vonnis RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rolnummer: C/15/283782 / HA ZA 19-59 Vonnis van 29 april 2020 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 1] B.V., 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2] B.V., 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 3] B.V. in liquidatie, allen gevestigd te [plaats] , eiseressen, advocaat: mr. Y. Borrius te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Eiseressen zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , en gezamenlijk als [eisers] Gedaagde zal [gedaagde] worden genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 januari 2019 van de zijde van [eisers] ; akte overlegging producties met producties 1 tot en met 30 van de zijde van [eisers] ; de incidentele conclusie tot voeging met productie 1 van de zijde van [gedaagde] , waarin hij verzoekt dat de hoofdzaak wordt gevoegd met de door hem aanhangig gemaakte vrijwaringsprocedure tegen [A] ; de conclusie van antwoord in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv van de zijde van [eisers] ; het vonnis in incident van 17 april 2019, waarbij de incidentele vordering tot voeging is afgewezen; de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 15 van de zijde van [gedaagde] ; de akte overlegging productie met productie 31 van de zijde van [eisers] ; de conclusie van repliek met producties 32 tot en met 40 van de zijde van [eisers] ; de conclusie van dupliek met producties 16 tot en met 18 van de zijde van [gedaagde] ; de akte uitlaten producties van de zijde van [eisers] 1.2. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd, en is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser 1] is een groepsholding van een familiebedrijf dat zich onder meer richt op projectontwikkeling. [eiser 2] en [eiser 3] zijn werkmaatschappijen waarvan [eiser 1] indirect enig aandeelhouder is. Aandeelhouder van [eiser 1] is de stichting Stichting Administratiekantoor [eiser 1] (hierna: de StAK). De certificaten van aandelen worden gehouden door diverse leden van de familie [naam] , waarvan voor 20% door de kinderen van [gedaagde] . De broer van [gedaagde] , [A] , was voorzitter van het bestuur van de StAK. 2.2. Vanaf 1 januari 2001 tot 18 juni 2010 is [gedaagde] commissaris van [eiser 1] geweest. De tweede commissaris van [eiser 1] was [A] . Van 29 december 1999 tot 7 januari 2011 was [B] , een neef van [gedaagde] , enig statutair bestuurder van [eiser 1] en als zodanig middellijk bestuurder van [eiser 2] en [eiser 3] . Hij is opgevolgd door [A] . 2.3. [eisers] heeft [gedaagde] en [B] op 22 juli 2011 gedagvaard wegens (kort samengevat) onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatig handelen (hierna: de bodemzaak). Bij vonnis van 10 september 2014 heeft deze rechtbank in de bodemzaak de vorderingen tegen [B] afgewezen, in verband met een tussen [eisers] en [B] gesloten vaststellingsovereenkomst waarin aan [B] finale kwijting is verleend. Ter zake de vorderingen tegen [gedaagde] heeft de rechtbank in de bodemzaak - voor zover in de onderhavige procedure van belang en kort samengevat - geoordeeld dat hij ‘de facto’ steekpenningen heeft aangenomen van de heer [C] (hierna: [C] ), teneinde zijn invloed aan te wenden om [eisers] te laten participeren in een tweetal projecten. De eerste participatie hield in dat [eiser 2] ten behoeve van een daarop te realiseren bouwproject begin 2008 van KS Beheer B.V. en [X] Projecten B.V. (hierna: [X] ) een perceel grond in [plaats] heeft gekocht voor een koopprijs van € 16.500.000,-- (hierna: project [plaats] ). De tweede participatie hield in dat [eiser 1] voor zichzelf of een nader te noemen meester medio 2008 van [X] , [Y] Investments B.V., en [Z] Investments B.V. (hierna: [Y] en [Z] ) negen percelen grond in [plaats] heeft gekocht voor een koopprijs van € 80,-- per m2 (hierna: project [plaats] ), welke gronden uiteindelijk door [eiser 3] en twee