RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7570421/ CV EXPL 19-2506 Uitspraakdatum: 5 augustus 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: de stichting STICHTING PRÉ WONEN, gevestigd te Velserbroek eiseres verder te noemen: Pré Wonen gemachtigde: mr. M.W. Huijbers tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. F. Teuben 1Het procesverloop 1.1. Pré Wonen heeft bij dagvaarding van 21 februari 2019 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. 1.2. Pré Wonen heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven. Ten slotte heeft Pré Wonen nog een akte uitlating producties genomen. 2De feiten 2.1. Pré Wonen is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet. 2.2. Pré Wonen verhuurt sinds 1991 aan [gedaagde] de woning aan [adres]. Deze woning is gelegen in een wooncomplex dat met blokverwarming wordt verwarmd. Onderdeel van de huurovereenkomst maakt uit de levering van warmte aan [gedaagde] . 2.3. Pré Wonen heeft de door [gedaagde] verschuldigde kosten van warmtelevering (verwarmingskosten en warm waterkosten) over het jaar 2015 door middel van een afrekening vastgesteld op € 2.656,46 en die over het jaar 2016 op € 2.437,40. Pré Wonen heeft gerekend met een bedrag aan vaste kosten van € 210,- voor 2015 en voor 2016. Voor de variabele kosten rekende Pré Wonen € 22,- per gigajoule in beide jaren. Deze tarieven zijn niet gebaseerd op de daadwerkelijk gemaakte kosten voor warmtelevering in een specifiek complex of in een specifieke woning omdat Pré Wonen voor al haar afnemers, zowel voor de vaste als de variabele kosten een gelijk tarief hanteert. 2.4. De tarieven van Pré Wonen zijn lager dan de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) voor 2015 en 2016 vastgestelde maximumtarieven op grond van de Warmtewet (vaste kosten: € 281,78 en variabele kosten: € 22,64 per gigajoule in 2015 en vaste kosten: € 276,13 en variabele kosten: € 22,66 in 2016). 2.5. [gedaagde] heeft de afrekening ter beoordeling voorgelegd aan de Huurcommissie. In haar uitspraak (verzonden op 31 december 2018) heeft de Huurcommissie de betalingsverplichting van [gedaagde] voor de warmtelevering vastgesteld op € 2.157,99 voor het jaar 2015 en op € 1.531,13 voor het jaar 2016. 2.6. In de uitspraak staat onder meer: (…) De commissie hantert als uitgangspunt bij de doorberekening van servicekosten dat ten hoogste de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden doorberekend. Toebedeling daarvan dient te geschieden naar de kleinst mogelijke eenheid. De commissie acht het daarom niet toelaatbaar dat de verhuurder één tarief hanteert voor zijn gehele bezit. Verhuurder dient af te rekenen op basis van de (in dit geval) per complex gemaakte kosten. Een oplossing danwel berekening zoals in het vonnis d.d. 1 november 2017 is aangedragen (de afrekening minus de afschrijving en onderhoud) is in deze zaak niet te maken, nu het eenvoudigweg niet duidelijk is hoe de vaste kosten zijn opgebouwd, en dus welk deel betrekking heeft op de kosten die mogelijk niet mogen worden doorberekend. Voorts is de commissie van mening dat, anders dan verhuurder heeft gesteld, er in dit geval wel winst wordt gemaakt op de levering van warmte. Weliswaar is in overleg besloten een bedrag met de huurders te verrekenen, maar dat maakt naar het oordeel van de commissie niet dat er geen winst is gemaakt. (…) 3De vordering 3.1. Pre Wonen vordert, na wijziging van eis, - samengevat - dat de kantonrechter: primair: I. voor recht verklaart dat de betalingsverplichting van [gedaagde] aan Pré Wonen met betrekking tot warmtelevering over het jaar 2015 € 2.656,46 bedraagt en over het jaar 2016 € 2.437,40 conform de door Pré Wonen opgestelde eindafrekeningen;II. voor recht verklaart dat Pré Wonen binnen de systematiek van zowel de Warmtewet als de huurwetgeving, waaronder het Besluit Servicekosten, gerechtigd is om de kosten die zij aan haar huurders in rekening brengt voor de levering van warmte vast te stellen op basis van de gemiddelde kosten van warmtelevering van alle wooncomplexen van Pré Wonen met complexverwarming;subsidiair:III. de betalingsverplichting van [gedaagde] aan Pré Wonen met betrekking tot afrekening warmtelevering over de jaren 2015 en 2016 vaststelt met inachtneming van de vermindering ter hoogte van € 131,58 die Pré Wonen zowel over 2015 als 2016 met betrekking tot de servicekosten heeft toegepast in verband met de component kosten voor onderhoud en afschrijving van de centrale warmte-installatie;nog meer subsidiair:IV. een voorziening treft die de kantonrechter in goede justitie geraden acht;V. [gedaagde] in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeelt. 3.2. Pré Wonen legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens Pré Wonen is de uitspraak van