beschikking RECHTBANK NOORD-HOLLAND Verschoningskamer Zittingsplaats Haarlem zaaknummer / rekestnummer: C/15/298360 / HA RK 20-9 Beslissing van 20 januari 2020 Op het verzoek tot verschoning van: mr. A.H. SCHOTMAN, senior-rechter bij de sectie Handel, Kanton en Insolventie bij deze rechtbank, hierna: verzoeker. 1Procesverloop Bij brief van 14 januari 2020 heeft verzoeker verzocht zich te mogen verschonen van de behandeling van de meervoudige-kamerzaak met zaak- en rolnummer C/15/286578/HAZA 19/228, hierna te noemen: de hoofdzaak, waarin [partij A] (advocaat mr. C.J.M. Molenaar) en [partij B] (advocaat mr. H.J. Smit) partijen zijn. Mr. C.J.M. Molenaar had zich bij brief van 13 januari 2020 reeds uitgelaten over de deelname van verzoeker aan de behandeling van de zaak. Bij brief van 14 januari 2020 heeft mr. H.J. Smit zich eveneens uitgelaten. 2Feiten 2.1 Verzoeker heeft in de maand december 2019 als voorzieningenrechter een tweetal kort gedingen (zaaknummers: 295103 / KG ZA 19-776 en C/15/297157 / KG ZA 19-892) behandeld waarin [partij A] partij was en waarin is geoordeeld omtrent handhaven van beslagen die zijn gelegd ter verzekering van vorderingen die ook in de hoofdzaak aan de orde zijn. 2.2 Verzoeker is door de sectorleiding ingedeeld als voorzitter van de meervoudige kamer in de hoofdzaak waarin op 31 januari 2020 een comparitie is gepland. 3Het verzoek en de toelichting daarop Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn verschoningsverzoek het volgende aangevoerd: Ten tijde van de behandeling van de kort gedingen in december 2019 was verzoeker er niet mee bekend dat hij ook op de behandeling van de hoofdzaak was ingedeeld. Het is bestendige praktijk dat rechters zich onthouden van het behandelen van bodemzaken indien zij over kwesties die daarin aan de orde zijn in kort geding hebben geoordeeld. Het geschil dat in de kort gedingen ter beoordeling voorlag, over handhaafbaarheid van een beslag voor een vordering die in de bodemzaak voorligt, betreft zo’n kwestie. In de gevallen waarin verzoeker is ingedeeld op een bodemprocedure in een zaak waarin hij eerder als voorzieningenrechter een kort geding heeft behandeld en beslist pleegt hij bovendien contact te zoeken met partijen om na te gaan of er bij hen tegen zijn betrokkenheid als bodemrechter bezwaar bestaat. Gelet op de inhoud van de brief van mr. Molenaar is het antwoord op die vraag hem bekend. 4Reacties partijen Bij de brief van 13 januari 2020 heeft mr. C.J.M. Molenaar bezwaren geuit tegen de persoon van verzoeker als lid van de meervoudige kamer op 31 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.