andere projectontwikkelaars zijn gekocht en ingebracht in Ontwikkelingscombinatie [plaats] B.V. [X] , [Y] en [Z] zijn alle vennootschappen waarvan [C] (feitelijk) bestuurder is. De rechtbank heeft in het vonnis in de bodemzaak (samengevat) voor recht verklaard dat [gedaagde] zijn taak als commissaris van [eiser 1] onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:9 juncto artikel 2:259 BW ten opzichte van [eiser 1] en bovendien onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] , en [gedaagde] veroordeeld tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [eisers] geleden schade, nader op te maken bij staat. 2.4. Het hof Amsterdam heeft dit vonnis in de bodemzaak bij arrest van 27 maart 2018 (met zaaknummer 200.158.841) bekrachtigd, en daartoe in het incidenteel appel van [gedaagde] onder meer (en voor zover hier relevant) het navolgende overwogen: “3.23 [gedaagde] komt in incidenteel appel met zeven grieven op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij ter zake van de transacties [plaats] en [plaats] zijn taak als commissaris van [eiser 1] onbehoorlijk heeft vervuld en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , alsmede tegen de veroordeling tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] geleden schade, nader op te maken bij staat. De grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, stellen in de kern aan de orde dat [gedaagde] geen steekpenningen van [C] heeft aangenomen ( grief 2 ), dat niet is gebleken dat hij invloed op [eisers] heeft uitgeoefend om de transacties [plaats] en [plaats] aan te gaan ( grieven 1 en 3 ), dat geen causaal verband bestaat tussen zijn handelen en de gestelde schade ( grief 4 ), dat geen sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling, althans dat hem daarvan geen ernstig verwijt kan worden gemaakt ( grieven 5 en 6 ) en dat in ieder geval geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens [eiser 2] en [eiser 3] ( grief 7 ). 3.24 [eisers] hebben ter onderbouwing van hun vorderingen jegens [gedaagde] inzake [plaats] en [plaats] met name gewezen op een proces-verbaal van de FIOD-ECD van 25 april 2012 (hierna: het FIOD-PV) en de daarin genoemde verklaringen van onder meer [C] , [gedaagde] en [B] . Uit de in zoverre niet, althans niet voldoende gemotiveerd betwiste inhoud van het FIOD-PV en de door [eisers] in het geding gebrachte producties blijkt dat [gedaagde] als voormalig bestuurder en commissaris van [eisers] [B] ter zake van met name de projectontwikkeling binnen [eisers] ondersteunde en adviseerde. In februari 2008 heeft [gedaagde] [C] , bestuurder van [X] Projecten, bij [eisers] en [B] geïntroduceerd. Partijen hebben vervolgens gesproken over de aankoop van de projecten [plaats] en [plaats] . [gedaagde] heeft nadien met [C] afgesproken dat laatstgenoemde het schilderij “Koek-en-Zoopie IJslandschap te Volendam” van Mari ten Kate (hierna: het schilderij) voor een bedrag van € 500.000 van [gedaagde] zou kopen. De koopsom zou worden betaald in termijnen waarbij de overdracht van het schilderij na betaling van de laatste termijn zou plaatsvinden. Op 7 april 2008 heeft [X] Projecten, samen met KS Beheer B.V. het project [plaats] gekocht voor € 13.750.000 (excl. BTW). Op basis van daartoe op verzoek van [gedaagde] door [X] Projecten aangeleverde cijfers omtrent het te realiseren bouwvolume heeft [B] op 9 april 2008 namens [eisers] besloten tot aankoop van het project [plaats] door [eiser 2] voor een bedrag van € 16.500.000 (excl. BTW). Vrijwel meteen daarna is tussen partijen een geschil ontstaan over de juistheid van de aangeleverde cijfers en de op basis daarvan bepaalde koopprijs en heeft [eiser 2] geweigerd de gronden af te nemen en de koopprijs te betalen. Op 6 juni 2008 heeft [gedaagde] de verkoop van het schilderij schriftelijk aan [C] bevestigd. [X] Projecten heeft aangedrongen op afname van het project [plaats] en in dat verband verzocht