RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8042642 \ CV EXPL 19-13798 Uitspraakdatum: 29 april 2020 Vonnis in de zaak van: [de passagier] wonende te [woonplaats] eiser hierna te noemen de passagier gemachtigde mr. D.E. Lof tegen de buitenlandse vennootschap Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft gevestigd te Keulen (Duitsland) mede kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) gedaagde hierna te noemen Lufthansa gemachtigde mr. E.C. Douma 1Het procesverloop 1.
- De passagier heeft bij dagvaarding van 6 augustus 2019 een vordering tegen Lufthansa ingesteld. Lufthansa heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Lufthansa een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- De passagier heeft met Lufthansa een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Lufthansa de passagier diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Frankfurt am Main Airport naar John F. Kennedy International Airport (hierna JFK), New York op 19 december 2017, hierna: de vlucht. 2.
- De vlucht van Amsterdam naar Frankfurt met vluchtnummer LH 987 is met een vertraging van 29 minuten in Frankfurt aangekomen. De passagier heeft hierdoor zijn aansluitende vlucht naar New York met vluchtnummer LH 400 gemist. De passagier is vervolgens omgeboekt naar vlucht LH 402 van Frankfurt naar Newark Liberty International Airport (hierna Newark), New York. 2.
- De passagier heeft compensatie van Lufthansa gevorderd in verband met vertraging. 2.
- Lufthansa heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
- De passagier vordert dat Lufthansa bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat Lufthansa vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,
- 4Het verweer 4.
- Lufthansa betwist de vordering. Zij voert aan dat dat de passagier volgens schema met vlucht LH 400 om 13:40 uur lokale tijd in New York had moeten aangekomen. De passagier is omgeboekt en met vlucht LH 402 om 16:19 uur in New York aangekomen, twee uur en 39 minuten later dan gepland. Derhalve is het tijdsverlies minder dan drie uur en moet de vordering worden afgewezen. 5De beoordeling 5.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
- Tussen partijen is in geschil of een andere luchthaven, te weten de New Yorkse luchthaven Newark ten opzichte van de New Yorkse luchthaven JFK, kan gelden als één en dezelfde eindbestemming in de zin van de Verordening. In artikel 2, sub h van de Verordening wordt het begrip ‘eindbestemming’ gedefinieerd als: de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht. Op de e-ticket van de passagier staat als eindbestemming “New York (JFK) John F Kennedy”. Lufthansa beroept zich op artikel 8 lid 3 van de Verordening waarin staat: Wanneer, in het geval waarin een stad of regio wordt bediend door meerdere luchthavens, de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een passagier een vlucht aanbiedt naar een andere luchthaven dan die waarvoor geboekt, draagt de luchtvaartmaatschappij de kosten van de reis van die andere luchthaven waarvoor was geboekt of naar een andere met de passagier overeengekomen nabijgelegen bestemming. Lufthansa wijst in dit verband ook op de Richtsnoeren voor de interpretatie van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad, waarin onder meer staat “een omgeleide vlucht waarmee een passagier uiteindelijk aankomt op een luchthaven die niet overeenstemt met de luchthaven die is aangegeven als eindbestemming volgens het oorspronkelijke reisplan van de passagier, moet op dezelfde wijze worden behandeld als een annulering, tenzij: (…) de luchthaven van aankomst en de luchthaven van de oorspronkelijke eindbestemming dezelfde stad of regio bedienen; in dat geval kan de vlucht uiteindelijk als vertraagd worden beschouwd. In dat geval is artikel 8, lid 3 naar analogie van toepassing”. 5.
- Met Lufthansa is de kantonrechter van oordeel dat in indien een passagier is omgeboekt naar een andere luchthaven binnen dezelfde stad of regio, de luchthaven van de omgeboekte vlucht kan gelden als de eindbestemming van de passagier, in de zin van de Verordening. Uit artikel 8 lid 3 van de Verordening volgt immers dat het (enige) gevolg dat de Verordening verbindt aan het omboeken naar een andere vlucht maar naar dezelfde stad, is dat de luchtvaartmaatschappij de kosten van de passagier vergoedt met betrekking tot de reis naar de andere luchthaven of een andere overeengekomen bestemming. Daarbij is niet gesteld noch gebleken is dat de passagier alsnog naar JFK moest afreizen, waar hij vervolgens met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet uitgesloten dat de passagier na aankomst in Newark is afgereisd naar zijn accommodatie en ten aanzien van de oorspronkelijke vlucht niet meer dan drie uur vertraging heeft ondervonden. Het ligt op de weg van de passagier, onder deze omstandigheden, om nader te onderbouwen waarom toch sprake zou zijn geweest van een vertraging op de eindbestemming van meer dan 3 uur, hetgeen de passagier heeft nagelaten. In het onderhavige geval is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de vordering tot compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening moet worden afgewezen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat deze ongelijk krijgt. 6De beslissing 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lufthansa worden vastgesteld op een bedrag van € 240,00 aan salaris van de gemachtigde van Lufthansa. 6.
- verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. de Vries, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter