← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:3471

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/1086 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2020 in de zaak tussen [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. L.R. Rommy), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 24 februari 2020 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker, hangende een onderzoek naar de rijvaardigheid, geschorst. Verzoeker heeft tegen dit besluit bij brief van 4 maart 2020 bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 10 maart 2020 het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard. Verzoeker heeft bij brief van 19 maart 2020 het verzoekschrift ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het verzoek is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft bij brief van 24 maart 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 23 april 2020 gereageerd. Partijen hebben niet aangegeven om over het verzoek om proceskosten op een zitting te worden gehoord. Overwegingen

  1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
  2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
  3. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is artikel 8:75a Awb van overeenkomstige toepassing op uitspraken in de voorlopige voorzieningenprocedure.
  4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is ingetrokken, omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan verzoeker en dat verzoeker tegelijk met de intrekking van het verzoek heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
  6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn € 525,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).
  7. Deze uitspraak kan geen betrekking hebben op vergoeding van betaald griffierecht. Op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb, kan verweerder in dit geval zelf beslissen het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,- aan hem te vergoeden. BeslissingDe voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-. Deze uitspraak is gedaan op 6 mei 2020 door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.