RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Bewind locatie Alkmaar Zaaknr./rolnr.: 8419195 \ CV EXPL 20-1375 BL Uitspraakdatum: 22 juli 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting Stichting Woonwaard Noord-Kennemerland gevestigd te Alkmaar eiseres verder te noemen: Woonwaard gemachtigde: mr. M.J. Dekker tegen 1 [gedaagde 1] 2. [gedaagde 2] beiden wonende te [woonplaats] gedaagden verder gezamenlijk te noemen: [gedaagden] , en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemachtigde: mr. M. Hoefs toevoeging: 4OB6385 1Het procesverloop 1.1. Woonwaard heeft bij dagvaarding van 20 maart 2020 een vordering tegen [gedaagden] ingesteld. [gedaagden] hebben schriftelijk geantwoord. 1.2. Op 24 juni 2020 heeft (via Skype voor bedrijven) een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Woonwaard en [gedaagden] hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting hebben Woonwaard en [gedaagden] bij brieven van 12 juni 2020 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.1. [gedaagde 1] huurt met ingang van 29 oktober 1999 de woning aan de [adres] te [plaats] (verder: de woning) van Woonwaard. [gedaagde 2] is als echtgenote van [gedaagde 1] van rechtswege medehuurder. 2.2. Op de huurovereenkomst is van toepassing het Huurreglement van Woonwaard, versie december 1998. 2.3. [gedaagden] hebben een dochter (hierna te noemen: [naam dochter] ), die op 22 september 2013 moeder is geworden van een dochter (hierna te noemen: [naam kind] ). De vader van [naam kind] (hierna te noemen: [naam 1] ) woont in Engeland. [naam dochter] en [naam 1] zijn sinds 2017 verwikkeld in gerechtelijke procedures rondom (de omgang met) [naam kind] . Op 27 juli 2018 heeft een Engelse rechter bepaald dat [naam dochter] uiterlijk op 3 augustus 2018 [naam kind] terug moet brengen naar het Verenigd Koninkrijk, en haar tot nader order verboden met [naam kind] het Verenigd Koninkrijk te verlaten. 2.4. In oktober 2018 ontving Woonwaard van een omwonende een anonieme melding ‘leegstand, huurder in Engeland, zoon doet post’ met betrekking tot de woning van [gedaagden] Naar aanleiding daarvan heeft Woonwaard achtereenvolgens op 7 november 2018, 18 januari 2019, 20 februari 2019, 22 maart 2019 en 15 mei 2019 de woning bezocht en niemand thuis aangetroffen. 2.5. In een brief van 5 april 2019 schrijft Woonwaard aan [gedaagde 1] meldingen ontvangen te hebben dat de woning onrechtmatig wordt gebruikt, en dit met [gedaagde 1] te willen bespreken. [gedaagde 1] wordt daartoe uitgenodigd voor een gesprek op 19 april 2019, en verzocht stukken mee te nemen waaruit blijkt dat hij de woning bewoont. 2.6. Op 18 april 2019 heeft [gedaagde 1] telefonisch contact opgenomen met Woonwaard, en gezegd niet op de afspraak te kunnen verschijnen omdat hij in Engeland is, dat zijn dochter niet naar Nederland mag van de Engelse rechter en er op 8 mei 2019 een hoorzitting is. Afgesproken wordt dat [gedaagde 1] daarna contact met Woonwaard opneemt voor het maken van een nieuwe afspraak. 2.7. Omdat Woonwaard vervolgens niets van [gedaagden] verneemt, nodigt zij [gedaagde 1] bij brief van 17 juli 2019 opnieuw uit voor een persoonlijk gesprek om over de bewoning van de woning te praten, en wel op 2 augustus 2019. Daarbij wordt [gedaagde 1] wederom verzocht stukken mee te nemen waaruit blijkt dat hij de woning bewoont. [gedaagden] verschijnen niet op deze afspraak. 2.8. Bij brief van 30 oktober 2019 schrijft de gemachtigde van Woonwaard, voor zover van belang, het volgende aan [gedaagden] “(…) Op grond van de wet dient u zich als goed huurder te gedragen. Hieronder dient ook te worden verstaan dat een huurder zijn hoofdverblijf in de woning heeft zodat een huurder feitelijk in staat is de verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van het gehuurde te blijven dragen. Verder geeft volgens vaste rechtspraak het niet hebben van het hoofdverblijf in een schaarse sociale huurwoning geen pas. Er zijn lange wachtlijsten voor deze woningen en deze woningen worden (deels) door middel van subsidies bereikbaar gemaakt. Cliënte heeft ontdekt dat u niet uw hoofdverblijf in de woning hebt. Cliënte heeft u diverse malen uitgenodigd om u te horen naar aanleiding van de meldingen die zij ontving over de woonfraude. U zegt gesprekken echter telkens af. Ook heeft cliënte regelmatig huisbezoeken afgelegd waarbij u nooit thuis werd getroffen. Diverse omwonenden hebben verder verklaard dat u niet in de woning woont. (…)” Daarbij zijn [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om binnen 5 dagen de huur op te zeggen, om een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te voorkomen. [gedaagden] hebben de huurovereenkomst niet opgezegd. 2.9. Op 9 november 2019 ontvangt (de gemachtigde van) Woonwaard een e-mail van [naam 2] , die schrijft samen met zijn echtgenote als vrijwilligers / SchuldHulpMaatje al geruime tijd betrokken te zijn bij [gedaagden] Volgens [naam 2] is sprake van enig misverstand over hun aan- dan wel afwezigheid, en bewonen [gedaagden] nog immer de woning. 2.10. In een e-mail van 19 november 2019 schrijft Woonwaard aan [gedaagden] :“(…) [naam 2] (…) heeft – kort gezegd – toegelicht waarom u van mening bent dat u nog wel steeds uw hoofdverblijf in het gehuurde hebt. Onder meer heeft hij toegelicht dat u in de loop van 2019 regelmatig voor langere tijd in Engeland verblijft omdat uw dochter en haar kleindochter Engeland thans niet mogen verlaten wegens een geschil met de ex-partner van uw dochter. U zou daar bemiddelend optreden. U verblijft in Engeland dan bij uw zoon. Ook zou u in de loop van november weer definitief terugkomen. (…)”Daarbij handhaaft Woonwaard haar stelling dat [gedaagden] niet hun hoofdverblijf in de woning hebben, omdat getuigen hebben verklaard dat [gedaagden] al jarenlang daar hun hoofdverblijf niet meer hebben, hetgeen niet rijmt met de toelichting dat zij slechts wegens bijzondere (incidentele) omstandigheden in Engeland zouden verblijven. En bovendien ontslaat een dergelijke noodzaak [gedaagden] niet van hun verplichting hoofdverblijf in het gehuurde te hebben, aldus Woonwaard. Woonwaard stelt [gedaagden] in de gelegenheid om binnen 5 dagen bewijsstukken te verstrekken waaruit blijkt dat zij in ieder geval vanaf 2017 onafgebroken hun hoofdverblijf in de woning hadden. 2.11. Vervolgens hebben [gedaagden] stukken aan Woonwaard verstrekt, waarover partijen hebben gecorrespondeerd. [gedaagden] zijn bij herhaling in de gelegenheid gesteld nadere stukken te verstrekken. Ook de aanvullend overgelegde stukken zijn echter voor Woonwaard niet toereikend om hoofdverblijf in de woning aan te nemen, zodat zij de onderhavige procedure is gestart. 3De vordering 3.1. Woonwaard vordert – samengevat – dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt, en [gedaagden] veroordeelt tot ontruiming van de woning en doorbetaling van de huurprijs totdat de woning is ontruimd. 3.2. Woonwaard legt aan de vordering – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [gedaagden] gedragen zich niet als goed huurder, doordat zij al jarenlang (en in elk geval sinds 2017) niet hun hoofdverblijf in de woning hebben. Als een huurder niet aanwezig is kan hij de verantwoordelijkheid voor de wijze van gebruik van het gehuurde niet dragen, en is de kans op schade groot. Woonwaard heeft dus groot belang bij het niet onbeheerd achterblijven van de woning. Bovendien levert het onbewoond laten van een schaarse sociale huurwoning op grond van de rechtspraak zelfstandig schending van goed huurderschap op tegenover Woonwaard, die als toegelaten instelling in de zin van de Woningwet moet zorgdragen voor een rechtvaardige verdeling daarvan. De wachtlijst voor een dergelijke woning in [woonplaats] is ongeveer 8 jaar. De tekortkoming van [gedaagden] in de nakoming van de huurovereenkomst is niet meer ongedaan te maken en rechtvaardigt de ontbinding daarvan met ontruiming van de woning. 4Het verweer 4.1. [gedaagden] betwisten de vordering en voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. [gedaagden] hebben hun hoofdverblijf in de woning. Vanwege problemen met hun dochter, die volledig van hen afhankelijk is, verbleven [gedaagden] noodgedwongen regelmatig in Engeland. Tijdens het noodgedwongen verblijf van [gedaagden] in Engeland heeft hun zoon toezicht gehouden op de woning. Zelfs indien [gedaagden] niet hun hoofdverblijf in de woning hadden, levert dit geen slecht huurderschap op. [gedaagden] hoefden niet te begrijpen dat zij in de woning hun hoofdverblijf moesten hebben. Dit is niet contractueel vastgelegd, en op de website van Woonwaard is te lezen dat huisbewaring tot maximaal twee jaar is toegestaan wanneer sprake is van zwaarwegende redenen waardoor tijdelijk geen gebruik van de woning gemaakt kan worden. Indien geoordeeld wordt dat wel sprake is van een tekortkoming van [gedaagden] , rechtvaardigt deze onder de gegeven omstandigheden niet de ontbinding van de huurovereenkomst. 5De beoordeling 5.1. De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat voor [gedaagden] geen contractuele verplichting bestaat om hoofdverblijf in de woning te hebben. In de huurovereenkomst is slechts bepaald dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt als woonruimte, en ingevolge artikel 6 lid 1 en 2 van het toepasselijke Huurreglement geldt voor de huurder als verplichting, voor zover in deze zaak van belang, het gehuurde overeenkomstig de bestemming als woonruimte en als een goed huisvader te gebruiken. 5.2. Woonwaard baseert haar vordering dan ook op artikel 7:213 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat de huurder verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als goed huurder te gedragen. Ook hieruit volgt geen verplichting om hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. Het (enkele) niet of nauwelijks bewoond laten van woonruimte kan wel een schending van de verplichting tot goed huurderschap opleveren, maar zonder contractuele bepaling daarover is het afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval of van een zodanige schending sprake is. 5.3. Op basis van de eigen stellingen van [gedaagden] kan als vaststaand worden aangenomen dat zij in elk geval van december 2017 tot maart 2020 overwegend bij hun in Engeland wonende kinderen verbleven, met tussentijdse korte(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.