaast heeft verdachte een adressenbestand met potentiële klanten (beleggers) gekocht en dit beschikbaar gesteld aan IS, zodat aan deze potentiële klanten informatie over onder andere (de aandelen
  2. in)AWNA en AUFI kon worden verstrekt. Verdachte was ook in de periode daarna bij de werkzaamheden van IS en PC betrokken. Verdachte bleef in de eerste plaats verantwoordelijk voor de facilitaire dienstverlening. Zo betaalde hij, al dan niet met geld van Bert de V., de huren van de kantoorruimte, de appartementen en het vervoer van de verkopers en ook andere bedrijfskosten. Daarnaast was verdachte, hoewel hij zelf geen contacten onderhield met potentiële beleggers, ook inhoudelijk bij de verkoop van de aandelen in AWNA en AUFI betrokken. Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode verschillende ontmoetingen gehad met Jeffrey R., die, zoals hierboven al is overwogen, de aandelen AWNA en AUFI in eigendom had. Verdachte was meerdere dagen per week op het kantoor in Düsseldorf aanwezig. Hij was verantwoordelijk voor het monitoren van de dagelijkse werkzaamheden van de medewerkers en fungeerde voor hen als het aanspreekpunt. Verdachte heeft verder, via zijn onderneming IFS, aan het reclamebureau HvdZ opdracht gegeven tot het vervaardigen en drukken – en voor een groot deel ook het versturen daarvan aan potentiële beleggers – van de brochures, aanbiedingsbrieven en nieuwsbrieven over (de aandelen
  3. in)AWNA en AUFI. De inhoud van de brochures en nieuwsbrieven kwam onder verantwoordelijkheid van verdachte tot stand. Hij leverde daartoe teksten aan. Ook gaf hij eerst zijn goedkeuring aan de totale inhoud van de brochures en nieuwsbrieven, voordat deze werden gedrukt. Verdachte zorgde ervoor dat een deel van die brochures daarna terechtkwam bij getuige 65. Zij verrichte vanuit Nederland hand- en spandiensten voor verdachte, zoals het versturen van de brochures aan potentiële beleggers. Een ander deel van de brochures werd verstrekt aan de medewerkers (brochurebellers en verkopers) van IS en PC, die deze gebruikten om potentiële beleggers te interesseren voor de aankoop van aandelen in AWNA en AUFI. De medewerkers van IS en PC hebben verdachte omschreven als hun baas en de eindverantwoordelijke. Uit hun verklaringen komt het beeld naar voren van een leidinggevende rol van verdachte bij IS en PC. Verdachte verstrekte de medewerkers de voor de verkoop noodzakelijke informatie over de aandelen in AWNA en AUFI, hij faciliteerde hun werkzaamheden en hij betaalde in sommige gevallen (contant) hun salaris. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte voor al deze werkzaamheden voor IS en PC een hoge vergoeding heeft ontvangen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen in AWNA en AUFI heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen, ten aanzien van alle in de bewezenverklaring vermelde beleggers in die aandelen. Ten slotte moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte het vereiste opzet, te weten oogmerk, heeft gehad op de wederrechtelijke bevoordeling. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in dit verband de volgende feiten en omstandigheden vast: Onder de verantwoordelijkheid van verdachte zijn de brochures en nieuwsbrieven met verkoopinformatie over (de aandelen
  4. in)AWNA en AUFI samengesteld en pas na zijn goedkeuring zijn deze gedrukt en vervolgens verspreid. Deze brochures en nieuwsbrieven zijn door medewerkers van IS en PC gebruikt om potentiële beleggers te bewegen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten inzake de aankoop van aandelen in AWNA en AUFI en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Uit de verklaringen van medewerkers van IS en PC blijkt dat zij de verkoopinformatie over de aandelen van verdachte ontvingen. Gelet op zijn leidinggevende positie bij IS en PC en zijn essentiële rol bij het samenstellen van de brochures en nieuwsbrieven, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte met de inhoud van die geschriften bekend was. Deze verkoopinformatie bevatte leugenachtige en misleidende mededelingen, waarvan verdachte moet hebben geweten. Een zeer aanzienlijk deel van de door de beleggers afgegeven geldbedragen is via verschillende bankrekeningen van onder andere internationale entiteiten, die onderdeel uitmaakten van het netwerk van Jeffrey R., naast aan medeverdachten, ook aan verdachte uitbetaald, al dan niet via IFS. Verdachte heeft slechts een relatief klein deel uitbetaald gekregen vanaf de bankrekeningen van IS of PC, dan wel aan deze ondernemingen gelieerde entiteiten. Verdachte heeft de rechtbank geen (afdoende) verklaring gegeven voor deze geldstromen en de omvang daarvan. Evenmin heeft verdachte uitgelegd waarom een groot deel van de overschrijvingen is voorzien van omschrijvingen die niet duiden op uitbetalingen voor zijn werkzaamheden voor IS en PC, terwijl het volgens verdachte daar in werkelijkheid wel om zou gaan, namelijk om uitbetalingen van salaris, commissies of onkostenvergoedingen. Samengevat heeft verdachte in zeer aanzienlijke mate geprofiteerd van de aandelenverkoop, terwijl die verdiensten op verhullende wijze aan hem zijn uitbetaald. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij meermalen aanzienlijke contante geldbedragen heeft opgehaald in het snookercentrum van Bert de V. in Haarlem. Verdachte kreeg deze gelden zo mee, hij hoefde daarvoor geen kwitantie te tekenen, en betaalde daarvan onder meer de huur van appartementen van verkopers; verkopers die voor IS en PC werkten. Verdachte heeft de rechtbank ook voor deze opvallende, contante geldstroom geen (afdoende) verklaring gegeven. De eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij steeds te goeder trouw heeft gehandeld en heeft vertrouwd op de juistheid van de door hem verstrekte teksten voor de brochures en nieuwsbrieven, welke informatie hij van met name Bert de V. zou hebben ontvangen, schuift de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. In de brochures en nieuwsbrieven stond onder andere vermeld dat de aandelen in AWNA en AUFI deel uitmaakten van aandelenemissies en dat de inleg van beleggers volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van deze aandelen. Met deze mededelingen is beleggers voorgespiegeld dat hun inleg volledig of grotendeels ten bate zou komen van AWNA en AUFI, die met de beweerde emissies kapitaal zouden willen genereren om hun ondernemingsdoelen te kunnen realiseren. Deze aan de beleggers verstrekte informatie was vals en in strijd met de waarheid. Uit het onderzoek naar de geldstromen blijkt namelijk dat de inleg van beleggers niet ten bate van deze ondernemingen is gekomen. In de orderbevestigingen van IS ten behoeve van de aankoop van aandelen in AWNA en AUFI stond verder vermeld dat IS pas zou verdienen aan deze aandelen, wanneer de beleggers hun aandelen op een later tijdstip met winst zouden gaan verkopen. IS zou in een dergelijk geval een winstdeling van vijftien procent in rekening brengen. Verdachte heeft verklaard dat hij op de hoogte was van deze aan de beleggers voorgespiegelde informatie. Deze informatie was eveneens vals en in strijd met de waarheid. Uit het onderzoek naar de geldstromen blijkt namelijk dat IS al bij de eerste verkoop van de aandelen aan de beleggers een aanzienlijk percentage van het aankoopbedrag in rekening bracht. Gelet op de gelden die verdachte uitbetaald kreeg, moet hij hebben geweten dat deze in de brochures, nieuwsbrieven en orderbevestigingen genoemde informatie over de besteding van de inleg van beleggers nooit juist kon zijn en niet overeenkwam met het daadwerkelijke verdienmodel van IS en PC. Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat medewerkers van IS en PC aan de hand van geschriften en gesprekken leugenachtige en misleidende informatie over IS en PC en de aandelen in AWNA en AUFI aan potentiële beleggers hebben verstrekt. Dit had tot doel hen te bewegen tot aankoop van aandelen in AWNA en AUFI. Daarbij hebben de medewerkers van IS en PC nauw en bewust samengewerkt met verdachte. Het kan – gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen – niet anders dan dat verdachte ten tijde van die gedragingen wetenschap heeft gehad van de gepresenteerde onjuistheden. Verdachte heeft in betekenende mate geprofiteerd van de geldbedragen die de beleggers onder invloed van de valse voorstelling van zaken hebben afgegeven. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte bij het oplichten van de beleggers heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk om zichzelf en anderen te bevoordelen. Dit alles leidt ertoe dat feit 1 is bewezen 3.3.2.2. Medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften (feit 2) Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken en/of het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, namelijk brochures met begeleidende brieven, nieuwsbrieven en orderbevestigingen over (de aandelen
  5. in)AWNA en AUFI. Deze geschriften zijn aan potentiële beleggers verstrekt om hen te informeren over en te bewegen tot de aankoop van aandelen in AWNA en AUFI. De rechtbank moet beoordelen of in deze verstrekte geschriften valsheden stonden vermeld en zo ja, of, en in hoeverre, verdachte bij het opmaken en het gebruik maken van die valse geschriften betrokken was. Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank beoordelen of het opzet van verdachte op dit valselijk opmaken en/of gebruik maken (als ware de geschriften echt en onvervalst) was gericht en of zijn bijdrage kan worden gezien als die van een medepleger. Juridisch kader In artikel 225 lid 1 Sr is valsheid in geschrift strafbaar gesteld, namelijk (kort gezegd) het valselijk opmaken of het vervalsen van een geschrift met een bewijsbestemming. Voor een bewezenverklaring van dit feit is allereerst vereist dat de verdachte opzet heeft gehad op het vals maken van het geschrift. Dat kan door een nieuw geschrift valselijk op te maken of door een bestaand geschrift te vervalsen. Het vals maken van een geschrift omvat het op die handeling gerichte (ingeblikte) opzet, waarvoor voorwaardelijk opzet voldoende is. Voor een bewezenverklaring van valsheid in geschrift moet daarnaast worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; het oogmerk van misleiding. Dit oogmerk vereist minst genomen zekerheids- of noodzakelijkheidbewustzijn. Dat betekent dat voorwaardelijk opzet hiervoor niet toereikend is. Het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift met een bewijsbestemming is strafbaar gesteld in artikel 225 lid 2 Sr. Voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat de verdachte minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het gebruik maken van dat geschrift, als ware het echt en onvervalst, én op het valse of vervalste karakter daarvan. Van valsheid is – voor zover hier van belang – sprake als de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid (‘intellectuele valsheid’). Dat kan tot uitdrukking komen door bepaalde informatie of feiten in een geschrift te veranderen of onjuiste informatie of feiten toe te voegen, maar ook door informatie of feiten uit dat geschrift te verwijderen en/of (daarmee) na te laten deze te vermelden. Het antwoord op de vraag of van valsheid sprake is, is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Beslissend bij de beantwoording van die vraag is of de werkelijkheid geweld wordt aangedaan. Van het gebruik maken van een vals of vervalst geschrift – dat, zoals vermeld, een bewijsbestemming moet hebben – is sprake wanneer het geschrift wordt gebruikt ter misleiding van een ander, namelijk degene ten aanzien van wie dat geschrift wordt gebruikt en ten aanzien van wie de verdachte zich gedraagt alsof dat geschrift echt en onvervalst is. Voor een bewezenverklaring ter zake van artikel 225 lid 2 Sr is echter niet vereist dat die ander door het gebruik daadwerkelijk is misleid of benadeeld. Partiële vrijspraak t.a.v. de besteding van de inleg, het rendement, de hoofddoelen en het toezicht De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde mededelingen over de besteding van de inleg in AWNA en AUFI, het te behalen rendement, de hoofddoelen van AWNA en AUFI en het toezicht waaronder IS en PC stonden, valsheden dan wel valsheden in de in de tenlastelegging vermelde geschriften betreffen. Verdachte zal van deze gedachtestreepjes worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De officieren van justitie hebben zich bij requisitoir op het standpunt gesteld dat de in de tenlastelegging genoemde mededelingen over de besteding van de inleg van de beleggers in AWNA en AUFI en het met die inleg te behalen rendement, vals en in strijd met de waarheid zijn. De rechtbank constateert echter dat deze mededelingen niet, of onvoldoende uitdrukkelijk, in één of meer van de in de tenlastelegging genoemde geschriften staan vermeld. Juist is dat voor een bewezenverklaring niet per se is vereist dat de vermeende valsheden letterlijk in één of meer van de geschriften zijn vermeld, omdat de tenlastelegging een zakelijke weergave van de betreffende passages kan behelzen. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank in het geval van deze mededelingen echter niet om een zakelijke weergave van passages uit de geschriften, maar om een interpretatie van die passages. Daarmee is door de opsteller(
  6. s)van de tenlastelegging een eigen invulling aan de inhoud van die geschriften gegeven. Omdat de betreffende mededelingen als gezegd niet of onvoldoende uitdrukkelijk in één of meer van de geschriften staan vermeld, staat dat een bewezenverklaring van valsheid in geschrifte in de weg. De rechtbank kan daarnaast, zoals onder 3.3.2.1. al is overwogen, op basis van de stukken niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de mededelingen over de hoofddoelen van AWNA en AUFI en het toezicht waaronder IS en PC stonden, vals en in strijd met de waarheid zijn. Deze mededelingen zijn weliswaar als onderdeel van het samenweefsel van verdichtsels (via geschriften) ter kennis van potentiële beleggers gebracht en hebben in de context van de overige mededelingen bijgedragen aan de misleiding van de beleggers, maar het bewijs ontbreekt dat deze aan beleggers gepresenteerde mededelingen onjuist en dus vals zijn. Beoordeling t.a.v. de aandelenemissies en de noteringen aan de NASDAQ Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wel bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde gedachtestreepjes dat de aandelen in AWNA en AUFI deel uitmaakten van aandelenemissies en deze aandelen noteringen hadden aan de NASDAQ, vals en in strijd met de waarheid zijn. Deze mededelingen stonden vermeld in de in de tenlastelegging genoemde brochures van AWNA en AUFI, de begeleidende brieven daarbij en in enkele nieuwsbrieven van IS en PC. Het gaat hier om informatie die niet overeenstemt met de werkelijkheid en die aan potentiële beleggers is voorgespiegeld om hen te bewegen tot aankoop van de aandelen in AWNA en AUFI. Uit de bewijsmiddelen blijkt allereerst dat de aandelen in AWNA en AUFI die door medewerkers van IS en PC aan potentiële beleggers werden aangeboden, geen deel uitmaakten van aandelenemissies. Het ging in beide gevallen om aandelen van een bestaande aandeelhouder, te weten Jeffrey R., die de aandelen kort daarvoor (direct dan wel indirect) had verkregen. De inleg van beleggers kwam zodoende voor een belangrijk deel terecht bij Jeffrey R., en kwam niet ten bate van de ondernemingen van AWNA en AUFI, zoals beleggers wel was voorgespiegeld. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de aandelen in AWNA en AUFI geen notering hadden aan de NASDAQ. De aandelen in AWNA en AUFI hadden slechts een vermelding aan de Over The Counter Bulletin Board (OTCBB). De NASDAQ staat bekend als een betrouwbare effectenbeurs. Voor een notering aan deze beurs gelden specifieke voorwaarden, die streng worden gecontroleerd en gehandhaafd. Er bestaat ook een voortdurende toezichthoudende relatie tussen de markt en de aan de NASDAQ genoteerde ondernemingen. Dergelijke faciliteiten kent de OTCBB niet. De OTCBB is ook niet een beursgenoteerde markt. De koers van aandelen genoteerd aan de NASDAQ wordt bepaald op basis van (een gemiddelde van) alle koop- en verkoopopdrachten, terwijl de koers van aandelen aan de OTCBB de prijs van de laatste transactie betreft. Deze prijs wordt vastgesteld door de beurshandelaar. De koers van aandelen aan de OTCBB is hierdoor gemakkelijk te manipuleren. Volgens de website van de Amerikaanse organisatie FINRA, die onder toezicht staat van de US Securities and Exchange Commission (SEC), mag een verwijzing naar de OTCBB niet het woord ‘genoteerd’ bevatten en mag de OTCBB niet in verband worden gebracht met de NASDAQ. Op de website van de SEC wordt uitdrukkelijk gewaarschuwd voor personen die beleggers misleiden door te claimen dat een onderneming een NASDAQ-onderneming is, terwijl de onderneming in werkelijkheid een OTCBB-onderneming is. Die misleiding wordt gedaan om een onderneming meer reputabel te laten lijken, en de aandelen beter verhandelbaar, dan in werkelijkheid het geval is. De rechtbank is van oordeel dat door het gebruik van de benaming “NASDAQ”, al dan niet in combinatie met het woord ‘genoteerd’, ten onrechte een verband is gelegd tussen de NASDAQ en de aandelen in AWNA en AUFI, alsof deze aandelen noteringen aan die beurs hadden. Daarmee is de werkelijkheid geweld aan gedaan en aan potentiële beleggers bewust een onjuistheid gepresenteerd om hen te misleiden. Betrokkenheid van verdachte Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank verder bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de hierboven genoemde valse brochures, begeleidende brieven en nieuwsbrieven valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken, en daarnaast (eveneens in nauwe en bewuste samenwerking met anderen) ook daadwerkelijk opzettelijk daarvan gebruik heeft gemaakt. Deze geschriften, die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, zijn mede door verdachte opgemaakt. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor, in het kader van de oplichting, heeft vastgesteld over de gang van zaken rond de totstandkoming van (de inhoud van) de brochures en nieuwsbrieven, die in opdracht van verdachte door HvdZ zijn gedrukt. Daarna zijn de geschriften gebruikt bij de verkoop van de aandelen in AWNA en AUFI door IS en PC en daartoe aan potentiële beleggers verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte – gelet op zijn bijdrage, zijn wetenschap van de aan potentiële beleggers gepresenteerde onjuistheden en zijn oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, zoals hiervoor onder 3.3.2.1. is overwogen – heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk van misleiding en dat ook overigens het daarvoor vereiste opzet bij verdachte heeft bestaan. Dit alles leidt ertoe dat feit 2, beide onderdelen, is bewezen. Nu het valselijk opmaken van de geschriften en het opzettelijk gebruik maken daarvan op verschillende tijden en plaatsen heeft plaatsgevonden, met telkens een nieuw wilsbesluit, zal de rechtbank deze feiten hierna onder 4. afzonderlijk kwalificeren. 3.3.3. IFH en TE 3.3.3.1. Opdracht geven tot, dan wel feitelijk leiding geven aan, medeplegen van oplichting, begaan door een rechtspersoon (feit 3 primair) Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij (primair: als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever, subsidiair: zonder die hoedanigheden) was betrokken bij het medeplegen van oplichting van een groot aantal personen, waaronder de in de tenlastelegging genoemde beleggers, aangaande de verkoop van aandelen in IFH en TE. Deze aandelen zijn vanaf mei 2009 (IFH) en oktober 2009 (TE) verkocht aan beleggers. De rechtbank moet beoordelen of bij de verkoop van aandelen in IFH en TE sprake is geweest van oplichting en zo ja, of en in hoeverre verdachte daarbij betrokken was, al dan niet middels zijn persoonlijke vennootschap DD BV. Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank – naast de vraag naar de strafbaarheid van deze rechtspersoon – beoordelen of het opzet van verdachte op die eventuele oplichting was gericht en of zijn bijdrage daaraan kan worden aangemerkt als die van een opdrachtgever/feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr respectievelijk een medepleger. Bij het beantwoorden van deze vragen zal de rechtbank het hiervoor in 3.3.2.1. vermelde kader ten aanzien van oplichting tot uitgangspunt nemen. De rechtbank zal het verwijt inzake de verkoop van de aandelen in IFH en het verwijt inzake de verkoop van de aandelen in TE afzonderlijk beoordelen, ook al zijn deze verwijten in de tenlastelegging niet uitgesplitst. A. IFH Partiële vrijspraak ten aanzien van enkele beleggers c.q. een (groot) aantal personen De rechtbank heeft vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde beleggers belegger 87, belegger 59, belegger V. en belegger 107 in de ten laste gelegde periode geen aandelen in IFH hebben aangekocht, zodat verdachte in hun geval ter zake van het ten laste gelegde met betrekking tot IFH zal worden vrijgesproken. Die vrijspraak geldt ook voor de zinsnede ‘een (groot) aantal personen’. Uit het dossier leidt de rechtbank namelijk af dat, naast de hierna genoemde beleggers, geen andere personen aandelen in IFH hebben gekocht. De rechtbank moet dus beoordelen of in de ten laste gelegde periode oplichting heeft plaatsgevonden bij de verkoop van aandelen in IFH aan de Nederlandse beleggers belegger 1, belegger 2, belegger 3, belegger 5 en de Belgische belegger belegger 4. Oplichting Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de bovengenoemde vijf beleggers in de aandelen in IFH door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten voor de aankoop van deze aandelen en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Dat samenweefsel van verdichtsels bestond uit – kort en zakelijk weergegeven – de mededelingen dat sprake was van een aandelenemissie, de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen, met de inleg een goed rendement (van 50%) behaald zou worden, een overname ophanden was waardoor de aandelen in waarde zouden gaan stijgen en de omstandigheid dat de inleg in betrouwbare handen was, omdat de inleg overgemaakt moest worden naar een bankrekening van een notariskantoor. Voorgewend is (aldus) dat ten aanzien van de aankoop van aandelen in IFH sprake was van een bonafide beleggingsproduct, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Andere in de tenlastelegging opgenomen mededelingen hebben ofwel geen betrekking op de verkoop van aandelen in IFH, ofwel de genoemde beleggers niet bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten voor de aankoop van deze aandelen en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De beleggers belegger 1, belegger 2, belegger 3, belegger 5 en belegger 4 zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen (zoals de mededeling dat het ging om een emissie van aandelen) bewogen tot de aankoop van de genoemde aandelen en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen ter investering in IFH. De geldbedragen zijn echter niet ten goede gekomen van IFH (of haar dochterondernemingen), zoals hen – bijvoorbeeld in de aan hen verstrekte brochure – wel was voorgespiegeld. De betalingen voor de aankoop van de aandelen zijn door de beleggers namelijk gedaan op de rekening van het notariskantoor LSP in Berlijn, waarna een groot deel van de ingelegde gelden is doorgestort naar IFG (niet zijnde IFH) en maar liefst vijftig procent van de ingelegde gelden aan verdachte en zijn medeverdachten is uitbetaald. Niet is gebleken dat er gelden van IFG naar IFH (of haar dochterondernemingen) zijn gegaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de hierboven bewezen geachte, gesproken en geschreven, mededelingen tegenover de beleggers zijn gebruikt, onder andere in de brochure en in gesprekken. Niet al deze mededelingen kunnen worden gezien als leugenachtig. De rechtbank kan wat betreft de mededeling over een op handen zijnde overname bijvoorbeeld niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze vals en in strijd met de waarheid was. Zoals hiervoor onder 3.3.2.1. overwogen, is dat voor een bewezenverklaring evenwel niet vereist. Uit de bewijsmiddelen is wel gebleken dat deze mededeling is gebruikt in combinatie met één of meerdere leugenachtige mededelingen van voldoende gewicht (in het bijzonder de mededeling dat het geld volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen in IFH en/of dat sprake was van een emissie van aandelen) en dat deze mededeling heeft bijgedragen aan de misleiding van de beleggers en het vertrouwen dat bij hen is gewekt. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het geld moest worden overgemaakt naar een bankrekening van een notariskantoor. Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de beleggers door dat samenweefsel een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen en dat ook in dit zaaksdossier sprake is geweest van oplichting. Betrokkenheid van verdachte: medeplegen en oogmerk De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is, of, en zo ja in hoeverre, verdachte – al dan niet via DD BV – betrokken is geweest bij de hiervoor vastgestelde oplichting van de beleggers belegger 1, belegger 2, belegger 3, belegger 5 en belegger 4. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 19 juni 2009 een overeenkomst is aangegaan met Jürgen S., inhoudende dat verdachte de verkoop van aandelen in IFH zou gaan verzorgen. Verdachte is deze overeenkomst aangegaan namens DD BV, waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder is. DD BV zou voor haar werkzaamheden volgens afspraak vijftig procent van de door beleggers voor de aandelen betaalde koopsom verkrijgen. Om de aandelen te kunnen verkopen heeft verdachte een aantal personen benaderd om voor hem (verkoop)werkzaamheden te verrichten, zoals de (gewezen) medeverdachten Rabih F., Gert-Jan T. en Leon L. Verder heeft verdachte een adressenbestand met potentiële klanten (beleggers) gekocht en ten behoeve van de verkoop van aandelen in IFH aan deze medewerkers beschikbaar gesteld. Verdachte was ook inhoudelijk betrokken bij de verkoop van aandelen in IFH. Zo was hij verantwoordelijk voor de informatie die aan potentiële beleggers werd verstrekt. De inhoud van de brochure (die aan alle beleggers is verstrekt) kwam onder zijn verantwoordelijkheid tot stand. Verdachte leverde daartoe teksten aan ter vertaling en gaf voorts zijn goedkeuring voor de inhoud van de brochure, alvorens deze, doorgaans door zogenoemde brochurebellers, aan beleggers werd verstrekt. Dit gebeurde in opdracht van verdachte. Verdachte was ook betrokken bij de inhoud van in elk geval de door medeverdachte Leon L. aan belegger belegger 1 gestuurde e-mail. Wanneer een potentiële belegger liet blijken interesse te hebben in de aandelen in IFH werd hij door de brochurebeller in contact gebracht met en/of bezocht door (één van) verdachtes andere medewerkers. Eenmaal is verdachte zelf aanwezig geweest bij een dergelijk bezoek aan een belegger, waarbij hij zich heeft voorgesteld als hoofdbroker. Op het moment dat de belegger besloot de aandelen in IFH te kopen, werd hem een (mede door verdachte opgesteld) contract toegestuurd en werd het door de belegger getekende contract nadien door een medewerker van verdachte opgehaald bij de belegger thuis. Daarmee was de aandelenverkoop voltooid en boekte de belegger, volgens het contract, de gelden over naar de rekening van het notariskantoor. Vervolgens verzond verdachte, namens DD BV, facturen naar IFH, bij het indienen waarvan verdachte instructies gaf over de wijze waarop de afgesproken vijftig procent van de door beleggers betaalde koopsom van de aandelen aan DD BV en aan zijn medeverdachten moest worden uitbetaald, hetgeen ook gebeurde. Uit de verklaringen van de medewerkers van verdachte, in elk geval die van Gert-Jan T. en Leon L., komt het beeld naar voren van een leidinggevende rol van verdachte bij het hiervoor omschreven verkoopproces. Verdachte nam de medewerkers aan, verstrekte hen informatie over de aandelen in IFH ten behoeve van de verkoopactiviteiten, factureerde voor de verkopen aan IFH en betaalde het salaris/de commissie van medewerkers. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte aanmerken als leidinggevende over het verkoopproces van de aandelen in IFH, dat in opdracht van DD BV werd gedaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte (via DD BV) voor zijn werkzaamheden een hoge vergoeding heeft ontvangen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande – en indachtig de in de jurisprudentie gestelde eisen voor strafbaarheid van de rechtspersoon – tot de conclusie dat DD BV in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen in IFH heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de in de tenlastelegging vermelde beleggers die hiervoor zijn genoemd. Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van DD BV en heeft ter terechtzitting treffend verklaard: “Ik ben DD BV”. De gedragingen van verdachte kunnen dan ook aan DD BV worden toegerekend. Ten slotte moet de rechtbank de vraag beantwoorden of DD BV het vereiste oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke bevoordeling, zoals bedoeld in artikel 326 Sr, en zo ja, of verdachte opdracht heeft gegeven tot het medeplegen van oplichting door DD BV dan wel of hij aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, waarvoor eveneens opzet is vereist. De rechtbank overweegt daarover als volgt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat in de jurisprudentie criteria zijn ontwikkeld voor de beoordeling van deze vragen – de zogenoemde IJzerdraadcriteria respectievelijk Slavenburgcriteria – maar dat vanwege de vereenzelviging van verdachte en DD BV, die criteria in de onderhavige zaak minder relevant zijn en in elk geval geen uitvoerige bespreking behoeven. Ook in dit verband geldt dat de gedragingen van verdachte, en ook diens wetenschap en eventuele opzet/oogmerk, aan DD BV kunnen worden toegerekend. Aan de beleggers is door medewerkers van verdachte voorgehouden dat sprake was van een aandelenemissie. Deze informatie was vals en in strijd met de waarheid. De aandelen in IFH waren namelijk herplaatste (en dus bestaande) aandelen (van onder andere Jürgen S.). Aan de beleggers is ook voorgespiegeld dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en als kapitaalinjectie ten goede zou komen aan IFH en/of haar dochterondernemingen. Dat ligt niet alleen besloten in de mededelingen over een aandelenemissie, maar staat ook met zoveel woorden vermeld in de brochure. Daarin staat immers de passage: “Het bedrijf zal de beschikbare middelen voor 100% voor de dochterondernemingen gebruiken en plant om die middelen voor de volgende doeleinden te gebruiken:…”. Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat deze mededeling in de brochure niet juist is, maar hij heeft verder verklaard dat hij niet precies wist wat er in de brochure stond, omdat hij daarvan geen kennis zou hebben genomen. De rechtbank zal dat laatste als ongeloofwaardig passeren, nu verdachte als leidinggevende bij de verkoop van de aandelen in IFH verantwoordelijk was voor de verstrekte informatie aan beleggers, hij de brochure heeft laten vertalen en voorts zijn goedkeuring aan de inhoud heeft gegeven alvorens deze brochure is gebruikt. Dat verdachte wist dat deze mededeling in de brochure niet juist was, is evident, nu hij in juni 2009 zelf de commissie-afspraken met Jürgen S. heeft gemaakt, op grond waarvan 50% van de inleg naar verdachte en zijn medeverdachten zou vloeien. Derhalve had verdachte in elk geval wetenschap ten aanzien van deze – meest belangrijke – onjuistheid, namelijk de leugen dat de gelden volledig of grotendeels zouden worden geïnvesteerd in IFH. De rechtbank is van oordeel dat het ook niet anders kan zijn dan dat verdachte wetenschap had ten aanzien van de onjuistheid van de mededeling dat sprake was van een emissie van aandelen. Die mededeling kan niet los worden gezien van hetgeen beleggers is voorgespiegeld over de besteding van de inleg van hun gelden (van welke onjuistheid verdachte dus wist), nu een aandelenemissie immers in de kern betekent dat inleg van beleggers als kapitaalinjectie naar de uitgevende onderneming gaat. Gelet op deze omstandigheid, alsmede de hiervoor beschreven leidinggevende rol van verdachte in het verkoopproces, kan het niet anders zijn dan dat verdachte ook van deze onjuistheid wist. Deze wetenschap kan aan DD BV worden toegerekend. Dat verdachte, en daarmee DD BV, het oogmerk had van wederrechtelijke bevoordeling volgt verder uit de omstandigheid dat, op grond van de door verdachte namens DD BV gemaakte afspraak, 50% van de inleg van de beleggers door DD BV, verdachte en zijn medeverdachten is opgestreken. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daarbij een groot gedeelte van het geld uitbetaald gekregen vanaf de bankrekening van IFG. Dat is opvallend, omdat DD BV factureerde aan IFH, waarbij ook opdracht is gegeven om uitbetalingen aan medeverdachte Rabih F. te verrichten op bankrekeningen van zijn familieleden. Verder heeft verdachte ook zelf betalingen verricht aan medeverdachten. Verdachte heeft echter niet uit kunnen leggen waarom een groot deel van die betalingen aan medeverdachten is voorzien van omschrijvingen die niet duiden op uitbetalingen van salaris, commissies of een vergoeding, terwijl het volgens verdachte daar in werkelijkheid wel om zou gaan. Ook deze omstandigheden sterken de rechtbank in haar oordeel dat verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke bevoordeling. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat verdachte moet hebben geweten dat medeverdachte Rabih F., de zakenpartner van verdachte, zich tegenover (potentiële) beleggers heeft bediend van de alias ‘Robert den Hartog’. Verdachte was immers de leidinggevende bij de verkoop van de aandelen in IFH. Ook volgt uit de verklaringen van enkele beleggers en de verklaring van medeverdachte Leon L. dat verdachte wist dat Rabih F. zich uitgaf als ‘Robert den Hartog’. Dat verdachte wist dat deze ‘Den Hartog’ in werkelijkheid Rabih F. was, is evident, nu zij eerder hadden samengewerkt bij IS/PC. Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat DD BV samen met anderen in gesprekken, een brochure, e-mails en orderbevestigingen bewust leugenachtige en misleidende informatie over de aandelen in IFH aan de beleggers heeft verstrekt. Dit had tot doel hen te bewegen over te gaan tot aankoop van aandelen in IFH. Het kan – gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen – niet anders zijn dan dat verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van DD BV, ten tijde van die gedragingen wetenschap heeft gehad van de gepresenteerde onjuistheden, welke wetenschap aan DD BV kan worden toegerekend. DD BV en (indirect) verdachte hebben in betekenende mate geprofiteerd van de geldbedragen die de beleggers onder invloed van de valse voorstelling van zaken (het samenweefsel van verdichtsels) hebben afgegeven. De rechtbank acht daarom bewezen dat DD BV bij het medeplegen van het oplichten van de beleggers heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk om zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen en dat verdachte daarbij als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr is opgetreden. Dit alles leidt ertoe dat feit 3 primair betreffende de verkoop van de aandelen in IFH is bewezen, voor zover dit ziet op de oplichting van de beleggers belegger 1, belegger 2, belegger 3, belegger 5 en belegger 4. B. TE Partiële vrijspraak ten aanzien van enkele beleggers c.q. een (groot) aantal personen De rechtbank heeft vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde beleggers belegger 1, belegger 2 en belegger 4 in de ten laste gelegde periode geen aandelen in TE hebben aangekocht, zodat verdachte in hun geval ter zake van het ten laste gelegde met betrekking tot TE zal worden vrijgesproken. De rechtbank moet dus beoordelen of in de ten laste gelegde periode oplichting heeft plaatsgevonden bij de verkoop van aandelen in TE aan de beleggers belegger 3, belegger 5, belegger 87, belegger 59, belegger V. en belegger 107, alsmede aan een (groot) aantal andere, niet bij naam in de tenlastelegging genoemde beleggers. Ten aanzien van de beleggers belegger 3, belegger 5 en belegger 59 is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend is bewezen dat zij door één of meer van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen – met name het hierna bewezen geachte samenweefsel van verdichtsels – zijn bewogen tot de aankoop van de aandelen in TE, zodat