RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15-005625-20 (P) Uitspraakdatum: 25 juni 2020 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 juni 2020 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, thans gedetineerd in P.I. [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. E.M. Steller, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 6 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen (en/of buiten) het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4582,4 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.
- Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 3.
- Oordeel van de rechtbank 3.3.
- Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen. - de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 juni 2020 afgelegd; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 6 januari 2020, digitale dossiernummering pagina 13 e.v.; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van 6 januari 2020, digitale dossiernummering pagina 15 e.v.; - het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen van 7 januari 2020, digitale dossiernummering pagina 45 e.v.; - een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Douane Laboratorium van 9 januari 2020, los bijgevoegd. 3.
- Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat zij op 6 januari 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 4582,4 gram cocaïne. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.
- Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. 6.
- Standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft verzocht bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en met de omstandigheid dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en door haar houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van haar handelen in te zien. Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat de detentieomstandigheden voor verdachte zwaar zijn, aangezien zij alleen de Chinese taal spreekt en begrijpt en andere gedetineerden en medewerkers van de penitentiaire inrichting haar taal niet spreken. De raadsman heeft op grond van het voorgaande verzocht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen. 6.
- Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 4,5 kilo van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De verspreiding van en handel in cocaïne worden daarom krachtig bestreden. Gelet op de aard en de ernst van het feit komt slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf als passende straf in aanmerking. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 februari 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in Nederland ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen welke straf doorgaans wordt opgelegd voor het opzettelijk invoeren van een dergelijke hoeveelheid harddrugs in Nederland. De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) noemen voor het invoeren van een hoeveelheid van 4.000 tot 5.000 gram cocaïne als strafmaat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 tot 38 maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de detentieomstandigheden, nu zij met niemand in de penitentiaire inrichting kan communiceren en haar detentie daardoor zwaarder is dan voor de meeste andere gedetineerden, aanleiding om in matigende zin van de door de officier van justitie gevorderde straf af te wijken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. 7Toepasselijke wettelijke voorschriften De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 2 en 10 van de Opiumwet. 8Beslissing De rechtbank: Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.
- weergegeven. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder
- vermelde strafbare feit oplevert. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. van der Heijden, voorzitter, mr. M. Visser en mr. J.C. van den Bos, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. Dommershuijzen, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juni 2020.