RECHTBANK NOORD-HOLLAND Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf Locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Uitlevering Parketnummer: 15-860007-20 Registratienummer: 20/3 Zittingsdatum: 23 april 2020 Uitspraakdatum: 7 mei 2020 Uitspraak van de rechtbank Noord-Holland op de vordering van de officier van justitie, strekkende tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Spanje, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier ten lande, thans in uitleveringsdetentie verblijvende in [detentieadres] , aan Zwitserland. 1De relevante schriftelijke stukken 1.
- Het verzoek tot uitlevering. In het dossier bevindt zich het verzoek tot uitlevering van de hierboven aangeduide opgeëiste persoon, afkomstig van de Zwitserse autoriteiten, met als kenmerk B-19-4315-2 en gericht aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag. Uitlevering wordt gevraagd ter fine van strafvervolging ter zake de strafbare feiten opgenomen in genoemd stuk tot uitlevering gedateerd 14 januari 2020, te weten handel in verdovende middelen en witwassen. Door de verzoekende staat zijn de volgende stukken overgelegd: - een origineel aanhoudingsbevel, afgegeven door S. Erni, officier van justitie Kanton Luzern te Zwitserland d.d. 18 oktober 2019; - een uiteenzetting van de feiten; - een overzicht van de toepasselijke rechtsvoorschriften. 1.
- De overige stukken van het dossier. Verder maken de navolgende stukken deel uit van het dossier: - het proces-verbaal van de voorlopige aanhouding door de Koninklijke Marechaussee, d.d. 12 januari 2020; - het bevel tot inverzekeringstelling van de hulpofficier van justitie d.d. 12 januari 2020; - het bevel bewaring van de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2020; - het bevel voortzetting vrijheidsbeneming van de officier van justitie d.d. 29 januari 2020 - de vordering van de officier van justitie zoals bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Uitleveringswet d.d. 29 januari 2020; - de schriftelijke samenvatting van de opvatting van de officier van justitie, zoals bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de Uitleveringswet. 2De overwegingen 2.
- De identiteit van de opgeëiste persoon. Op grond van hetgeen de opgeëiste persoon daarover ter zitting heeft verklaard, heeft de rechtbank vastgesteld dat hij [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Spanje) is, dat hij de Spaanse nationaliteit bezit en dat hij degene is van wie de uitlevering wordt verzocht. 2.
- De genoegzaamheid van de stukken. De door de verzoekende staat overgelegde stukken voldoen aan de daaraan ingevolge het toepasselijk verdrag te stellen eisen. Met name is in het hiervoor genoemde aanhoudingsbevel voldoende duidelijk omschreven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt verzocht, met voldoende nauwkeurige aanduiding van plaats en tijd. Derhalve is voldaan aan de in artikel 12 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering (hierna: EUV) en aan de in artikel 18 van de Uitleveringswet neergelegde voorwaarden. 2.
- De overige voorwaarden voor toelaatbaarheid van de uitlevering. 2.3.
- Dubbele strafbaarheid. Van toepassing is het Europees Verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965,9). De feiten zijn blijkens de door de verzoekende staat overgelegde stukken strafbaar naar het recht van de verzoekende staat en daarvoor kan naar het recht van de verzoekende staat een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Ook naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar. De feiten leveren naar Nederlands recht op: (medeplegen van) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, B en C van de Opiumwet gegeven verbod en witwassen. Daarvoor kan eveneens telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar worden opgelegd. Dit betekent dat is voldaan aan de in artikel 2 van het EUV en artikel 5 van de Uitleveringswet gestelde vereisten voor toelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 2.3.
- Vermoeden van schuld. De opgeëiste persoon heeft ter zitting niet gesteld onverwijld te kunnen aantonen onschuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. Evenmin is anderszins gebleken dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd. 3Slotsom. Nu ook overigens niet is gebleken van feiten die in de weg zouden staan aan de toelaatbaarverklaring van de uitlevering, zal, gelet op de artikelen: 2 en 12 van het EUV, 5 van het Tweede aanvullend Protocol bij het EUV, 65 van de Uitvoeringsovereenkomst Schengen, 5 en 18 van de Uitleveringswet, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, 2 en 10 van de Opiumwet, worden beslist als volgt. 4De beslissing. De rechtbank: Verklaart toelaatbaar de uitlevering aan Zwitserland van [opgeëiste persoon] ter strafvervolging ter zake van de feiten omschreven in de uiteenzetting van de feiten, welk stuk als bijlage aan deze uitspraak is gehecht. 5Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Francke, voorzitter, mr. M.D. Gunster en mr. F.W. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen en uitgesproken op de openbare zitting van 7 mei 2020.