RECHTBANK NOORD-HOLLAND zittingsplaats Haarlem Sector bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/106 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres, gemachtigde: mr. P.E. Stam, en de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 28 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres, gericht tegen de beslissing van 23 september 2019 (het primaire besluit) inzake haar AIO aanvulling, ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft bij gewijzigde beslissing van 9 april 2020 het bezwaar van eiseres, gericht tegen het primaire besluit, alsnog gegrond geacht. Eiseres heeft het beroep bij brief van 28 april 2020 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiseres verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 29 april 2020 in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft niet gereageerd. Nu partijen niet hebben aangegeven om over het verzoek om proceskosten op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen
- De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
- In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiseres is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
- De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiseres en dat eiseres tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
- De rechtbank ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
- De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 525,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener van eiseres.
- Ingevolge artikel 8:41, zevende lid, van de Awb dient het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,- te worden vergoed door verweerder. BeslissingDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 juli
- Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter Afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.