RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8575504 \ VV EXPL 20-91 Uitspraakdatum: 17 juli 2020 Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van: de stichtingStichting Pré Wonen gevestigd te Velserbroek eiseresverder te noemen: Pre Wonen gemachtigde: mr. D. de Vries tegen de stichting
(2x)en 22 jaar. Een achttienjarige staat ingeschreven en verblijft in de woning. Een eenentwintigjarige staat niet ingeschreven, maar verblijft er wel en had een eigen slaapkamer. - in de slaapkamer van [gedaagde sub 2] werd een groot aantal wapens aangetroffen, waaronder een boksbeugel, messen, zwaarden, een airsoft-pistool en wurgstokjes (foto’s 1, 2, 3 en 4). - in de slaapkamer van [gedaagde sub 2] werden ook (zeer waarschijnlijk) drugs aangetroffen, waaronder pillen en witkleurige kristalachtige brokjes (foto’s 5, 6, 7 en 8). - in de slaapkamer van een medebewoner werden een airsoft-pistool, meerdere messen en tien stuks illegaal vuurwerk aangetroffen, waaronder vier Cobra’s 3 BP 4 (foto 9, 10, 11 en 12) - de woning maakte een vervuilde en rommelige indruk (foto’s 13 en 14). - in de woonkamer lagen op de salontafel een paar glazen plaatjes/spiegeltjes met restanten wit poeder en versnijvoorwerpen (foto’s 15 en 16). Negenenveertig pillen, met een totaalgewicht van 19,3 gram, werden indicatief getest en gaven een negatief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van verdovende middelen en betreft waarschijnlijk een geneesmiddel. [gedaagde sub 2] verklaarde hier zelf over dat deze pillen een slaapmiddel (Seraquel) zou betreffen afkomstig van de Brijder. Vijf pillen, met een totaal gewicht van 3,4 gram, werden indicatief getest en gaven een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van MDMA (en MDEA mogelijk). Eén pil, met een totaal gewicht van 0,4 gram, werd indicatief getest en gaf een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van MDMA (en mefedron mogelijk). De witkleurige kristalachtige brokjes, met een totaalgewicht van 20,5 gram, werden indicatief getest en gaven een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van methamfetamine. Van alle in de slaapkamer van [gedaagde sub 2] aangetroffen wapens bleken na onderzoek alleen het airsoft-pistool en de wurgstokjes strafbaar te zijn. (…) Richtlijn OM In de richtlijn van het Openbaar Ministerie “Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, harddrugs” geldt 1 pil of 0,5 gram als gemiddelde consumptie-eenheid. Bezit van meer dan 5 gram valt onder handelshoeveelheid en is daarmee strafbaar gesteld onder artikel 2B van de Opiumwet. (…) 4CONCLUSIEOp grond van de bevindingen kan geconcludeerd worden dat de hoofdbewoner van perceel [adres] , zijnde [gedaagde sub 2] , op zondag 15 maart 2020 in zijn woning beschikking had over diverse soorten harddrugs waaronder 5 pillen (zeer waarschijnlijk) MDMA (en MDEA mogelijk) en 20,5 gram (zeer waarschijnlijk) methamfetamine. NFI-rapportages zullen daar te zijner tijd uitsluitsel over geven. Dit levert richting [gedaagde sub 2] een verdenking op van overtreding van artikelen 2B en 2C van de Opiumwet. 2.
- Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wijst uit dat in de woning drie tabletten zijn gevonden van 1,0 gram, 0,4 gram en 2,4 gram die MDMA (3,4-methyleendioxymehthamfetamine, vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet) bevatten. 2.
- Uit justitiële documentatie van de Justitiële Informatiedienst van 9 juni 2020 betreffende [gedaagde sub 2] volgt dat de volgende zaken betreffende misdrijven nog open staat:- geweld tegen beroepsbeoefenaars politie, pleegdatum 15 maart 2020;- slag en stootwapens bezit, pleegdatum 15 maart
- Daaruit volgt tevens dat [gedaagde sub 2] op 18 maart 2020 in preventieve hechtenis is genomen, welke hechtenis op 16 april 2020 is geschorst. Daarbij zijn onder meer als voorwaarden opgelegd dat [gedaagde sub 2] zich niet schuldig maakt aan strafbare feiten en dat hij zich laat behandelen bij Ambulant Centrum Fivoor conform de aanwijzingen van GGZ Fivoor [regio] . 2.
