← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:4558

RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Alkmaar Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15.029670.19 Uitspraakdatum: 22 juni 2020 Verschenen Beslissing na voorwaardelijke veroordeling (ex artikel 6:6:21 Sv) Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 juni 2020 in de zaak tegen veroordeelde: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres]. 1Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke maatregel De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 12 maart 2020 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van deze rechtbank in deze zaak aan veroordeelde opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van 2 jaren, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat veroordeelde de aan die voorwaardelijke maatregel verbonden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. 2Procesverloop Bij vonnis van deze rechtbank van 23 april 2019 is aan veroordeelde, wegens gekwalificeerde diefstal, de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (de ISD-maatregel) opgelegd voor de duur van 2 jaren, ten aanzien van welke maatregel het bevel is gegeven dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde vóór het einde van de op twee jaren vastgestelde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel gedurende deze proeftijd niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarden dat hij: - zich binnen vijf dagen na het ingaan van zijn proeftijd en daarna zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, meldt bij VVN Groningen op het adres Canadalaan 1, 9728 EA te Groningen, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;- zal meewerken aan diagnostisch onderzoek door de polikliniek van VVN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, en het daaruit voortvloeiende behandelplan, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft en het innemen van medicijnen en een kortdurende klinische opname van maximaal zeven weken voor detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek bij een terugval in, dan wel overmatig middelengebruik onderdeel kunnen zijn van de behandeling;- zal meewerken aan aanmelding bij Materieel Juridische Dienstverlening en aan schuldhulpverlening, ook als dit een schuldsaneringstraject middels de WSNP inhoudt, en, indien na 3 maanden blijkt dat hij zich niet aan de voorwaarden en afspraken over het wonen bij zijn vader houdt, meewerkt aan de aanmeld- en intakeprocedure met betrekking tot begeleid wonen;- op vooraf vastgestelde tijdstippen, in ieder geval van 22:30 uur tot 06:30 uur, aanwezig is op het verblijfadres waarvoor de reclassering toestemming heeft gegeven, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt en in ieder geval voor de periode van maximaal 12 maanden en zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, waarbij veroordeelde meewerkt aan elektronische controle, in verband waarmee hij niet zonder toestemming van de reclassering naar het buitenland gaat;- zal meewerken aan urinecontroles. Dit vonnis is onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 8 mei

  1. De onderhavige vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 8 juni
  2. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan. Voorts is als getuige ter terechtzitting verschenen mevr. [toezichthouder reclassering], toezichthouder van veroordeelde, werkzaam bij GGZ reclassering Fivoor Haarlem. 3Informatie van de reclassering De officier van justitie heeft haar vordering gebaseerd op het op 21 januari 2020 door [toezichthouder reclassering] voornoemd opgemaakte rapport ‘Advies aan opdrachtgever toezicht, Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf’. Uit dit rapport blijkt dat het reclasseringstoezicht in oktober 2019 van VVN Groningen is overgedragen aan GGZ reclassering Fivoor Haarlem. In dit rapport zijn diverse overtredingen van de bijzondere voorwaarden beschreven en is als conclusie en advies het volgende opgenomen: GGZ reclassering Fivoor is van mening dat betrokkene gebaat zou zijn bij een intensieve behandeling gericht op zijn agressieproblematiek. Echter staat betrokkene niet open voor een langdurige klinische opname. GGZ reclassering Fivoor heeft getracht betrokkene te motiveren tot behandeling gericht op zijn agressieregulatie en impulsbeheersing. Echter omdat betrokkene geen hulpvraag heeft is dit niet van de grond gekomen en is de behandeling gestaakt. Tevens is betrokkene aangemeld voor Materieel Juridische Dienstverlening om zijn schulden in kaart te brengen en een eventuele toeleiding te doen naar schuldhulpverlening of WSNP. Omdat betrokkene de afspraken verzaakt is dit traject tevens afgebroken. (…) De reclassering is van mening dat [veroordeelde] onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden. Wij adviseren om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke strafdeel. Ter terechtzitting heeft [toezichthouder reclassering], namens GGZ reclassering Fivoor, dit rapport onderschreven en nader toegelicht. Daarbij heeft zij aangegeven dat veroordeelde sinds het uitbrengen van het rapport contact is blijven houden met de reclassering. Zelf ziet [toezichthouder reclassering] wel enige verandering in positieve zin bij veroordeelde, zij het in kleine stapjes. Veroordeelde heeft sinds de oplegging van de ISD-maatregel, ruim een jaar geleden, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en zijn persoonlijke omstandigheden – hij woont nu bij zijn vriendin in [adres] – lijken ook positief te zijn gewijzigd. 4Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, gelet op de toelichting en de aanvulling op het advies door [toezichthouder reclassering] en gelet op het feit dat tot nu toe geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd door veroordeelde, op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen en dat veroordeelde een allerlaatste kans moet krijgen. Daarbij heeft de officier van justitie wel gevorderd om de proeftijd te verlengen met een jaar. 5Standpunt van de verdediging De raadsman heeft naar voren gebracht dat vastgesteld kan worden dat veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Aan de andere kant moet ook worden vastgesteld dat door veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten zijn gepleegd en dat veel dingen in het leven van veroordeelde wel goed gaan. De raadsman stelt zich, met de officier van justitie, op het standpunt dat veroordeelde een allerlaatste kans moet krijgen en verzoekt de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging daarom af te wijzen. Veroordeelde zelf heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij graag een laatste kans wil krijgen en dat hij zich zal houden aan alle voorwaarden. 6Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is. Uit het hiervoor aangehaalde advies van GGZ reclassering Fivoor volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat veroordeelde de bij genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Veroordeelde heeft dit ook niet ontkend. Daarom bestaat grond voor toewijzing van de schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke ISD-maatregel en behoort die tenuitvoerlegging – uit een oogpunt van normhandhaving en naleving van rechterlijke beslissingen – in beginsel ook te worden gelast, te meer nu in het vonnis van 23 april 2019 is vermeld dat veroordeelde de voorwaardelijke ISD-maatregel als een laatste kans moet zien en er flinke consequenties zijn verbonden aan niet-naleving van de voorwaarden. Gelet echter op de verklaring van de getuige [toezichthouder reclassering] ter terechtzitting en het feit dat veroordeelde na het vonnis van 23 april 2019 niet is gerecidiveerd, is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat veroordeelde bij wijze van allerlaatste kans in staat moet worden gesteld om ook de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden alsnog consequent na te leven. De schriftelijke vordering tot tenuitvoerlegging zal daarom worden afgewezen. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het niet aan veroordeelde is om te bepalen of hij wel of geen behandeling nodig heeft en of bijvoorbeeld een avondklok wel of niet zinvol is; veroordeelde dient zich vanaf nu strikt te houden aan de voorwaarden én de aanwijzingen van de reclassering en daarover niet in discussie te gaan. Anders dan de officier van justitie mondeling heeft gevorderd, zal de rechtbank de proeftijd die is verbonden aan de voorwaardelijke ISD-maatregel niet verlengen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat een verlenging van deze proeftijd wettelijk niet mogelijk is. Weliswaar biedt artikel 6:6:19, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) hiertoe thans een mogelijkheid, maar die bepaling is eerst op 1 januari 2020 (met de zogenoemde Wet USB) in werking getreden. Het onderhavige vonnis dateert van vóór deze datum, toen deze mogelijkheid niet bestond, omdat de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen daarin niet voorzagen (vgl. ECLI:NL:GHARN:2010:BM1571). Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om materieel sanctierecht en zal onmiddellijke toepassing van de nieuwe bepaling in strijd komen met het in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 7 EVRM neergelegde legaliteitsbeginsel. Artikel 6:6:19, eerste lid, onder a, Sv is voor verdachte immers niet gunstiger. Daarom dienen de oude bepalingen te worden toegepast. 7Beslissing De rechtbank: Wijst af de schriftelijke vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van deze rechtbank van 23 april 2019 in de zaak met parketnummer 15.029670.19 aan veroordeelde voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel. Wijst af de mondelinge vordering van de officier van justitie strekkende tot verlenging van de bij voornoemd vonnis vastgestelde proeftijd. Verstaat dat de voorwaardelijke ISD-maatregel ongewijzigd van kracht blijft. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Deze beslissing is gegeven door mr. M.E. Allegro, voorzitter, mr. S. Jongeling en mr. I.S. Burggraaff, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 juni 2020.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.