om een voorschotbetaling. [gedaagde] heeft in juli 2008 tegen [B] gezegd dat hij en zijn gezin ernstig werden bedreigd door de verkopers van het project [plaats] . Bij e-mail van 3 juli 2008 heeft [gedaagde] aan [B] het rekeningnummer van [X] Projecten doorgegeven waarop het voorschotbedrag betaald kon worden. Op 10 juli 2008 heeft [eiser 2] op het door [gedaagde] doorgegeven rekeningnummer aan [X] Projecten onverplicht een voorschot op de koopprijs betaald van € 3.000.000. Op 15 juli 2008 is van dezelfde bankrekening van [X] Projecten waarop het voorschot was betaald € 150.000 overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] met de omschrijving “schilderijen”. Op 1 september 2008 is van dezelfde rekening € 50.000 overgemaakt op de rekening van [gedaagde] . Bij koopovereenkomsten van 1 oktober 2008 heeft [eiser 1] voor [eiser 3] het project [plaats] gekocht voor € 80 per m2 van [Y] , [Z] en [X] Projecten, dat een deel daarvan voorafgaand had gekocht voor € 40 per m2. Op 7 april 2009 is door Fahrenheit, rechtsopvolger van [X] Projecten, € 200.000 overgemaakt op de bankrekening van [gedaagde] . Het project [plaats] is op 19 april 2009 ingebracht in Ontwikkelingscombinatie [plaats] B.V. Op verzoek van de FIOD is het schilderij twee keer getaxeerd op respectievelijk € 10.000 en € 9.000. Op 15 maart 2016 is de waarde van het schilderij per 2008 getaxeerd op € 13.000. [C] heeft als verdachte tegenover de FIOD verklaard dat hij er van uitging dat [gedaagde] bij [eisers] “de tent runde”, dat [gedaagde] hem heeft gevraagd het Schilderij te kopen, dat hij dat heeft gedaan met het oog op de zakelijke relatie, dat [gedaagde] hem de indruk had gegeven dat hij met hem gouden bergen kon verdienen en dat hij het een lastige situatie vindt omdat hij niemand wil verraden. 3.25 Het hof is van oordeel dat in het licht van het voorgaande met de rechtbank als vaststaand moet worden aangenomen dat de ter zake van de verkoop van het schilderij door [X] Projecten en Fahrenheit Projecten aan [gedaagde] betaalde bedragen in feite bedoeld waren als steekpenningen, om hem er toe te brengen zijn invloed als commissaris van [eiser 1] aan te wenden ten behoeve van de totstandkoming van de verkoop van de projecten [plaats] en [plaats] . Mede gelet op het belang van [C] bij de totstandkoming van die transacties en het enorme verschil tussen de getaxeerde waarde van het schilderij en de daarvoor beweerde overeengekomen en betaalde koopprijs, moet het ook voor [gedaagde] zonder meer duidelijk zijn geweest dat het niet ging om een normale verkoop van een schilderij, maar dat hij daarmee door de wederpartij van [eisers] in feite beloond werd voor het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van de tussen [X] Projecten en [eisers] te sluiten koopovereenkomsten. 3.26 Ingevolge artikel 2:250 lid 2 BW heeft de raad van commissarissen tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. De raad van commissarissen staat het bestuur met raad terzijde. Bij de vervulling van hun taak richten de commissarissen zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Ingevolge artikel 2:250 lid 5 BW neemt een commissaris niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming indien hij daarbij direct of indirect een persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. 3.27 Vast staat dat [gedaagde] [eisers] met [C] in contact heeft gebracht en dat hij als commissaris in een controlerende en adviserende rol actief betrokken is geweest bij de totstandkoming van de met [X] Projecten gesloten verkoopovereenkomsten ter zake van zowel de projecten [plaats] en [plaats] en het ter zake van het project [plaats] betaalde voorschot. [gedaagde] diende zich daarbij als commissaris van [eiser 1] uitsluitend te laten leiden door het belang van [eiser 1] en de door [eiser 1] in haar dochterondernemingen [eiser 2] en [eiser 3] gedreven onderneming. Daarmee is onverenigbaar dat [gedaagde] van de wederpartij van [eisers] bij die transacties een bedrag van € 500.000 aan steekpenningen heeft aangenomen, nu hij zich daardoor in een positie heeft gebracht waarin hij niet langer onafhankelijk zijn controlerende en adviserende taken als commissaris in het belang van [eiser 1] en de met haar verbonden onderneming kon vervullen. Aldus heeft [gedaagde] zijn taak als commissaris van [eiser 1] niet behoorlijk vervuld in de zin van artikel 2:9 BW, en daarvan kan hem een ernstig verwijt worden gemaakt. Het handelen van [gedaagde] is tevens onrechtmatig jegens [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] nu hem van zijn handelen mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW ook persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat [gedaagde] jegens [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade. Anders dan [gedaagde] betoogt is het hof van oordeel dat [eisers] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van het handelen van [gedaagde] mogelijk schade heeft geleden, hetgeen voldoende is voor een veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat zoals hier gevorderd.” 2.5. Het hof heeft in het arrest in de bodemzaak in het principale appel van [eisers] voorts - voor zover hier van belang - het volgende overwogen. “3.17 Met (sub)grieven 3H, 4E, 5B en 7B en 13 betoogt [eisers] dat de rechtbank ten aanzien van de transacties, [plaats] , [plaats] , (…) ten onrechte niet heeft aangenomen dat [gedaagde] daarbij is opgetreden als feitelijk bestuurder van [eisers] en dat hem dienaangaande uit dien hoofde persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Het hof stelt met [gedaagde] vast dat [eisers] ook in hoger beroep in dit verband niet veel meer heeft gesteld dan dat [gedaagde] de projecten [plaats] , [plaats] en Duivendrecht bij [eisers] onder de aandacht heeft gebracht, dat hij inhoudelijk betrokken is geweest bij en invloed zou hebben gehad op de voorbereiding van de totstandkoming van de daarop betrekking hebbende overeenkomsten en dat hij zou hebben aangedrongen op het verstrekken van de geldlening aan de vof LQA Managementadvies. Zonder nadere uitleg, die ontbreekt, kan echter op basis van de aldus door [eisers] aangedragen feiten en omstandigheden niet worden vastgesteld dat [gedaagde] ter zake van deze transacties daadwerkelijk, met voorbijgaan van het formele bestuur in de persoon van [B] , het beleid van [eisers] zou hebben bepaald. (…) 3.19 Met (sub)grief 3I komt [eisers] op tegen de afwijzing van haar vordering jegens [gedaagde] ter zake van de betaling van de ‘rentevergoeding’ van € 122.500 door [eiser 2] aan Fahrenheit op 10 maart 2009 (rov. 2.4). [eisers] stelt dat [gedaagde] dienaangaande onbehoorlijk toezicht zou hebben gehouden. Voor de rentebetaling ontbrak een grond in de overeenkomst en was op grond van de statuten goedkeuring van de raad van commissarissen vereist. Op 29 april 2009 is met [gedaagde] over de rentebetaling gesproken en [gedaagde] had daarom volgens [eisers] de raad van commissarissen daarover moeten inlichten. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit deze stellingen niet helemaal duidelijk wordt wat [eisers] [gedaagde] in dezen concreet verwijt en hoe dat tot een veroordeling tot betaling van € 122.500 aan [eiser 2] zou moeten leiden. Voor zover [eisers] aan haar vordering ten grondslag legt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser 2] heeft gehandeld en/of zijn taak als commissaris van [eiser 1] onbehoorlijk heeft vervuld door nadat hij achteraf op 29 april 2009 hoorde van de rentebetaling, dit niet aan zijn mede- commissaris [A] te melden, heeft zij niet, althans onvoldoende onderbouwd dat en waarom [gedaagde] daarvan (persoonlijk) een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ook overigens geldt dat zonder nadere uitleg, die ontbreekt, niet is in te zien hoe de beweerde geleden schade het gevolg kan zijn van de omstandigheid dat [gedaagde] na 29 april 2009 niet aan de raad van commissarissen heeft gemeld dat al op 10 maart 2009 de rentebetaling was gedaan. (…).” 2.6. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam, afdeling Strafrecht, van 5 juni 2019, parketnummer: 23-002278-17 (hierna: het strafarrest), is [gedaagde] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een (onvoorwaardelijke) taakstraf voor de duur van 240 uren, vanwege onder meer het “anders dan als ambtenaar, optredend als lasthebber [van [eiser 1] , toevoeging rechtbank], naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht bij de uitvoering van zijn last heeft gedaan dan wel zal doen, een gift aannemen” (niet-ambtelijke omkoping). [eisers] is als benadeelde partij (met een vordering van € 500.000,--) niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en het hof heeft bepaald dat de benadeelde partijen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. 3Het geschil 3.1. Onderhavige procedure betreft een schadestaatprocedure. [eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] met betrekking tot project [plaats] veroordeelt tot betaling aan [eiser 2] , althans [eiser 3] en/of [eiser 1] van € 2.999.841,67, vermeerderd met de wettelijke rente; [gedaagde] met betrekking tot project [plaats] veroordeelt tot betaling aan [eiser 3] , althans [eiser 2] en/of [eiser 1] van € 5.008.946,--, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] voor een bedrag van € 500.000,-- steekpenningen heeft ontvangen vanwege zijn rol bij het aangaan en starten door [eisers] van de projecten [plaats] en [plaats] op instigatie van (voornamelijk) [C] . Zonder het handelen van [gedaagde] en diens omkoping was [eisers] nooit in zee gegaan met [C] en de aan hem gelieerde vennootschappen, en was de gevorderde schade nooit binnen [eisers] ontstaan, aldus [eisers] De schade van [eisers] is per project uiteengezet als volgt. 3.3. Aan de eerste vordering legt [eisers] - zakelijk weergegeven - ten grondslag dat de schade van [eiser 2] als gevolg van de in het arrest vastgestelde onbehoorlijke taakvervulling, althans het onrechtmatig handelen van [gedaagde] , in het kader van project [plaats] bestaat uit de volgende posten: het door [eiser 2] aan [X] onverplicht betaalde voorschot van € 3.000.000,--; de door [eiser 2] aan (de rechtsopvolger van) [X] onverplicht betaalde rentevergoeding van € 122.500,--; de juridische kosten van [eiser 2] voor het kort geding in verband met de vernietiging van de overeenkomst met [X] van € 143.519,59; e juridische kosten van [eiser 2] voor de bodemprocedure in verband met de vernietiging van de overeenkomst met [X] van € 25.210,08; de door [eiser 2] gemaakte kosten voor een verkavelingsstudie van € 3.628,--; de door [eiser 2] aan advieskosten bestede bedragen van € 800,--; de door [eiser 2] betaalde commissie voor de bankgarantie van € 4.184,--. Daarop moet in mindering worden gebracht het schikkingsbedrag dat [eiser 2] van (de rechtsopvolger van) [X] heeft ontvangen van € 300.000,--, zodat resteert € 2.999.841,67, aldus [eisers] 3.4. Aan de tweede vordering legt [eisers] - samengevat - ten grondslag dat de schade van [eiser 3] als gevolg van de in het arrest vastgestelde onbehoorlijke taakvervulling, althans het onrechtmatig handelen van [gedaagde] , in het kader van project [plaats] bestaat uit de volgende posten: de contante betaling van een deel van de koopprijs voor de percelen grond door [eiser 3] aan [X] , [Y] en [Z] van € 2.537.840,--; de netto inbreng van [eiser 3] in Ontwikkelingscombinatie [plaats] B.V. van € 2.746.106,--; Daarop moet in mindering worden gebracht het aandeel van [eiser 3] in de opbrengst van de verkoop van de percelen van € 275.000,--, zodat voor [eiser 3] een schadebedrag resteert € 5.008.946,--, aldus [eisers] 3.5. Op de verweren van [gedaagde] wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling Onrechtmatige daad / onbehoorlijke taakvervulling 4.1. De vorderingen in deze schadestaatprocedure strekken tot vergoeding van schade die [eisers] stelt te hebben geleden als gevolg van de door het hof in het arrest van 27 maart 2018 in de bodemzaak vastgestelde onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatig daad van [gedaagde] . 4.2. [gedaagde] betwist in de eerste plaats - ook in de onderhavige schadestaatprocedure - dat hij steekpenningen van [C] heeft aangenomen. Hieraan wordt echter voorbij gegaan. In de onderhavig schadestaatprocedure kan niet worden geoordeeld over de aansprakelijkheid (vgl. Hoge Raad 14 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2676, r.o. 3.3). Omdat niet is gebleken dat cassatieberoep is ingesteld, zal de rechtbank daarom als tussen partijen onherroepelijk vaststaand aannemen, dat [C] aan [gedaagde] steekpenningen heeft betaald, om hem er toe te brengen zijn invloed als commissaris van [eiser 1] aan te wenden ten behoeve van de totstandkoming van de participatie van [eisers] in de projecten [plaats] en [plaats] , en dat [gedaagde] die steekpenningen heeft aanvaard, zoals door het hof is vastgesteld in het arrest van 27 maart 2018 (r.o. 3.25 van het arrest van het hof in de bodemzaak). Ook neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat [gedaagde] hiermee zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt (in de zin van artikel 2:9 BW) ten opzichte van [eiser 1] , en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] , nu hij zich daardoor in een positie heeft gebracht waarin hij niet langer onafhankelijk zijn controlerende en adviserende taken als commissaris in het belang van [eiser 1] en de met haar verbonden onderneming kon vervullen, waarvan hem ook persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals het hof eveneens reeds heeft geoordeeld (r.o. 3.27 van het arrest van het hof in de bodemzaak). Causaal verband (conditio sine qua non) 4.3. Voor toewijzing van de vorderingen van [eisers] is vereist dat sprake is van een causaal verband (conditio sine qua non verband) tussen deze onbehoorlijke taakvervulling en dit onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de gestelde schade van [eisers] Daarbij moet een vermogensvergelijking worden gemaakt tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is, en de toestand zoals die vermoedelijk zou zijn geweest wanneer de onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen van [gedaagde] wordt weggedacht. 4.4. [eisers] heeft - samengevat - betoogd, dat indien het onrechtmatig handelen en de onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde] wordt weggedacht, zij niet zou hebben geparticipeerd in de projecten [plaats] en [plaats] . Die participatie is volgens [eisers] tot stand gekomen door het initiatief en de bemoeienissen van [gedaagde] , die zich niet opstelde als passief commissaris van [eisers] , maar een actieve en doorslaggevende rol had in de dagelijkse gang van zaken binnen [eisers] en (met name) bij het aanbrengen van nieuwe projecten. Daarbij komt dat de koopovereenkomsten in projecten [plaats] en [plaats] volgens [eisers] zijn gesloten onder onzakelijk voorwaarden. Bijvoorbeeld is een te hoge koopprijs overeengekomen. Daarnaast is geen financieringsvoorbehoud opgenomen en ontbreken de gebruikelijke garanties in de koopovereenkomsten, bijvoorbeeld met betrekking tot de (bestuursrechtelijke) bestemming van de aangekochte percelen. Verder heeft [gedaagde] in project [plaats] een rol gespeeld bij de aanlevering van onjuiste informatie aan [eisers] over de bouwvolumes van de aangekochte percelen, hetgeen heeft geleid tot de vernietiging van de koopovereenkomst met [X] . Ook heeft [gedaagde] [eisers] ertoe bewogen een voorschot van € 3.000.000,-- te betalen aan [X] , hoewel daartoe geen verplichting bestond, aldus steeds [eisers] 4.5. [gedaagde] heeft hiertegen - samengevat - aangevoerd dat de projecten [plaats] en [plaats] op de gebruikelijke wijze en degelijk zijn voorbereid binnen [eisers] Bovendien zijn de projecten beide goedgekeurd door de bestuurder van [eiser 1] van destijds, [B] , alsmede door de Raad van Commissarissen (waarvan de huidige bestuurder van [eisers] , [A] , deel uitmaakte), en door de aandeelhouder van [eisers] (de StAK). Voorts had [gedaagde] in zijn hoedanigheid van commissaris van [eiser 1] slechts een toezichthoudende rol. De projecten [plaats] en [plaats] waren op grond van de destijds bekende gegevens, goede projecten. De problemen in project [plaats] in verband met de door de verkoper ( [X] ) verstrekte onjuiste informatie over de bouwvolumes van de aangekochte percelen, zijn pas gebleken na het sluiten van de koopovereenkomst. [gedaagde] stelt voorts dat de (eventuele) verliezen van [eisers] het gevolg zijn van de vastgoedcrisis die zich sinds 2008 heeft voorgedaan. De door het hof vastgestelde schadeveroorzakende gebeurtenis bestaat volgens [gedaagde] slechts uit het aannemen van steekpenningen. Wanneer die gebeurtenis wordt weggedacht zou [eisers] ook hebben geparticipeerd in de projecten [plaats] en [plaats] , zodat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor het verlies dat [eisers] heeft geleden door die projecten, aldus steeds [gedaagde] . Beroep op de “omkeringsregel”, subsidiair omkering van de bewijslast 4.6. Uitgangspunt is dat volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van het causaal verband tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] en de schade van [eisers] , op [eisers] rust. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan een uitzondering op deze hoofdregel worden gemaakt, in dier voege dat het bestaan van conditio sine qua non verband tussen de onrechtmatige gedraging en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor het aanvaarden van deze uitzondering - de zogenoemde “omkeringsregel” - is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm strekkende tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het specifieke gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 19 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1299). [eisers] heeft betoogd dat hiervan sprake is, hetgeen [gedaagde] heeft weersproken. 4.7. De door het hof in de bodemzaak vastgestelde normschending bestaat eruit dat [gedaagde] steekpenningen heeft aangenomen, waardoor hij zich in een positie heeft gebracht waarin hij niet langer onafhankelijk zijn controlerende en adviserende taken als commissaris in het belang van [eiser 1] en de met haar verbonden onderneming kon vervullen (r.o. 3.27 van het arrest van het hof in de bodemzaak). De rechtbank is van oordeel dat dit geen norm is die bescherming tegen een specifiek gevaar beoogt te bieden, maar een algemene norm betreft die voorschrijft hoe een commissaris zijn taak dient uit te oefenen. [eisers] heeft haar beroep op de “omkeringsregel” onderbouwd met het betoog dat in het strafarrest is vastgesteld dat [gedaagde] artikel 328ter Wetboek van Strafrecht (Sr) heeft overtreden, en dat die norm (kort gezegd: het verbod tot omkoping) specifiek strekt ter bescherming tegen schade van de onderneming waarin de omgekochte werkzaam is, waarbij de wetgever onder meer heeft gedacht aan de Vastgoedfraudezaak. In deze schadestaatprocedure is echter de in de bodemzaak vastgestelde normschending in de eerste plaats bepalend, en niet de inhoud van het strafarrest. Zelfs indien de normschending uit het strafarrest wel tot uitgangspunt wordt genomen, is de rechtbank van oordeel dat ook de gevaren waartegen artikel 328ter Sr beoogt te beschermen (schade van de onderneming waarin de omgekochte werkzaam is), onvoldoende specifiek zijn om toepassing van de “omkeringsregel” te rechtvaardigen. Kennelijk wordt immers alle (vermogens)schade bedoeld van de onderneming waarin de omgekochte werkzaam is, zonder dat deze schade op enige wijze is gespecificeerd. 4.8. Voor de verdergaande maatregel die [eisers] meer subsidiair verdedigt, de (daadwerkelijke) omkering van de bewijslast, bestaat evenmin voldoende grond. Daarbij is van belang dat voor eventuele omkering van de bewijslast terughoudendheid dient te worden betracht en slechts onder bijzondere omstandigheden plaats is voor omkering van de bewijslast. De enkele stelling dat [eisers] in bewijsnood komt te verkeren (althans hij voor een moeilijke opdracht komt te staan), is daartoe in ieder geval onvoldoende (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZC2476 (Stad Rotterdam/Zonneveld)). Indien [eisers] door toedoen van [gedaagde] in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt, kan dit grond zijn voor omkering van de bewijslast, maar dat die situatie zich voordoet is onvoldoende gebleken. Weliswaar staat vast dat [gedaagde] het aannemen van steekpenningen destijds (in 2008) verborgen heeft gehouden voor [eisers] (althans, volgens [eisers] , met schimmigheid heeft omhuld), maar inmiddels zijn die feiten door het hof vastgesteld. In deze procedure is relevant de bewijspositie van [eisers] ten aanzien van het causaal verband tussen dat handelen en de door [eisers] geleden schade. Dat die bewijspositie van [eisers] door toedoen van [gedaagde] is verslechterd of bemoeilijkt, is door [eisers] onvoldoende toegelicht. Het betoog van [eisers] dat zij bewijs moet leveren van een “ongrijpbaar fenomeen”, waardoor zij in een lastige bewijspositie verkeert, is niet te wijten aan [gedaagde] , zodat hierin geen grond is gelegen voor omkering van de bewijslast. 4.9. Het voorgaande betekent dat [eisers] het causaal verband tussen de bewezen verklaarde onrechtmatige gedragingen van [gedaagde] en de door [eisers] gestelde schade, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv, dient te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting moet bewijzen. Aan de beoordeling daarvan zal in het navolgende worden toegekomen. Doorslaggevende invloed van [gedaagde] binnen [eisers] ? 4.10. Tussen partijen is een uitvoerige discussie gevoerd over de vraag of [gedaagde] in de periode waarin de koopovereenkomsten voor de participatie in project [plaats] en project [plaats] werden gesloten (9 april 2008, respectievelijk 1 oktober 2008) een doorslaggevende invloed had binnen [eisers] , hetgeen [gedaagde] betwist. 4.11. De rechtbank stelt hierbij voorop, zoals door [gedaagde] ook is aangevoerd, dat door het hof onherroepelijk is geoordeeld dat [gedaagde] in het kader van de participatie van [eisers] in de projecten [plaats] en [plaats] , niet als feitelijk bestuurder binnen [eisers] kan worden aangemerkt (r.o. 3.17 van het arrest van het hof in de bodemzaak). Aan dit oordeel is de rechtbank gebonden. 4.12. [eisers] heeft hiertegen aangevoerd dat zij in deze schadestaatprocedure niet betoogt dat [gedaagde] feitelijk bestuurder was, maar dat de doorslaggevende invloed van [gedaagde] van belang is voor de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het handelen van [gedaagde] en de participatie van [eisers] in de projecten [plaats] en [plaats] . Indien de actieve betrokkenheid van [gedaagde] bij de totstandkoming van die participatie wordt weggedacht, zou [eisers] immers niet hebben geparticipeerd in die projecten, aldus [eisers] De rechtbank is echter van oordeel dat [eisers] met dit betoog miskent dat het hof de actieve bemoeienissen van [gedaagde] , te weten het in contact brengen van [eisers] met [C] en zijn betrokkenheid als commissaris in een controlerende en adviserende rol bij de totstandkoming van de participatie in die projecten, op zichzelf bezien niet als onrechtmatig handelen of onbehoorlijk taakvervulling heeft aangemerkt (zie r.o. 3.27 van het arrest van hof in de bodemzaak). Hoewel dit door [eisers] in de bodemzaak was betoogd, heeft het hof (de participatie van [eisers]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.