RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8127402 CV EXPL 19-16597 Uitspraakdatum: 6 mei 2020 Verstekvonnis in de zaak van: de naamloze vennootschap ING Bank N.V., te Amsterdam, hierna: ING, gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V., tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , hierna: [gedaagde] , niet verschenen. 1De procedure 1.
- ING heeft [gedaagde] gedagvaard. Tegen [gedaagde] is verstek verleend. Bij tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 12 februari 2020 heeft gedaan. 2De vaststaande feiten 2.
- ING en [gedaagde] hebben op 26 november 2004 een ‘Contract Studentenkrediet’ gesloten, met een kredietlimiet van € 4.500,-. Er is geen einddatum overeengekomen. 2.
- In artikel 8 van de “Voorwaarden Studentenkrediet” (hierna verder: de algemene voorwaarden) staat: “Het aan de bank verschuldigde is, zonder ingebrekestelling, terstond in zijn geheel opeisbaar indien: a. de kredietnemer die gedurende tenminste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen; (...)”. 3De beoordeling 3.
- Bij het tussenvonnis van 15 januari 2020 heeft de kantonrechter ING in de gelegenheid gesteld om de overeenkomst, de algemene voorwaarden, de ingebrekestelling en de opeisingsbrief te overleggen. Daarnaast is ING in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij heeft voldaan aan de wettelijke informatieverplichtingen, alsmede haar zorgplicht. 3.
- Bij akte heeft ING gesteld dat zij heeft voldaan aan de informatie- en zorgplichten. Verder heeft zij gesteld dat zij het krediet juist en terecht ineens heeft opgeëist. ING heeft overgelegd: het contract studentenkrediet met de algemene voorwaarden, de na de opeising verstuurde aanmaningen en sommaties, een “activiteiten overzicht” en specificaties van de vordering. Volgens ING zijn de ingebrekestelling en de opeisingsbrief niet meer te produceren. 3.
- De Wet op het consumentenkrediet (oud) (hierna Wck (oud)) is van toepassing op de onderhavige vordering. Op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef en onder c sub 1 Wck (oud) kan het uitstaande saldo bij een kredietovereenkomst als hier aan de orde enkel rechtsgeldig worden opgeëist indien de kredietnemer, die gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen termijnbedrag, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. 3.
- De kantonrechter is van oordeel dat partijen in artikel 8a van de algemene voorwaarden een opeisingsbeding zijn overeengekomen dat voldoet aan de wet. Opmerking verdient dat de aanhef van artikel 8, afgezet tegen het bepaalde in artikel 8a, niet in duidelijkheid uitblinkt, waar wordt bepaald dat het verschuldigde “zonder ingebrekestelling” terstond in zijn geheel opeisbaar is. 3.
- De vraag die de kantonrechter ambtshalve moet beantwoorden, is of voorafgaand aan de algehele opeising van het krediet door ING een rechtsgeldige ingebrekestelling is uitgebracht. De voor een rechtsgeldige opeising vereiste ingebrekestelling behelst een schriftelijke aanmaning waarbij de schuldenaar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld met een expliciete vermelding dat alleen met betaling van een duidelijk aangegeven bedrag binnen die termijn verzuim en algehele opeising kan worden voorkomen. Die schriftelijke aanmaning moet betrekking hebben op een betalingsachterstand van ten minste twee maanden van een vervallen termijnbedrag. 3.
- ING heeft geen ingebrekestelling overgelegd. De verwijzing in het overgelegde “activiteiten overzicht” naar een “opeisbaarstellingsbrief” van 21 maart 2011 volstaat niet, nog los van het feit dat dit document (kennelijk) strekte tot opeising, niet tot ingebrekestelling. 3.
- De conclusie is dat aan de voorwaarden voor vervroegde opeisbaarheid niet is voldaan. Dit betekent dat het contract studentenkrediet onder dezelfde voorwaarden nog steeds doorloopt. De vordering moet worden afgewezen. 3.
- ING wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde] niet in het geding is verschenen, worden de kosten aan haar zijde begroot op nihil. 4De beslissing: De kantonrechter: wijst de vordering af; veroordeelt ING tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.