RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 20/2766 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2020 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H.S. Eisenberger), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen, verweerder Procesverloop Eiseres heeft bij brief van 16 mei 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om haar een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 28 mei 2020 op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening (HAA 20/2765) bij uitspraak van 18 juni 2020 afgewezen. Overwegingen Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra: a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid is de in het eerste lid bedoelde termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. Op grond van artikel 2.3.
- lid 2 van de Wmo geldt in dit geval een beslistermijn van twee weken. Eiseres heeft op 8 april 2020 verzocht om verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening ingevolge artikel 2.3.
- Gelet op het voorgaande had verweerder uiterlijk op 21 april 2020 op de aanvraag moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres verweerder bij brief van 22 april 2020 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken. Het beroep is kennelijk gegrond. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In het tweede lid is neergelegd dat de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. Gelet op het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank verweerder opdragen binnen een termijn van twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op aanvraag te nemen. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Voorts is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 262,50 (1 punt, wegingsfactor 0,5). Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,- dient te vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond; - vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op alsnog een besluit te nemen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 262,50; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2020 door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier rechter afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.