- Per brief d.d. 2 april 2020 laat de burgemeester van [gemeente] aan [gedaagde sub 2] weten: (…) Ik heb op 27 maart 2020 een bestuurlijke rapportage gehad van de politie Noord-Holland. De aanleiding voor deze bestuurlijke rapportage is het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs, een groot aantal wapens en illegaal vuurwerk in uw huurwoning op het adres [adres] . Zoals reeds aangekondigd in mijn brief d.d. 18 maart jl. (kenmerk: [kenmerk] ) ben ik voornemens om u in verband met de overtreding van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen. (…) In uw huurwoning is een handelshoeveelheid (hard)drugs aangetroffen. Dat blijkt uit de indicatieve tests van het Nederlands Forensisch Instituut en de bestuurlijke rapportage die ik van de politie heb ontvangen. (…) Daarnaast werd een groot aantal wapens (waaronder een aantal verboden wapens) en illegaal vuurwerk aangetroffen. Deze constateringen neem ik niet mee bij het inzetten van mijn bevoegdheid. Gelet op het bovenstaande ben ik namelijk voornemens om gebruik te maken van mijn bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet. Ik ben daarom van plan de woning (…) voor de duur van twee maanden te sluiten vanaf het moment dat de maatregelen naar aanleiding van de Coronacrisis opgeheven worden. (…) 2.
- Bij brief d.d. 16 april 2020 geeft Pre Wonen [gedaagde sub 2] de mogelijkheid om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen, wat [gedaagde sub 2] niet doet. 2.
- Bij besluit van 18 mei 2020 bepaalt de burgemeester dat de woning per 1 juni 2020 zal worden gesloten. De daadwerkelijke sluiting is uitgesteld vanwege de maatregelen omtrent het Coronavirus. In het besluit staat: Zoals gesteld is mijn voornemen om uw woning te sluiten zodra de maatregelen met betrekking tot het Coronavirus zijn ingetrokken. Tegen die tijd wordt u nog geïnformeerd door mij. 2.
- Per brief d.d. 25 mei 2020 ontbindt Pre Wonen de huurovereenkomst buitengerechtelijk per 1 juni
- 2.
- Op 28 mei 2020 dient [gedaagde sub 2] tegen dit besluit bezwaar in en start hij bij de bestuursrechter een procedure voorlopige voorzieningen. De zitting voor deze procedure vindt plaats op 9 juni
- De sluiting van de woning is aangehouden hangende deze procedure. 3De vordering 3.
- Pre Wonen vordert – na vermeerdering van eis – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening:I. gedaagden veroordeelt de woning gelegen aan [adres] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis met de daar vanwege gedaagden aanwezige goederen en personen te ontruimen, met afgifte aan Pre Wonen van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van Pre Wonen te stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagden hiermee in gebreke blijven met een maximum van € 20.000,00;II. gedaagden veroordeelt tot betaling van de huidige huurachterstand van derhalve € 1.696,69 aan Pre Wonen en verder tot voldoening van de huurprijs (€ 563,74 per maand) dan wel een daaraan gelijke gebruiksvergoeding tot aan het moment van ontruiming, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke vervaldata dan wel vanaf datum dagvaarding;III. gedaagden veroordeelt tot betaling van een voorschot op de schade die Pre Wonen lijdt ten gevolge van de sluiting door de burgemeester welk voorschot wordt bepaald op € 1.100,00;IV. gedaagden veroordeelt in de kosten van dit geding daaronder uitdrukkelijk mede begrepen de na de uitspraak nog vallende kosten. 3.
- Pre Wonen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Primair voert zij aan dat zij op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden omdat de burgemeester heeft aangekondigd de woning te sluiten in verband met overtreding van de Opiumwet. Gelet op deze buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst moet [gedaagde sub 2] de woning ontruimen. Subsidiair beroept Pre Wonen zich op ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie en vordert zij daarop vooruitlopend ontruiming van de woning. De eerste tekortkoming is dat [gedaagde sub 2] de woning niet heeft gebruikt conform de overeengekomen bestemming van woonruimte (artikel II van de huurovereenkomst), door een drugs-, (verboden) wapen- en/of (illegale) vuurwerkhandel te exploiteren/in stand te houden. [gedaagde sub 2] handelt daarmee tevens in strijd met artikel 7:214 BW. De tweede tekortkoming van [gedaagde sub 2] is dat hij in strijd met artikel 11 lid 3 van de Algemene Huurvoorwaarden heeft gehandeld, nu hij verdovende middelen in de woning had en/of daarin heeft gehandeld vanuit de woning en activiteiten heeft verricht in strijd met de (Opium)wet. De derde tekortkoming van [gedaagde sub 2] bestaat eruit dat hij artikel 2 van de Opiumwet heeft overtreden door de bedrijfsmatige verhandeling van (hard)drugs. In de woning zijn gevonden: 5 pillen (totaal 3,4 gram) met een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van MDMA en mogelijk MDEA, 1 pil (0,4 gram) met een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van MDMA en mogelijk Mefedron en witkleurig kristalachtige brokjes (totaal 20,5 gram) met een positief resultaat op de mogelijke aanwezigheid van Methamfetamine. De vierde tekortkoming ligt erin dat [gedaagde sub 2] in strijd heeft gehandeld met artikel 7 lid 1 van de Algemene Huurvoorwaarden en artikel 7:213 BW waarin is bepaald dat de huurder zich als een goed huurder dient te gedragen. Door het in stand houden/aanwezig hebben van de drugs-, (verboden) wapens en/of (illegaal) vuurwerkhandel heeft [gedaagde sub 2] zich niet als goed huurder gedragen. In de woning is een groot aantal wapens en illegaal vuurwerk aangetroffen. Daarbij komt nog dat [gedaagde sub 2] , door deze tekortkomingen een situatie heeft doen ontstaan waarbij het woon-, werk- en leefklimaat in de nabije omgeving is bedreigd. Ook veroorzaken [gedaagde sub 2] en zijn bezoekers overlast aan andere bewoners van het flatgebouw die ook huren van Pre Wonen. 3.
- Verder stelt Pre Wonen dat [gedaagde sub 2] een huurachterstand heeft van drie maanden. Ook deze achterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en, daarop vooruitlopend, ontruiming van het gehuurde. Omdat Pre Wonen bij een sluiting van de woning gedurende twee maanden schade zal leiden (gederfd huurinkomsten) vordert zij een voorschot op deze schadevergoeding van € 1.100,
- 4Het verweer 4.
- [gedaagde sub 2] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat buitengerechtelijke ontbinding niet mogelijk is omdat daarvoor noodzakelijk is dat de woning daadwerkelijk feitelijk gesloten is. Dat is niet het geval. Daarnaast ontbreekt voor de subsidiair aangevoerde tekortkoming het spoedeisend belang nu de overlastklachten dateren van 2018 en 2019 en het incident waarbij de woning is doorzocht van begin
- [gedaagde sub 2] wordt niet door het OM vervolgd voor de aangetroffen verdovende middelen. Ook staat niet vast dat [gedaagde sub 2] een handelshoeveelheid verdovende middelen in zijn bezit had. De huurachterstand is niet groter dan twee maanden huur, zodat deze ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde niet rechtvaardigt. Het spoedeisend belang bij de vordering tot betaling van de huurachterstand ontbreekt. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schadevergoeding wegens de voorgenomen sluiting. Niet staat vast dat de woning daadwerkelijk en gedurende twee maanden zal worden gesloten. [gedaagde sub 2] heeft bovendien een rechtsmiddel tegen de voorgenomen sluiting aangewend. Tot slot stelt [gedaagde sub 2] dat de ontruimingstermijn, vanwege de coronacrisis en de daarop gebaseerde spoedregelgeving, dient te worden bepaald op veertien dagen. 5De beoordeling 5.
- Dit kort geding betreft de ontruiming van een woning door een huurder die onder beschermingsbewind staat. Uit HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525 volgt dat de verhuurder in dat geval de bewindvoerder moet dagvaarden en dat hij, voor zover hij (ook) de huurder zelf heeft gedagvaard, niet ontvankelijk moet worden verklaard. Pre Wonen heeft zowel haar huurder [gedaagde sub 2] als diens beschermingsbewindvoerder gedagvaard. De kantonrechter begrijpt de vorderingen aldus dat Ymere heeft beoogd deze tegen beide gedaagden in te stellen. De beschermingsbewindvoerder heeft verstek laten gaan. [gedaagde sub 2] is wel verschenen en heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 5.
- Conform voornoemd arrest moet Ymere in haar vordering tegen [gedaagde sub 2] formeel gezien niet ontvankelijk worden verklaard. Nu de bewindvoerder niet is verschenen en de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, moet tegen haar formeel gezien verstek worden verleend. Op grond van artikel 139 Rv wijst de rechter in geval van verstek de vordering toe, tenzij deze hem onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De rechter dient daarom ambtshalve te toetsen of het gevorderde niet in strijd komt met het objectieve recht en/of de aangevoerde gronden het gevorderde kunnen dragen. Hoewel normaliter slechts sprake is van een marginale toets, ziet de kantonrechter in dit geval aanleiding voor een verdergaande toetsing omdat het gaat om ontruiming van een woning waardoor een vergaande inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de huurder. Voorts is van belang dat de huurder in kwestie wel is verschenen en gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Ten slotte is relevant dat het gaat om een kort geding: Pre Wonen dient spoedeisend belang bij haar vorderingen te hebben en de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden dienen voldoende aannemelijk te zijn omdat voor nader onderzoek of bewijslevering in kort geding geen plaats is. 5.
- Pre Wonen heeft voor de ontruiming van de woning twee grondslagen aangevoerd, te weten (primair) de buitengerechtelijke ontbinding die op grond van artikel 7:231 lid 2 BW heeft plaatsgevonden en (subsidiair) een zodanige ernstige wanprestatie door [gedaagde sub 2] dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst en daarop vooruitlopend de ontruiming van de woning rechtvaardigt. 5.
- Ingevolge artikel 7:231 lid 2 jo lid 1 BW kan de verhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbinden op grond dat door gedragingen in de woning in strijd met artikel 2 of 3 Opiumwet is gehandeld en de woning daarom op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:231 lid 2 BW volgt echter dat met de term ‘is gesloten’ in artikel 7:231 lid 2 BW gedoeld wordt op de feitelijke sluiting van het gehuurde. De aankondiging van de burgemeester dat deze tot sluiting van de woning zal overgaan, is dus onvoldoende voor buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de verhuurder. Dat laatste kan de verhuurder pas doen als de woning daadwerkelijk feitelijk gesloten is. Nu vaststaat dat de woning (nog) niet feitelijk gesloten is, leidt dit er toe dat de vordering tot ontruiming op de primair daaraan gelegde grondslag niet kan slagen. 5.
- Voor wat betreft de subsidiaire grondslag geldt het volgende. Dat [gedaagde sub 2] een huurder is die al langere tijd problemen veroorzaakt, is op zichzelf aannemelijk. Dat blijkt onder andere uit de bestuurlijke rapportages, de bij Pre Wonen gemelde klachten van omwonenden en de sommatiebrieven van Pre Wonen aan [gedaagde sub 2] . Ook uit het binnentreden van de politie op 15 maart 2020 waarbij enkele verdovende middelen en enkele verboden wapens zijn aangetroffen, blijkt dat [gedaagde sub 2] zich niet gedraagt zoals een goed huurder betaamt. Deze omstandigheden zijn in kort geding evenwel onvoldoende om de gevorderde ontruiming toe te wijzen. Reden daarvoor is dat de laatste klachten van omwonenden over overlast van eind 2019 (lijken te) dateren. De binnentreding door de politie vond vier maanden geleden plaats. Gesteld noch gebleken is dat zich sindsdien nog incidenten hebben voorgedaan. Gelet op de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis, mag worden verwacht dat [gedaagde sub 2] zich de komende tijd behoorlijk zal gedragen. Gelet hierop ontbreekt het spoedeisend belang bij de vordering tot ontruiming van de woning. Daarbij komt dat op dit moment nog onvoldoende duidelijk is in hoeverre [gedaagde sub 2] een handelshoeveelheid verdovende middelen in de woning had, nu hij hiervoor niet vervolgd lijkt te worden. Voorts staat ook nog niet vast welke bestuursrechtelijke en strafrechtelijke gevolgen de binnentreding van 15 maart 2020 en hetgeen daarbij is aangetroffen, (uiteindelijk) voor [gedaagde sub 2] gaan hebben. Hiervoor is nader onderzoek nodig, waarvoor deze kort geding procedure zich niet leent. Dit betekent dat de vordering tot ontruiming van de woning zal worden afgewezen. 5.
- De vordering tot betaling van de huurachterstand, waarvan vast is komen te staan dat deze tot op heden alleen de maand juni betreft, zal eveneens worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. Dat laat onverlet dat [gedaagde sub 2] de huur over de maand juni wel verschuldigd is. De vordering tot betaling van een voorschot op de schade die Pre Wonen lijdt als gevolg van de sluiting door de burgemeester wordt eveneens afgewezen nu de woning niet daadwerkelijk gesloten is en van schade niet is gebleken. 5.
- De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Pre Wonen tegen Borgstaete zal afwijzen en dat Pre Wonen in haar vordering tegen [gedaagde sub 2] niet ontvankelijk zal worden verklaard. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van Pre Wonen, omdat zij ongelijk krijgt. Omdat Borgstaete niet is verschenen, zullen haar kosten worden begroot op nihil. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering voor zover deze is ingesteld tegen Borgstaete af en verklaart Pre Wonen in haar vordering tegen [gedaagde sub 2] niet-ontvankelijk; 6.
- veroordeelt Pre Wonen tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Borgstaete worden vastgesteld op nihil en voor [gedaagde sub 2] worden vastgesteld op een bedrag van € 720,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde sub 2] . Dit vonnis is gewezen door mr J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter