RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Alkmaar Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/5594 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.G.E. de Vries), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 3 juni 2019 recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), maar dat deze niet wordt uitbetaald omdat eiser verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder heeft de bij besluit van 13 juni 2019 reeds toegekende WW-uitkering ingetrokken. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen (HAA 19/3215). Bij besluit van 13 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek heden gesloten. Overwegingen 1. Eiser had een oproepcontract als [functie] bij zijn (ex-)werkgever van 10 september 2018 tot 10 september 2019. Voor de uitoefening van zijn werkzaamheden (surveillance) heeft eiser een rijbewijs nodig. Daarnaast volgde eiser een opleiding MBO Beveiliger 2. Hij moest daarvoor één dag in de week naar school. 1.1 Op 14 januari 2019 heeft de (ex-)werkgever een e-mailbericht aan eiser gestuurd met de melding dat zijn rijbewijs op 19 maart 2019 verloopt. Zodra eiser in het bezit is van een nieuw rijbewijs, wil de (ex-)werkgever deze graag inscannen. 1.2 Op 11 maart 2019 heeft de (ex-)werkgever in een e-mailbericht aan eiser gevraagd of er al meer duidelijkheid is over wanneer eiser zijn nieuwe rijbewijs in zijn bezit krijgt. 1.3 Op 26 maart 2019 heeft een gesprek tussen eiser en zijn (ex-)werkgever plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat eiser geen geldig rijbewijs meer heeft. Bij brief van 26 maart 2019 heeft de (ex-)werkgever eiser per gelijke datum op non-actief gesteld. Reden hiervoor is de omstandigheid dat eiser de (ex-)werkgever niet heeft ingelicht over het feit dat hij geen geldig rijbewijs meer heeft en hij al zeven dagen zonder geldig rijbewijs rijdt. Verder is de (ex-)werkgever gebleken dat eiser sinds augustus 2018 niet meer op school aanwezig is geweest, terwijl eiser heeft aangegeven dat hij iedere maandag naar school gaat. 1.4 Op 9 april 2019 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft eiser vermeld dat het contract door verweerder is opgezegd wegens onenigheid. 1.6 Op 17 april 2019 hebben eiser en zijn (ex-)werkgever een beëindigingsovereenkomst getekend. Hierin is vastgelegd dat de arbeidsovereenkomst van eiser per 31 mei 2019 wordt beëindigd. Verder is opgenomen dat voor de (ex-)werkgever geen sprake is geweest van een dringende reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 1.7 Op 18 april 2019 heeft eiser zijn WW-aanvraag ingetrokken. 1.8 Op 29 mei 2019 heeft eiser opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Als reden voor het einde van de dienstbetrekking heeft eiser vermeld ‘einde oproepcontract’. Bij besluit van 13 juni 2019 heeft verweerder aan eiser met ingang van 3 juni 2019 een WW-uitkering toegekend. 1.9 Verweerder heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de verwijtbaarheid van eisers werkloosheid. De resultaten hiervan hebben geleid tot de besluiten zoals vermeld onder procesverloop. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser verwijtbaar werkloos is. Aan de werkloosheid ligt een dringende reden ten grondslag. De arbeidsovereenkomst van eiser is beëindigd omdat hij zonder geldig rijbewijs heeft rondgereden in een dienstauto en hij na augustus 2018 niet meer op school is verschenen. 2. Eiser stelt in beroep dat hij recht heeft op een WW-uitkering. Uit de beëindigingsovereenkomst van 17 april 2019 volgt dat de arbeidsrelatie met wederzijdse instemming is beëindigd. Verder blijkt uit de in beroep overgelegde loonspecificaties volgens eiser dat hij in de maanden april, mei en juni 2019 nog bij zijn (ex-)werkgever in dienst was en dat er loon is uitbetaald. 3. De volgende regelgeving is van belang. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Artikel 7:677, eerste lid, van het BW luidt: Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. In artikel 7:678, eerste lid, van het BW is het volgende opgenomen: Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 4. De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan eiser stelt is niet de keuze van de (ex-)werkgever voor de wijze van ontslag bepalend voor de vraag of sprake is verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24, tweede lid, onder a, van de WW, maar zijn het de redenen voor het ontslag die de doorslag geven. Die redenen dienen door verweerder zelfstandig te worden beoordeeld, waarbij op verweerder een eigen onderzoeksplicht rust (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 21 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2128 en mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9140). Het feit dat in de beëindigingsovereenkomst staat vermeld dat de arbeidsrelatie met wederzijdse instemming is beëindigd en dat geen sprake is geweest van een dringende reden voor beëindiging van het arbeidscontract, is voor de beoordeling of sprake is van verwijtbare werkloosheid dan ook niet relevant. 4.1 Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3467). Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.