verdachte ook in hun geval zal worden vrijgesproken. Oplichting Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de beleggers belegger 87, belegger V. en belegger 107 door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten voor de aankoop van de aandelen in TE en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Dat samenweefsel van verdichtsels bestond uit – kort en zakelijk weergegeven – de mededelingen dat sprake was van een aandelenemissie, de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen en/of dat er bij de aankoop (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht, met de inleg een goed rendement behaald zou worden, een overname en/of beursgang ophanden was waardoor de aandelen in waarde zouden gaan stijgen, dat op het moment van aankoop de waarde van een aandeel in TE € 27,- was en de omstandigheid dat de inleg in betrouwbare handen zou zijn, omdat deze inleg overgemaakt moest worden op een bankrekening van een advocatenkantoor. De beleggers belegger 87, belegger V. en belegger 107 zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen (zoals de mededeling dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen) bewogen tot de aankoop van de genoemde aandelen en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen ter investering in TE. Deze geldbedragen zijn echter in het geheel niet ten bate gekomen van TE, zoals hen wel was voorgespiegeld. In de meeste gevallen is het geld door de beleggers overgemaakt aan het advocatenkantoor MPRS in München. Via dit advocatenkantoor en de bankrekening van W&M – een van de partijen die de aandelen in TE hield die aan de beleggers werden verkocht – zijn vervolgens aanzienlijke betalingen verricht aan verdachte en zijn medeverdachten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de hierboven bewezen geachte mededelingen in gesprekken met de beleggers zijn gebezigd. Niet al deze mededelingen kunnen worden gezien als leugenachtig. De rechtbank kan bijvoorbeeld wat betreft de mededeling over een op handen zijnde overname en/of beursgang niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze vals en in strijd met de waarheid was. Zoals hiervoor onder 3.3.2.1. overwogen, is dat voor een bewezenverklaring evenwel niet vereist. Uit de bewijsmiddelen is wel gebleken dat deze mededeling is gebruikt in combinatie met één of meerdere leugenachtige mededelingen van voldoende gewicht (in het bijzonder de mededeling dat het geld volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen in TE en/of dat sprake was van een emissie van aandelen) en dat deze mededeling heeft bijgedragen aan de misleiding van de beleggers en het vertrouwen dat bij hen is gewekt. Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de beleggers door dat samenweefsel een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen. Nog andere beleggers dan belegger 87, belegger V. en belegger 107? Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat, naast de in de tenlastelegging expliciet genoemde beleggers belegger 87, belegger V. en belegger 107, ook de belegger belegger 14 door het bovengenoemde samenweefsel van verdichtsels is bewogen tot de aankoop van aandelen in TE en de afgifte van geldbedragen in verband daarmee. Uit de bewijsmiddelen volgt dat belegger belegger 14 op dezelfde wijze is misleid en dat ook in zijn geval een groot deel van de door hem voor de aandelen betaalde koopsom, via de bankrekening van het advocatenkantoor MPRS en de bankrekening van W&M, aan verdachte en zijn medeverdachten is uitbetaald. Zodoende acht de rechtbank bewezen dat door een samenweefsel van verdichtsels een ‘aantal personen’, waaronder drie bij naam in de tenlastelegging genoemde beleggers, is bewogen tot de aankoop van de aandelen in TE. Betrokkenheid van verdachte: medeplegen en oogmerk De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is, of, en zo ja in hoeverre, verdachte – al dan niet via DD BV – betrokken is geweest bij de hiervoor vastgestelde oplichting van de beleggers belegger 87, belegger V., belegger 107 en belegger 14. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, namens DD BV, op 7 oktober 2009 een overeenkomst is aangegaan met W&M, inhoudende dat verdachte een verkoopapparaat zou opzetten in Nederland voor de verkoop van aandelen in TE die op dat moment door W&M werden gehouden. DD BV zou hiervoor als tegenprestatie een vergoeding van 50% van de verkoopopbrengst ontvangen. Met het genoemde advocatenkantoor MPRS werd overeengekomen dat zij de door beleggers voor de aandelen betaalde bedragen, na ontvangst op haar rekening, voor 50% diende uit te betalen aan DD BV en voor 49% aan W&M. De resterende 1% kwam aan MPRS toe als vergoeding voor haar dienstverlening. Om de aandelen in TE aan Nederlandse beleggers te kunnen verkopen heeft verdachte (voormalig) medewerkers van hem benaderd, onder wie in elk geval (gewezen) medeverdachten Rabih F., Gert-Jan T. en (in een later stadium) Marc van D. Met medeverdachte Marc van D. heeft verdachte op 8 november 2010 een bespreking gehad die zag op de verkoop van aandelen in TE. Uit een e-mailbericht van 2 februari 2013 van de aan W&M gelieerde Volker O., gericht aan verdachte en medeverdachte Marc van D., blijkt dat er nieuwe afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het honorarium voor de verkoop van de aandelen in TE, in welke regeling (naast DD BV (Lex V.)) Marc van D. nu ook was opgenomen. Medeverdachten Marc van D. en Rabih F. hebben blijkens de bewijsmiddelen daadwerkelijk aandelen in TE verkocht aan Nederlandse beleggers. Ook verdachte zelf was inhoudelijk betrokken bij de verkoop van aandelen in TE. Verdachte onderhield in een aantal gevallen zelf contact met beleggers, zowel telefonisch als in persoon, en verschafte hen informatie over de aandelen in TE, teneinde te komen tot een (definitieve) verkoop van deze aandelen. In deze gevallen is verdachte zelf als verkoper opgetreden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat DD BV recht had op een vergoeding van 50% (commissie) van de opbrengst van elke verkoop van de aandelen. Na ontvangst van dit bedrag door DD BV betaalde verdachte – het zij herhaald: als enig aandeelhouder en bestuurder van deze rechtspersoon – vervolgens aan zichzelf en zijn medeverdachten vergoedingen uit. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat verdachte een leidinggevende rol heeft gehad bij het hiervoor omschreven verkoopproces van de aandelen in TE. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat DD BV in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen in TE heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de beleggers belegger 87, belegger V. en belegger 107 en belegger 14. Wat betreft de vereenzelviging van verdachte en DD BV verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor, met betrekking tot de verkoop van de aandelen in IFH, heeft overwogen. Ten slotte moet de rechtbank de vraag beantwoorden of DD BV het vereiste oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke bevoordeling, zoals bedoeld in artikel 326 Sr, en zo ja, of verdachte opdracht heeft gegeven tot het medeplegen van oplichting door DD BV dan wel of hij aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. De rechtbank overweegt daarover als volgt. De rechtbank heeft hiervoor reeds een en ander overwogen over de rol, betrokkenheid en wetenschap van verdachte in het kader van de verkoop van de aandelen in IFH. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verkoop van de aandelen in TE in tijd zeer kort is gevolgd op de verkoop van de aandelen in IFH, welke verkopen gedeeltelijk in dezelfde samenstelling van personen hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt in dat kader verder vast dat het door haar bewezen geachte samenweefsel van verdichtsels met betrekking tot de oplichtingen ten aanzien van de aandelen in IFH en TE in de kern een bijzonder grote overeenkomst heeft. Tevens stelt de rechtbank vast dat verdachte ook bij de verkoop van de aandelen in TE een leidinggevende positie heeft vervuld. Dit vormt op zichzelf al een sterke aanwijzing dat verdachte ook wat betreft TE, net als bij IFH, op de hoogte is geweest van de aan beleggers gepresenteerde onjuistheden. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden vast: Aan de beleggers belegger 87, belegger V. en belegger 14 – aan wiens verklaringen de rechtbank geen reden ziet te twijfelen – is door verdachte of medeverdachte Marc van D. voorgehouden dat sprake was van een aandelenemissie. Deze informatie was vals en in strijd met de waarheid. De aandelen in TE die aan beleggers zijn verkocht, betroffen aandelen in handen van een bestaande aandeelhouder, in geval van belegger 87 en belegger V. W&M. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het om bestaande aandelen ging. Uit deze verklaring van verdachte volgt dat hij wist dat de aan de beleggers – deels door hemzelf – verstrekte informatie vals was. Het feit dat in de contracten tussen W&M en de beleggers wel was vermeld (overigens in de Engelse taal) dat het ging om een transactie inzake bestaande aandelen, doet aan het misleidende karakter van de onjuiste mededelingen omtrent de emissie niet af. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat beleggers vanwege dit enkele feit de oplichting hadden moeten doorzien. Niet uit het oog mag worden verloren dat aan de ondertekening van de contracten een of meer, vaak indringende gesprekken zijn voorafgegaan, juist in welke gesprekken de beleggers door het samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot de aankopen van de aandelen. Verder is aan de beleggers belegger 87 en belegger V. medegedeeld dat hun inleg volledig zou worden besteed aan de aankoop van de aandelen in TE en dat er op deze inleg geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht. Deze informatie – die in het geval van belegger 87 door verdachte zelf is verstrekt – was eveneens vals en in strijd met de waarheid. Dat verdachte van die valsheid wetenschap had, blijkt uit het feit dat hij ter terechtzitting heeft erkend dat hij wist dat DD BV 50% van de inleg van de beleggers ontving en dat hij en zijn medeverdachten uit deze geldstroom werden betaald. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het daarbij ging om aanzienlijke bedragen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder nog af dat verdachte ook bij de verkoop van de aandelen in TE moet hebben geweten dat medeverdachte Rabih F. zich, in het contact met belegger belegger 107, heeft bediend van de alias ‘Robert den Hartog’. In aanvulling op hetgeen hierover met betrekking tot de verkoop van aandelen in IFH is overwogen, leidt de rechtbank dit in het bijzonder af uit hun gezamenlijke betrokkenheid bij de contacten met belegger belegger 107. Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat DD BV samen met anderen in gesprekken bewust leugenachtige en misleidende informatie over de aandelen in TE aan de beleggers heeft verstrekt. Dit had tot doel hen te bewegen over te gaan tot aankoop van aandelen in TE. Het kan – gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen – niet anders zijn dan dat verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder van DD BV, ten tijde van die gedragingen wetenschap heeft gehad van de gepresenteerde onjuistheden, welke wetenschap aan DD BV kan worden toegerekend. DD BV en (indirect) verdachte hebben in betekenende mate geprofiteerd van de geldbedragen die de beleggers onder invloed van de valse voorstelling van zaken (het samenweefsel van verdichtsels) hebben afgegeven. De rechtbank acht daarom bewezen dat DD BV bij het medeplegen van het oplichten van de beleggers heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk om zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen en dat verdachte daarbij als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr is opgetreden. Dit alles leidt ertoe dat feit 3 primair betreffende de verkoop van de aandelen in TE is bewezen, voor zover dit ziet op de oplichting van de beleggers belegger 87, belegger V., belegger 107 en belegger 14. Voor het overige zal verdachte worden vrijgesproken. 3.3.3.2. Opdracht geven tot, dan wel feitelijk leiding geven aan, medeplegen van overtreding van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht, begaan door een rechtspersoon (feit 4 primair) Dit feit betreft de verdenking van het opdracht geven tot, dan wel feitelijk leiding geven aan, het medeplegen van overtreding van artikel 2:96 Wft inzake de verkoop van de aandelen in IFH en TE. Ingevolge het eerste lid van artikel 2:96 Wft is het verboden in Nederland zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verleende vergunning beleggingsdiensten te verlenen of beleggingsactiviteiten te verrichten. Onder het verlenen van een beleggingsdienst wordt blijkens artikel 1:1 Wft onder andere verstaan het in de uitoefening van een beroep of bedrijf ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten (sub
  7. a)en het in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten (sub d). Uit hoofde van hetzelfde artikel worden als financiële instrumenten onder meer effecten aangemerkt en omvat de definitie van effecten mede verhandelbare aandelen en daarmee gelijk te stellen verhandelbare waardebewijzen. De in de tenlastelegging genoemde aandelen in IFH en TE zijn derhalve aan te merken als financiële instrumenten in de zin van de Wft. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het als opdrachtgever c.q. feitelijk leidinggever (van/aan DD BV) of (mede)pleger hebben overtreden van de vergunningplicht. Primair is daartoe aangevoerd dat in de tenlastelegging (kort gezegd) aan verdachte is verweten dat hij beleggingsdiensten heeft verleend en/of beleggingsactiviteiten heeft verricht door het verkopen en/of aanbieden van de aandelen in IFH en TE, terwijl deze termen niet vallen onder de definitie van beleggingsdiensten of beleggingsactiviteiten in de Wft. Daarom kan volgens de verdediging een bewezenverklaring van het verkopen en/of aanbieden van de aandelen niet leiden tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde overtreding van de vergunningplicht. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de termen verkopen en aanbieden van aandelen (effecten) in de Wft wél een eigen betekenis hebben en dat daarvoor geen vergunning is vereist. Meer subsidiair is vrijspraak bepleit omdat de activiteiten van verdachte inzake de aandelen in IFH en TE niet kunnen worden aangemerkt als het verkopen en/of aanbieden van aandelen, nu hij (via DD BV) enkel als tussenpersoon is opgetreden. Activiteiten vergunningplichtig? Vaststaat dat met tussenkomst van DD BV, verdachte en zijn medeverdachten, aandelen in IFH en TE zijn aangekocht door beleggers in Nederland. Verdachte, noch zijn medeverdachten, IFH (inzake de aandelen in IFH), W&M (inzake de aandelen in TE) of aan hen gelieerde organisaties beschikten over een vergunning van de AFM. De rechtbank dient te beoordelen of de activiteiten die in dit verband met de aandelen in IFH en TE zijn verricht, vergunningplichtig zijn uit hoofde van artikel 2:96 Wft. Over zijn betrokkenheid bij de aandelen in IFH heeft verdachte zelf verklaard dat hij namens zijn vennootschap DD BV afspraken heeft gemaakt met Jürgen S. Naar aanleiding van die afspraken heeft verdachte mensen geregeld om de aandelen in IFH te verkopen. Dit waren onder andere de (gewezen) medeverdachten Rabih F., Gert-Jan T. en Leon L. Van de verkoopopbrengst van de aandelen ging vijftig procent naar verdachte en zijn medewerkers. Verdachte ontving het geld en betaalde vergoedingen uit aan de verkopers op basis van de klanten die ze hadden ‘geschoten’. Over zijn betrokkenheid bij de aandelen in TE heeft verdachte verklaard dat hij namens DD BV met W&M een overeenkomst heeft gesloten om zich te gaan inspannen voor de verkoop van de aandelen in TE. Het idee was ook hier dat verdachte een team van agenten zou gaan samenstellen en dat DD BV bij elke verkoop vijftig procent van de inleg van de belegger zou ontvangen. Dat is ook zo gebeurd. De in de tenlastelegging genoemde belegger belegger 87 heeft verdachte zelf bezocht. Hij heeft belegger 87 gezegd dat TE hem een goede investering leek. Ook de niet bij naam in de tenlastelegging genoemde belegger belegger 14 heeft verdachte bezocht. Verdachte heeft beide beleggers de contracten voor de aankoop van de aandelen in TE aangeboden. Onder 3.3.3.1. is reeds overwogen dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangemerkt als leidinggevende over het verkoopproces van de aandelen in IFH en in TE, dat in beide gevallen in opdracht van DD BV werd gedaan. Bewezen wordt verklaard dat DD BV in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aandelen in IFH en TE heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de beleggers belegger 1, belegger 2, belegger 3, belegger 5 en belegger 4, die aandelen in IFH hebben aangekocht, en de beleggers belegger 87, belegger V., belegger 107 en de niet bij naam in de tenlastelegging genoemde belegger 14, die aandelen in TE hebben aangekocht. Bewezen wordt verder verklaard dat verdachte hierbij als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr is opgetreden. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de (verkoop)activiteiten die de organisaties van verdachte en zijn medeverdachten inzake de aandelen in IFH en TE hebben verricht, zijn te kwalificeren als het verlenen van een beleggingsdienst in de zin van artikel 1:1 Wft, voor zover die activiteiten betrekking hebben gehad op Nederlandse beleggers. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat binnen de verkooporganisaties waaraan verdachte leiding gaf, in de eerste plaats de in artikel 1:1 sub d Wft bedoelde activiteit werd verricht, te weten het in de uitoefening van beroep of bedrijf adviseren over financiële instrumenten. Verdachte en zijn medeverdachten hebben immers gepersonaliseerde aanbevelingen gedaan aan cliënten, met betrekking tot een transactie die verband houdt met financiële instrumenten. Daarnaast is zogenoemde orderremise verricht als bedoeld in artikel 1:1 sub a Wft, omdat verdachte en zijn medeverdachten de aankoopgegevens van de cliënten, beleggers hebben doorgeleid – inclusief aantal aan te kopen aandelen en prijs – ter opmaking van de contracten. Daarbij ging het in beide gevallen om bestaande aandelen, in handen van een bestaande aandeelhouder. Blijkens de wetsgeschiedenis valt onder orderremise niet alleen het doorgeven van orders aan een beleggingsinstelling, maar is daaronder ook te begrijpen het in contact brengen van twee of meer beleggers met het oog op de verwezenlijking van transacties in financiële instrumenten (vgl. CAG mr. Wissink, ECLI:NL:PHR:2019:1203, vanaf 4.35). Voorts merkt de rechtbank nog op dat het verweer dat verdachte niet betrokken was bij de verkoop van de aandelen, maar dat hij enkel als tussenpersoon zou zijn opgetreden, lastig te rijmen valt met de afspraken c.q. overeenkomst die verdachte namens DD BV is aangegaan met Jürgen S. inzake IFH en W&M inzake TE, waarin met zoveel woorden is vermeld dat de door verdachte te verrichten activiteit de verkoop van aandelen betreft. De conclusie luidt dat de activiteiten van DD BV, verdachte en zijn medeverdachten, zijn aan te merken als verkoop van aandelen in IFH en TE, zoals vermeld in de tenlastelegging, en voorts dat deze activiteiten kwalificeren als het verrichten van beleggingsdiensten in de zin van artikel 1:1 Wft, waarvoor ingevolge artikel 2:96 Wft een vergunning was benodigd. Dat de term ‘verkoop’ als zodanig niet in de artikelen 1:1 en 2:96 Wft is opgenomen, doet daaraan niet af. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat, naast de hierboven genoemde beleggers, ook de in de tenlastelegging genoemde belegger belegger 59 en andere beleggers c.q. personen aandelen in TE hebben aangekocht. Hoewel medeplegen van oplichting door DD BV in hun gevallen niet is bewezen, kan uit de bewijsmiddelen wel worden opgemaakt dat DD BV ook bij de verkoop van de aandelen in TE aan deze beleggers in nauwe en bewuste samenwerking met anderen is opgetreden en daaraan een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de overtreding van de vergunningplicht. Gelet op zijn positie binnen de organisatie en het feit dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder was van DD BV, acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook in deze gevallen is opgetreden als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr. Dit alles betekent dat een bewezenverklaring zal volgen ten aanzien van het zonder de daarvoor vereiste vergunning verlenen van beleggingsdiensten aan alle bij naam in de tenlastelegging van feit 4 primair genoemde beleggers (met uitzondering van de in België woonachtige belegger 4) en ‘andere beleggers/personen’. Opzet en gewoonte De vraag die vervolgens nog dient te worden beantwoord is of de vergunningplicht opzettelijk is overtreden. Daartoe is van belang dat in het economisch strafrecht het in de delictsomschrijving dan wel in de strafbepaling opgenomen begrip opzet dient te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dit betekent dat verdachtes opzet slechts gericht hoeft te zijn op de strafbaar gestelde gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. In dit geval houdt dat in dat het opzet gericht diende te zijn op het verlenen van de beleggingsdiensten, zonder dat daarvoor een vergunning was verleend. Dat verdachte (en daarmee DD BV) wist dat inzake de verkoop van de aandelen in IFH van een vergunning geen sprake was, volgt uit de verklaring van medeverdachte Leon L., aan wie verdachte heeft laten weten dat een vergunning van de AFM niet nodig was, omdat er belegd werd boven een bedrag van € 50.000,-. Aan het opzetvereiste is daarmee voldaan. Vanwege de leidinggevende rol van verdachte binnen de organisatie kan het naar oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat hij ook inzake de (kort hierop volgende) verkoop van de aandelen in TE wist dat er geen vergunning van de AFM was voor de verkoopactiviteiten. Ook deze wetenschap wordt aan DD BV toegerekend. Gelet op de mate van professionaliteit van de organisaties en de bestaansduur daarvan gedurende meerdere maanden/jaren is de rechtbank voorts van oordeel dat DD BV en verdachtes medeverdachten van het opzettelijk verlenen van beleggingsdiensten zonder vergunning een gewoonte hebben gemaakt en verdachte ook hieraan opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. Ook dit onderdeel van de tenlastelegging zal daarom bewezen worden verklaard. Het zal door de rechtbank echter niet als zodanig worden gekwalificeerd, nu deze strafverzwaringsgrond ten tijde van het bewezen verklaarde nog niet in de wet was opgenomen. 3.3.3.3. Opdracht geven tot, dan wel feitelijk leiding geven aan, medeplegen van valsheid in geschrift en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, begaan door een rechtspersoon (feit 5 primair) Verdachte wordt onder feit 5 verweten dat hij (primair: als opdrachtgever en/of feitelijk leidinggever, subsidiair: zonder die hoedanigheden) was betrokken bij het medeplegen van het valselijk opmaken en/of het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften, namelijk een e-mail (D-178), een brochure (D-178a) en een bedrijfsvoorstelling (D-178b) over (de aandelen
  8. in)IFH. Deze geschriften zijn aan potentiële beleggers verstrekt om hen te informeren over en te bewegen tot de aankoop van aandelen in IFH. De rechtbank moet beoordelen of in deze verstrekte geschriften valsheden stonden vermeld en zo ja, of, en in hoeverre, verdachte bij het opmaken en het gebruik maken van die valse geschriften betrokken was (al dan niet middels DD BV). Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank – net als hiervoor ten aanzien van de oplichting in dit zaaksdossier is gedaan – beoordelen of het opzet van verdachte op dit valselijk opmaken en/of gebruik maken (als ware de geschriften echt en onvervalst) was gericht en of zijn bijdrage kan worden gezien als die van een opdrachtgever/feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 lid 2 sub 2 Sr respectievelijk een medepleger. Bij het beantwoorden van deze vragen zal de rechtbank het juridisch kader ten aanzien van het valselijk opmaken en het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften zoals vermeld in 3.3.2.2. als uitgangspunt nemen. Partiële vrijspraak t.a.v. enkele gedachtestreepjes De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde mededelingen over de actuele waardebepaling van IFH en het aantal vaste medewerkers en stagiaires van IFG en/of haar dochterfirma’s, valsheden betreffen. Verdachte zal van deze gedachtestreepjes worden vrijgesproken. Wat betreft de mededeling dat de actuele waardebepaling van IFH € 20.000.000,- was, overweegt de rechtbank overigens dat deze mededeling in de brochure is genuanceerd, doordat daarbij is vermeld dat deze waardebepaling voor discussie vatbaar is. Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat de mededelingen dat IFH een goed draaiend bedrijf was en dat IFH zich bezighield met de professionele begeleiding van modelabels niet conform de waarheid zijn, is de rechtbank, alles afwegende, ook ten aanzien van deze mededelingen van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat zij vals zijn. Verdachte zal daarom ook van deze gedachtestreepjes worden vrijgesproken. De rechtbank merkt overigens op dat het de vraag is of de mededeling dat IFH een goed draaiend bedrijf was, wel (met zoveel woorden) in een of meer van de ten laste gelegde geschriften is vermeld, of dat het hier (net zoals in het zaaksdossier IS/PC) gaat om een eigen invulling, interpretatie, van de opsteller(
  9. s)van de tenlastelegging. Partiële vrijspraak t.a.v. het geschrift IFG Bedrijfsvoorstelling Omdat de overige in de tenlastelegging genoemde vermeende valsheden niet in de bedrijfsvoorstelling (D-178b) zijn vermeld, moet vrijspraak wat betreft dit geschrift volgen. Beoordeling t.a.v. de aandelenemissie en de 100% besteding van de beschikbare middelen Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde mededelingen dat de aandelen in IFH deel uitmaakten van een aandelenemissie en dat de beschikbare middelen voor 100% voor de dochterondernemingen gebruikt zouden worden (voor de realisering van een aantal plannen), vals en in strijd met de waarheid zijn. Deze mededelingen stonden vermeld in de ten laste gelegde e-mail (D-178), wat betreft de aandelenemissie, en de brochure van IFG (D-178a), wat betreft de 100% besteding van de beschikbare middelen. Het gaat om informatie die niet overeenstemt met de werkelijkheid en die aan potentiële beleggers is voorgespiegeld om hen te bewegen tot aankoop van de aandelen in IFH. Zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen, staat vast dat de aandelen in IFH die aan potentiële beleggers werden aangeboden, geen deel uitmaakten van een aandelenemissie, maar herplaatste (en dus bestaande) aandelen waren (van onder andere Jürgen S.). Daarnaast zouden de beschikbare middelen niet voor 100% worden gebruikt voor de dochterondernemingen (voor de realisering van een aantal plannen), nu volgens een vooraf gemaakte afspraak 50% van de door beleggers voor de aandelen betaalde koopsom naar DD BV zou vloeien. Daarmee is aan potentiële beleggers bewust een onjuistheid gepresenteerd om hen te kunnen misleiden. Betrokkenheid van verdachte Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan (
  10. i)het valselijk opmaken door DD BV van de e-mail met het oogmerk deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken, en (
  11. ii)het opzettelijk gebruikmaken daarvan door DD BV. De tekst van dit geschrift is door verdachte opgemaakt en was bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Daarna is het geschrift gebruikt bij de verkoop van de aandelen in IFH aan belegger belegger 1, doordat medeverdachte Leon L. de e-mail op verzoek van verdachte aan belegger 1 heeft verzonden. Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank verder bewezen dat DD BV in nauwe en bewuste samenwerking met een ander (Jürgen S.) de hierboven genoemde brochure valselijk heeft opgemaakt, waar het de 100% besteding van de beschikbare middelen betreft, met het oogmerk deze als echt en onvervalst te (doen) gebruiken, en ook daadwerkelijk (in nauwe en bewuste samenwerking met anderen, onder wie Rabih F.) opzettelijk daarvan gebruik heeft gemaakt. Verdachte heeft ook aan deze strafbare feiten feitelijk leiding gegeven en daartoe opdracht gegeven. Dit geschrift is mede door verdachte opgemaakt en was bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Daarna is het geschrift door verdachte en zijn medeverdachten gebruikt bij de verkoop van de aandelen in IFH en daartoe aan (potentiële) beleggers verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte – gelet op zijn bijdrage, zijn wetenschap van de aan potentiële beleggers gepresenteerde onjuistheden en zijn oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, zoals hiervoor onder 3.3.3.1 is overwogen – en daarmee (ook) DD BV heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk van misleiding en dat ook overigens het daarvoor vereiste opzet bij verdachte heeft bestaan. Dit alles leidt ertoe dat feit 5 primair is bewezen. 3.3.4. QCP 3.3.4.1. Medeplegen van oplichting (feit 6) Verdachte wordt onder feit 6 verweten dat hij als medepleger was betrokken bij de oplichting van een groot aantal personen, waaronder de in de tenlastelegging genoemde beleggers, aangaande de verkoop van vrijwillige CO2 emissierechten. Deze vrijwillige CO2 emissierechten zijn vanaf juli 2012 aan Nederlandse beleggers aangeboden door QCP, vanuit Nederland en Duitsland. De rechtbank moet beoordelen of bij de verkoop van deze vrijwillige CO2 emissierechten sprake is geweest van oplichting en zo ja, of en in hoeverre verdachte daarbij betrokken was. Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank beoordelen of het opzet van verdachte op die eventuele oplichting was gericht en of zijn bijdrage daaraan kan worden aangemerkt als die van een medepleger. Bij het beantwoorden van deze vragen zal de rechtbank het hiervoor in 3.3.2.1. vermelde kader ten aanzien van oplichting tot uitgangspunt nemen. Partiële vrijspraak ten aanzien van belegger belegger 60 Ten aanzien van de belegger belegger 60 is de rechtbank van oordeel dat op grond van het dossier – waaronder de eigen verklaringen van belegger 60 – niet wettig en overtuigend is bewezen dat zij door één of meer van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen is bewogen tot de aankopen van de vrijwillige CO2 emissierechten en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of in de ten laste gelegde periode oplichting heeft plaatsgevonden bij de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten aan de beleggers belegger 91, belegger 94, belegger 93, belegger 78, belegger 92, belegger 96 en belegger 95, alsmede een (groot) aantal andere, niet bij naam in de tenlastelegging genoemde beleggers. Oplichting Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de bovengenoemde zeven beleggers in de vrijwillige CO2 emissierechten door een samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot het aangaan van één of meer overeenkomsten voor de aankoop van deze emissierechten en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Dat samenweefsel van verdichtsels bestond uit – kort en zakelijk weergegeven – de mededelingen dat QCP een groot verkoopkantoor in emissierechten was en al geruime tijd bestond, de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten, er (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht, vrijwillige CO2 emissierechten een goede investeringsmogelijkheid waren voor particulieren en over het algemeen altijd hun waarde behielden en dat QCP zich bezig hield met het offsetten van emissierechten bij bedrijven en over een eigen offsetafdeling beschikte. Voorgewend is (aldus) dat ten aanzien van QCP sprake was van een bonafide organisatie, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Andere in de tenlastelegging genoemde mededelingen hebben de genoemde beleggers niet bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten voor de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De beleggers belegger 91, belegger 94, belegger 93, belegger 78, belegger 92, belegger 96 en belegger 95 zijn naar aanleiding van aan hen gedane, deels onjuiste, leugenachtige, mededelingen (zoals de mededeling dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten) bewogen tot de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en de afgifte van geldbedragen daarvoor. Deze geldbedragen zijn echter voor het grootste deel niet besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten, zoals hen wel was voorgespiegeld. De betalingen voor de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten zijn door vrijwel alle beleggers gedaan op de ING-bankrekening van QCP, waarvan medeverdachte Daan K. gemachtigde/beheerder was, waarna een groot deel van het geld door deze medeverdachte via de bankrekening van Agon in Denemarken is doorgesluisd naar verdachte en zijn medeverdachten. Gebleken is dat maar een klein percentage van de door de beleggers ingelegde gelden is besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten, via de beheerdersmaatschappijen WCO2 en V&S. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de hierboven bewezen geachte mededelingen in gesprekken met de beleggers zijn gedaan, en ook in de aan hen toegezonden/uitgereikte brochure ‘Timing is money’. Niet al deze mededelingen kunnen zonder meer worden gezien als leugenachtig. De rechtbank kan wat betreft de mededelingen dat vrijwillige CO2 emissierechten een goede investeringsmogelijkheid waren voor particulieren en dat QCP zich bezighield met het offsetten van emissierechten bij bedrijven, niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze als zodanig echt vals en in strijd met de waarheid zijn. Zoals eerder is overwogen, is dat voor een bewezenverklaring evenwel niet vereist. Uit de bewijsmiddelen is wel gebleken dat deze mededelingen steeds zijn gebruikt in combinatie met één of meerdere leugenachtige mededelingen van voldoende gewicht en dat zij hebben bijgedragen aan de misleiding van de beleggers en het vertrouwen dat door QCP bij hen was gewekt. Wat betreft de mededeling dat vrijwillige CO2 emissierechten een goede investeringsmogelijkheid waren voor particulieren is van belang dat tegenover de beleggers is verzwegen dat het overgrote deel van de door hen te investeren gelden in het geval van QCP niet aan de aankoop van de emissierechten zou worden besteed, als gevolg waarvan de kansrijkheid van de investering aanzienlijk geringer was dan door de beleggers kon worden verondersteld op basis van hetgeen hen werd voorgespiegeld. Wat betreft de mededeling dat QCP zich bezighield met het offsetten van emissierechten bij bedrijven, geldt dat in de dossierstukken aanwijzingen zijn te vinden die erop lijken te duiden dat medeverdachte Daan K. namens QCP enige activiteiten heeft verricht om toekomstige offset van emissierechten (ofwel: doorverkoop aan bedrijven) te bewerkstelligen, zodat niet kan worden vastgesteld dat QCP zich daarmee in het geheel niet bezighield. Dat QCP over een eigen offsetafdeling beschikte, hetgeen ook aan beleggers is voorgespiegeld, is echter niet juist. De rechtbank stelt verder vast dat medeverdachte Daan K. er namens QCP ook (nog) niet in was geslaagd klanten te vinden voor de offset en daarmee afspraken te maken. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan beleggers is medegedeeld dat zij hun vrijwillige CO2 emissierechten eenvoudig via QCP aan de offsetmarkt zouden kunnen doorverkopen. Ook dat was dus ten onrechte en heeft de beleggers op het verkeerde been gezet. Als de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de aan de beleggers gedane (deels dus leugenachtige) mededelingen in onderling verband en samenhang worden bezien, is voor de rechtbank duidelijk dat bij de beleggers door dat samenweefsel een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen. Nog andere beleggers? Uit de bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat naast de in de tenlastelegging expliciet genoemde beleggers ook de beleggers belegger 79, belegger 90, belegger 66 en belegger 64 door het bovengenoemde samenweefsel van verdichtsels zijn bewogen tot de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en, in verband daarmee, de afgifte van geldbedragen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze andere beleggers op dezelfde wijze zijn misleid. De rechtbank leidt dat af uit hun getuigenverklaringen en uit de omstandigheid dat de door hen afgegeven geldbedragen naar dezelfde ING-bankrekening van QCP zijn overgemaakt (waarvan medeverdachte Daan K. gemachtigde/beheerder was) en dat vervolgens een groot deel daarvan – in de meeste gevallen via de eerdergenoemde bankrekening van Agon in Denemarken – is terechtgekomen bij verdachte en zijn medeverdachten. Ten aanzien van andere beleggers die wel in het dossier maar niet bij naam in de tenlastelegging zijn genoemd (waaronder belegger 97) geldt dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat zij door één of meer van de in de tenlastelegging genoemde oplichtingsmiddelen – met name het samenweefsel van verdichtsels – zijn bewogen tot de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten. Verdachte zal in zoverre worden vrijgesproken. Concluderend acht de rechtbank bewezen dat door een samenweefsel van verdichtsels een ‘aantal personen’, waaronder de bij naam in de tenlastelegging genoemde beleggers (met uitzondering van belegger 60), is bewogen tot de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten. Het bij pleidooi gedane (voorwaardelijke) verzoek van de verdediging om – zo begrijpt de rechtbank – het onderzoek te heropenen en de andere dan de expliciet in de tenlastelegging genoemde beleggers als getuigen te horen, wordt afgewezen. Voor de beoordeling van dit verzoek, dat (met uitzondering van het verzoek om belegger 90 te horen) niet eerder is gedaan, is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing, namelijk de vraag of het door de verdediging verzochte onderzoek noodzakelijk is voor de beantwoording door de rechtbank van de vragen van, in dit geval, artikel 350 Sv. Naar het oordeel van de rechtbank zijn door de verdediging geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht, die het (nogmaals) horen van de andere beleggers noodzakelijk maken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de FIOD behalve de in de tenlastelegging genoemde beleggers ook de genoemde beleggers belegger 79, belegger 90, belegger 66 en belegger 64 heeft gehoord. Op verzoek van de verdediging is belegger 90 daarna ook nog als getuige bij de rechter-commissaris ondervraagd. Uit de verklaringen van deze vier beleggers komt, zoals vermeld, geen ander beeld naar voren over de werkwijze van QCP en de reden waarom zij zijn bewogen tot het aangaan van de overeenkomsten en de afgifte van de geldbedragen dan uit de verklaringen van de andere – expliciet in de tenlastelegging genoemde – beleggers. De rechtbank ziet in het licht hiervan geen noodzaak om nog andere beleggers als getuigen te horen. Betrokkenheid van verdachte: medeplegen en oogmerk De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of, en zo ja in hoeverre, verdachte betrokken is geweest bij de hiervoor vastgestelde oplichting van de beleggers in deze aandelen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode werkzaamheden heeft verricht voor de in juli 2012 opgerichte Engelse vennootschap QCP. Het doel van QCP was het verkopen van vrijwillige CO2 emissierechten aan beleggers. In Engeland waren bij QCP onder meer betrokken Steve W. en Stephen W. Als directeur van QCP was ingeschreven Jerome S. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij door Stephen W. is benaderd in het kader van de handel in vrijwillige CO2 emissierechten en dat hij vervolgens samen met Stephen W. en Steve W. gesprekken hierover heeft gevoerd. Verdachte heeft verklaard dat hij van mening was dat de verkoop van deze emissierechten interessant kon zijn voor de Nederlandse markt. Verdachte heeft hierover vervolgens besprekingen gevoerd met medeverdachten Daan K. en Marc van D., waarna het verkoopkantoor van Marc van D. in Duitsland bij wijze van ‘pilot’ is begonnen met de verkoop van vrijwillige CO2 emissierechten aan Nederlandse beleggers. Vervolgens hebben verdachte en medeverdachten Daan K. en Marc van D. meer personen benaderd om de emissierechten in Nederland te verkopen. Dit heeft geresulteerd in een tweetal aanvullende verkoopkanalen, aangeduid als ‘kantoor Eindhoven’ en ‘kantoor WTC’ (Amsterdam). Voor het opzetten van het verkoopkantoor in Eindhoven zijn Humphrey E. en medeverdachte Walter F. benaderd, die een kantoorruimte hebben gehuurd en personeel hebben aangetrokken om de emissierechten te verkopen. Voor kantoor WTC is medeverdachte John H. benaderd, die zijn contacten Anton E. en Arnold S. heeft aangezocht om de emissierechten aan beleggers aan te bieden. Vanuit al deze drie verkoopkanalen zijn (potentiële) klanten door verkopers benaderd en zijn de vrijwillige CO2 emissierechten verkocht aan onder meer de bovengenoemde beleggers. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte met zijn medeverdachte Daan K. in meerdere opzichten de regie heeft gehouden over de informatievoorziening aan en de bedrijfsvoering van de verkoopkanalen. Medeverdachte Marc van D. werd daarbij veelal betrokken en steeds op de hoogte gehouden. Hun onderlinge overleg is in een afgeluisterd telefoongesprek van 23 april 2013 ook wel aangeduid als ‘de dinsdagmorgenkoffiedriehoek’. Ten aanzien van de verkoop oefenden verdachte en medeverdachte Daan K. bij kantoor Eindhoven en kantoor WTC controle uit over de productinformatie en de inhoud van de verkoopgesprekken. Zij gingen meermalen op bezoek op het kantoor Eindhoven om de verkopers te voorzien van informatie. Tevens voerden zij (telefonisch of in persoon) overleg met de leiding van dit kantoor (Walter F. en Humphrey E.), maakten zij afspraken over de voortgang van de werkzaamheden en lieten zij zich van de vorderingen ten aanzien van de verkoop steeds op de hoogte brengen. Medeverdachte Marc van D. was onder andere bij het kantoor Eindhoven betrokken doordat hij daar met enige regelmaat verkooptrainingen gaf aan de verkopers en op basis van een ‘leadovereenkomst’ klanten benaderde bij wie het eerste contact door kantoor Eindhoven was gelegd. Ook met het kantoor WTC, in de persoon van medeverdachte John H., werd intensief contact onderhouden. Voorts zijn de website van QCP en de brochure ‘Timing is money’, die op de website was geplaatst en aan potentiele beleggers is verstrekt, onder verantwoordelijkheid van verdachte en medeverdachte Daan K. tot stand gekomen. De website is in opdracht van medeverdachte Daan K. gebouwd, maar ook verdachte heeft zich intensief met de inhoud van deze website bemoeid. Hij kon daarop zelfstandig wijzigingen doorvoeren. Voor de brochure heeft medeverdachte Daan K. de teksten aangeleverd. Wanneer een belegger besloot over te gaan tot aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten, werd de administratieve afhandeling daarvan door medeverdachte Daan K. gedaan. Hij verzond de contracten, ontving deze ondertekend retour en controleerde de inhoud. Als de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten was voltooid, boekte de belegger, volgens het contract, de aankoopsom over naar in de regel de ING-bankrekening van QCP. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat medeverdachte Daan K. met een (gering) gedeelte van het aldus ontvangen geldbedrag vervolgens emissierechten inkocht bij de beheerdersfirma’s WCO2 en V&S. Per emissierecht bedroeg de door QCP gehanteerde aankoopprijs voor de belegger namelijk € 8,- à € 9,-, terwijl de inkoopprijs voor QCP circa € 2,- bedroeg. Verdachte en ook medeverdachte Marc van D. waren, via medeverdachte Daan K., op de hoogte van deze inkoopprijs per emissierecht. De rest van het ontvangen bedrag werd – al dan niet met tussenkomst van de Deense firma Agon – uitbetaald aan medeverdachte Daan K., verdachte en medeverdachte Marc van D. en eventuele andere betrokkenen bij de verkoop aan de betreffende belegger. Over de verdeling van het geld hebben verdachte, Daan K. en Marc van D. gezamenlijk afspraken gemaakt. Uit voornoemde feiten en omstandigheden en uit de verklaringen van medeverdachten en verkopers van QCP volgt dat verdachte een leidinggevende rol heeft gehad bij het hiervoor omschreven verkoopproces van de vrijwillige CO2 emissierechten. Dit volgt ook uit de omstandigheid dat verdachte in de positie was een korting te geven op de verkoopprijs van de emissierechten. Zo volgt uit een afgeluisterd telefoongesprek van 8 mei 2013, tussen verdachte en verkoper Iwan van E., dat verdachte (bij de verkoop aan belegger belegger B.) een korting voorstelt van € 0,50 per credit en uitkomt op een prijs van € 7,90 in plaats van € 8,40. Voorts bepaalt verdachte in dat gesprek dat de commissie van Iwan van E. 10% zal zijn. Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte voor zijn werkzaamheden voor QCP een aanzienlijke vergoeding heeft ontvangen. De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de vrijwillige CO2 emissierechten heeft verkocht en daarbij een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd om te kunnen spreken van medeplegen ten aanzien van de oplichting van de beleggers die hiervoor zijn genoemd. Ten slotte moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte het vereiste oogmerk heeft gehad op de wederrechtelijke bevoordeling zoals bedoeld in artikel 326 Sr. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in dit verband de volgende feiten en omstandigheden vast: De rechtbank trekt uit afgeluisterde telecommunicatie tussen verdachte en medeverdachte Daan K., in combinatie met e-mailcorrespondentie, de conclusie dat verdachte ervan op de hoogte moet zijn geweest dat Jerome S. slechts op papier directeur was van QCP. Zo wordt in een afgetapt telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte Daan K. besproken dat ze van ‘hem’ af willen. Verder volgt uit e-mailcorrespondentie dat verdachte en medeverdachte Daan K. met Steve W. communiceren via het e-mailadres [abc]@gmail.com. Zo stuurt medeverdachte Daan K. op 22 november 2012 een bericht naar dit adres, met verdachte in de cc, welk bericht hij aanvangt met “Dear Steven” en waarin hij een aantal vragen stelt met onder andere vermelding van de namen “WCO2” en “naam belegger”. Op diezelfde datum wordt vanaf dit e-mailadres gereageerd met onder meer de mededeling: “I am meeting with Jerome to collect post etc” (D-1306). Voorts wijst de rechtbank op een e-mailbericht vanaf dit adres van 2 januari 2013, gericht aan medeverdachte Daan K. en verdachte, waarin onder meer wordt gezegd: “Jerome opened the letter for me today” en “need to attend the bank with Jerome, who I shall also see tomorrow” (D-1307). Jerome S., die feitelijk werkzaam was als chauffeur, werd enkel gebruikt als stroman, onder andere bij het op zijn naam openen van de ING-bankrekening van QCP in Nederland. Derhalve moest kennelijk voor de buitenwereld verborgen blijven welke persoon in werkelijkheid de leiding had over QCP in Engeland, namelijk Steve W. Dit is voor de rechtbank een belangrijke aanwijzing dat verdachte wist dat QCP geen bonafide organisatie was, nu in geval van bonafide gedragingen de noodzaak van gebruikmaking van een stroman doorgaans zal ontbreken. Voorts blijkt uit een e-mail van Stephen W. aan verdachte van 17 december 2012, die verdachte heeft doorgestuurd aan medeverdachte Daan K. (D-2110), met daarin een link naar een krantenbericht, dat verdachte en medeverdachte Daan K. vanaf dat moment reeds op de hoogte waren van misstanden in Engeland rondom de investeringen in vrijwillige CO2 emissierechten. Volgens het dossier (AH-077be) had het betreffende krantenbericht, vertaald naar het Nederlands, als titel: “Opgepakt: Politie valt kantoren binnen na waarschuwingen voor dreigende oplichtingspraktijken met betrekking tot investeringen met waardeloze CO2-emissierechten.” Uit een afgeluisterd telefoongesprek van 22 maart 2013 blijkt verder dat verdachte en medeverdachte Daan K. kennis hebben genomen van een waarschuwing van APX, een register waarin vrijwillige CO2 emissierechten (“VCU’s”) werden bijgehouden. Deze waarschuwing op de website van APX vermeldt dat APX er sterk in gelooft dat VCU’s geen geschikt investeringsinstrument zijn voor individuele beleggers. De kennisname van zowel het krantenbericht als de waarschuwing van APX duidt erop dat verdachte wist van (kort gezegd) de twijfelachtige deugdelijkheid van de handel in vrijwillige CO2 emissierechten, zoals deze ook door QCP werd uitgevoerd, en de daaraan verbonden risico’s. Door de verkopers is aan beleggers voorgespiegeld dat de inleg volledig of grotendeels zou worden besteed aan de aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en dat er (vrijwel) geen kosten en/of commissies in mindering zouden worden gebracht. Verdachte wist dat dit niet waar was, reeds gelet op zijn (hiervoor al vermelde) wetenschap van de inkoopprijs van deze rechten voor QCP en de verkoopprijs aan de beleggers. Uit de inhoud van onder medeverdachte Daan K. in beslag genomen gegevensdragers blijkt verder dat door verdachte en medeverdachte Daan K. een overzicht is opgesteld (‘Overleg Dalex’ genoemd, naar de voornamen van beide verdachten), waarin per belegger is aangegeven welke (aanzienlijke) bedragen uit diens inleg dienden te worden uitbetaald aan verdachte, zijn medeverdachten en eventuele anderen die bij de verkoop aan de betreffende belegger waren betrokken. Verdachte wist dat het grootste deel van de door de beleggers ingelegde gelden, in strijd met de mededelingen daarover aan de beleggers, niet werd besteed aan de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten, maar door verdachte en zijn medeverdachten werd opgestreken. Tot slot overweegt de rechtbank dat de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten is gestart in een tijd waarin verdachte zich ook nog bezig hield met de verkoop van de aandelen in TE, ten aanzien waarvan de rechtbank eveneens bewezen acht dat daarbij beleggers zijn opgelicht. Tevens is bewezen dat – onder meer – verdachte en medeverdachte Marc van D. daarbij als medeplegers waren betrokken. Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte wist dat het ook bij QCP om oplichting ging, waarvan hij, wederom, aanzienlijk heeft geprofiteerd. Uit al deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leidt de rechtbank af dat verdachte samen met anderen in de brochure en in gesprekken bewust leugenachtige en misleidende informatie over de vrijwillige CO2 emissierechten aan beleggers heeft verstrekt. Dit had tot doel hen te bewegen over te gaan tot aankopen van de vrijwillige CO2 emissierechten. Het kan – gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen – niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van die gedragingen wetenschap heeft gehad van de gepresenteerde onjuistheden. Verdachte heeft een ruime vergoeding ontvangen voor zijn werkzaamheden uit de geldbedragen die de beleggers onder invloed van de valse voorstelling van zaken (het samenweefsel van verdichtsels) hebben afgegeven. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte bij het oplichten van de bovengenoemde beleggers heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste oogmerk om zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen. Dit alles leidt ertoe dat feit 6 is bewezen, voor zover dit ziet op de oplichting van de beleggers belegger 91, belegger 94, belegger 93, belegger 78, belegger 92, belegger 96, belegger 95, belegger 79, belegger 90, belegger 66 en belegger 64. Voor het overige zal verdachte van de ten laste gelegde oplichting worden vrijgesproken. 3.3.4.2. Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift (feit 7) Verdachte wordt onder feit 7 verweten dat hij als medepleger was betrokken bij het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, namelijk de brochure van QCP genaamd ‘Timing is money’ (D-527) over de vrijwillige CO2 emissierechten. Dit geschrift is aan potentiële beleggers verstrekt om hen te informeren over en te bewegen tot de aankoop van vrijwillige CO2 emissierechten. De rechtbank moet beoordelen of in dit verstrekte geschrift valsheden stonden vermeld en zo ja, of en in hoeverre verdachte bij het gebruik maken van het valse geschrift betrokken was. Wat dit laatste betreft, moet de rechtbank beoordelen of het opzet van verdachte op dit gebruik (als ware het geschrift echt en onvervalst) was gericht en of zijn bijdrage kan worden gezien als die van een medepleger. Bij het beantwoorden van deze vragen zal de rechtbank het juridisch kader ten aanzien van het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften zoals vermeld in 3.3.2.2. als uitgangspunt nemen. Partiële vrijspraak t.a.v. enkele gedachtestreepjes De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde mededeling dat de rendementen van verhandelbare, vrijwillige emissierechten in potentie hoog konden zijn (tweede gedachtestreepje, tweede zinsnede) een valsheid betreft. Deze mededeling is daarvoor te algemeen. Van dit gedachtestreepje zal verdachte worden vrijgesproken. Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje overweegt de rechtbank als volgt. In de brochure wordt weliswaar (ten onrechte) de suggestie gewekt dat de verwachte (wereldwijde) markt- en/of prijsontwikkelingen en/of rendementen die golden voor (de handel
  12. in)verplichte emissierechten ook golden voor de handel in vrijwillige emissierechten, maar de rechtbank constateert dat deze mededeling niet, of onvoldoende uitdrukkelijk, in dit geschrift staat vermeld. Hoewel voor een bewezenverklaring niet per se is vereist dat de vermeende valsheid letterlijk in het geschrift is vermeld, omdat de tenlastelegging een zakelijke weergave van de betreffende passages kan behelzen, gaat het naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet om een zakelijke weergave van passages uit de brochure, maar om een interpretatie van die passages. Daarmee is door de opsteller(
  13. s)van de tenlastelegging een eigen invulling aan de inhoud van het geschrift gegeven, hetgeen aan een bewezenverklaring van valsheid in geschrifte in de weg staat. Ook van het vierde gedachtestreepje dient daarom vrijspraak te volgen. Verdere beoordeling en betrokkenheid verdachte Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de in de tenlastelegging vermelde mededelingen dat QCP klein was gestart in 2002 en uitgegroeid was tot een wereldspeler, QCP verhandelbare, vrijwillige CO2 emissierechten aanbood met een uitstekend verwacht rendement, de focus van QCP het optimaliseren van rendement op emissierechten voor investeerders was en dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van (de Zwitserse toezichthouder) Verein zur Qualitätssicherung von Finanzdienstleistungen, bij een door de Verenigde Naties (VN) goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, vals en in strijd met de waarheid waren. Deze mededelingen stonden vermeld in de brochure ‘Timing is money’ (D-527). Het gaat om informatie die niet overeenstemt met de werkelijkheid en die aan potentiële beleggers is voorgespiegeld om hen te bewegen tot aankoop van de vrijwillige CO2 emissierechten. In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat QCP niet in 2002 is gestart, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat deze Engelse vennootschap pas op 25 juli 2012 is ingeschreven in het Engelse handelsregister. Dat QCP niet valt te kwalificeren als wereldspeler volgt reeds uit het gegeven dat QCP, naast de activiteiten van Steven W. in Engeland, zich enkel richtte op de Nederlandse markt en zij daarmee nog in een aanvangsfase verkeerde. Verder bood QCP geen vrijwillige emissierechten aan met een uitstekend verwacht rendement. In 3.3.4.1. is overwogen dat binnen de organisatie van QCP het overgrote deel van de door beleggers geïnvesteerde gelden niet aan de aankoop van emissierechten werd besteed, hetgeen voor de beleggers is verzwegen. De beleggers betaalden € 8,- à € 9,- per emissierecht, terwijl deze emissierechten door QCP voor circa € 2,- werden ingekocht. Om alsnog tot een goed, volgens de brochure uitstekend rendement te komen, zouden de emissierechten derhalve zeer aanzienlijk in waarde moeten stijgen. Uit niets blijkt dat dit redelijkerwijs te verwachten was. Hieruit volgt tevens dat de focus van QCP niet lag op het optimaliseren van rendement op de emissierechten voor investeerders (dat QCP een offset afdeling had, zoals aan beleggers is voorgehouden, klopt in dit verband ook niet), maar veeleer op eigen financieel gewin voor verdachte en zijn medeverdachten. Het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs van de vrijwillige CO2 emissierechten werd als commissie binnen de organisatie uitgekeerd. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank voorts vast dat geen van de beleggers daadwerkelijk de beschikking heeft kunnen krijgen over de door hen aangekochte vrijwillige CO2 emissierechten, dan wel effectief toegang tot deze rechten heeft kunnen krijgen in het register waarin die rechten zouden zijn geregistreerd. Op geen enkele wijze is gebleken dat deze vrijwillige CO2 emissierechten renderen. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de mededeling dat de aangeschafte carbon credits werden bewaard onder de hoofdrekening van een beheerder, die onder het toezicht viel van de genoemde Zwitserse toezichthouder, bij een door de VN goedgekeurd internationaal Carbon Credit Register, eveneens vals en in strijd met de waarheid is. Uit de bij de FIOD afgelegde verklaring van getuige getuige 51 – coördinator registratie emissiehandel van de Nederlandse Emissieautoriteit – blijkt dat de VN registers goedkeurt voor het verplichte systeem van emissiehandel tussen landen (op basis van het Kyoto-protocol). De VN keurt derhalve niet een register goed waarin zich vrijwillige CO2 emissierechten kunnen bevinden en vrijwillige CO2 emissierechten kunnen bijgevolg niet worden gehouden in een register dat door de VN is goedgekeurd. Ook door deze mededeling is de werkelijkheid geweld aan gedaan en aan potentiële beleggers bewust een onjuistheid gepresenteerd om hen te misleiden. Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de hierboven genoemde valse brochure, als ware dit geschrift echt en onvervalst. Dit geschrift, dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, is door verdachte en anderen gebruikt bij de verkoop van de vrijwillige CO2 emissierechten en daartoe aan potentiële beleggers verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarbij – gelet op zijn bijdrage, zijn wetenschap van de aan potentiële beleggers gepresenteerde onjuistheden en zijn oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling, zoals hiervoor onder 3.3.4.1. is overwogen – heeft gehandeld met het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op het gebruik van dit geschrift en het valse karakter daarvan. Dit alles leidt ertoe dat feit 7 is bewezen. 3.3.5. Deelneming aan een “criminele organisatie” (feit 8) Dit feit betreft de verdenking van deelname aan een criminele organisatie op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 5 november 2013. Gelet op de in de tenlastelegging vermelde pleegplaatsen en deelnemers aan het samenwerkingsverband, heeft de opsteller van de tenlastelegging daarbij duidelijk het oog gehad op de door het Openbaar Ministerie als zodanig aangeduide ‘boilerrooms’ in de verschillende zaaksdossiers. De rechtbank begrijpt het verwijt onder feit 8 dan ook aldus dat verdachte wordt verweten – als leider – te hebben deelgenomen aan verschillende ‘boilerrooms’. Het Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van één criminele organisatie die ruim negen jaren actief is geweest. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie hierin niet. De – hierna te beschrijven – afzonderlijke organisaties zijn immers duidelijk van elkaar te onderscheiden. Zo waren zij veelal actief in verschillende periodes en op verschillende plaatsen, terwijl ook steeds andere producten zijn verkocht door een ook weer steeds wisselende groep van personen. Dat de werkwijze in de afzonderlijke organisaties sterke overeenkomsten vertoont en diverse verdachten ook in meerdere organisaties actief zijn geweest, is onvoldoende om te kunnen spreken van één organisatie die onafgebroken actief is geweest. Juridisch kader Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon (ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde is voorts vereist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Dat oogmerk – waartoe in ieder geval het naaste doel dat de organisatie nastreeft moet worden gerekend – zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken. Voor het bewijs van dit oogmerk zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken va

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.