de Huurcommissie in strijd met de wet om twee redenen. - Ten eerste staat de Huurcommissie ten onrechte niet toe dat de kosten van onderhoud en afschrijving van de centrale warmte-installatie worden meegenomen in de aan [gedaagde] in rekening gebrachte kosten voor warmtelevering. Uit de wetsgeschiedenis en de standpunten die de minister later heeft ingenomen, volgt volgens Pré Wonen dat de verhuurder alle kosten van onderhoud en afschrijving voor de warmte-installatie mag doorberekenen in de kosten voor warmtelevering, en dus niet meer, zoals voorheen het geval was, als onderdeel van de kale huur. Om die reden is in veel gevallen de aanvangshuurprijs (kale huur) verlaagd. In geval van [gedaagde] is de kale huur weliswaar niet verlaagd maar is hij gecompenseerd doordat een bedrag van € 131,58 per jaar op de kosten voor warmtelevering in mindering is gebracht. Als de kosten van onderhoud en afschrijving voor de warmte-installatie niet via de kosten van warmtelevering aan de huurders in rekening gebracht mogen worden, dan kan Pré Wonen deze kosten überhaupt niet in rekening brengen. - Ten tweede staat de Huurcommissie ten onrechte niet toe dat Pré Wonen één corporatie breed standaard tarief voor al haar afnemers van warmte toepast. Deze benadering past niet in de systemethiek van de Warmtewet. Deze wet gaat er van uit dat de leverancier geen onredelijk hoog rendement mag maken op zijn totale warmtelevering. Hij heeft binnen zijn totale warmtelevering de vrijheid om zijn prijzen binnen de grenzen die door de maximumprijzen van de Warmtewet worden gesteld zodanig vast te stellen dat het verschil tussen rendabele en minder rendabele netten over zijn verschillende afnemers wordt verdeeld. Hij mag dus voor alle afnemers dezelfde prijs vaststellen, ongeacht het net waarop zij zijn aangesloten. Het Besluit Servicekosten geldt weliswaar ook nog steeds maar moet ten aanzien van de kosten voor warmtelevering conform de systematiek van de Warmtewet worden toegepast. Volgens dat Besluit moet de prijs voor zaken die samenhangen met de huur (zoals warmtelevering) worden getoetst aan de geldende wettelijke regeling en de redelijkheid. De geldende wettelijke regeling is hier de Warmtewet. Als de voorwaarden waaronder warmte wordt geleverd in overeenstemming zijn met de Warmtewet, is de redelijkheid van de servicekosten daarmee gegeven. Er is daarom geen ruimte voor een extra redelijkheidstoets bij de beoordeling van kosten voor warmtelevering. De wetgever heeft met de invoering van de Warmtewet juist afgezien van een redelijkheidstoets, maar gekozen voor maximum tarieven. Door die maximum tarieven betaalt de gebruiker al een redelijk tarief. Het maximum tarief representeert het tarief dat gebruiker zou hebben betaald indien hij een individuele aansluiting had. De leverancier mag het maximumtarief in rekening brengen zonder hierover verantwoording af te leggen of de door hem gemaakte kosten te specificeren. Een toets aan de werkelijk gemaakte kosten past daarom niet in het systeem van de Warmtewet en een toets aan werkelijke kosten op complexniveau vindt geen grondslag in de regelgeving. Conform voormelde uitgangspunten heeft Pré Wonen de tarieven corporatie breed vastgesteld en dus niet per complex. Alle afnemers worden op die manier gelijk behandeld. De kosten van warmtelevering worden gerelateerd aan de kosten die op corporatieniveau gemoeid zijn met de levering van warmte aan alle huurders gezamenlijk. 4Het verweer 4.1. [gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat de Warmtewet hier niet van toepassing is. Partijen hadden al een lopende huurovereenkomst op grond waarvan de daadwerkelijk gemaakte kosten werden afgerekend en waarbij de kosten voor onderhoud en afschrijving in de huurprijs waren opgenomen. Pré Wonen kan dat niet eenzijdig wijzigen. Als de Warmtewet wel van toepassing is, dan is van belang dat Pré Wonen de huurprijs niet heeft verlaagd, wat wel zou moeten omdat onderhoud en afschrijving van de warmte-installatie niet meer in de kale huur zijn inbegrepen. Verder geldt dat de Warmtewet consumentenbescherming als doel heeft. Daarmee verdraagt zich niet dat de verhuurder naar eigen inzicht en zonder verantwoording af te leggen een gebruiksonafhankelijke vergoeding in rekening brengt. De stelling van Pré Wonen dat de redelijkheid al is ingebakken in de maximumtarieven die zij in rekening mag brengen, gaat niet op. Het is niet redelijk om een hoger bedrag te rekenen dan daadwerkelijk wordt verbruikt. De Huurcommissie gaat uit van de werkelijke kosten van het individuele complex. Op deze manier beschermt de Huurcommissie de consument tegen te hoge kosten. Het is bovendien niet redelijk dat een verhuurder winst maakt over de aflevering van warmte. Pré Wonen erkent dat weliswaar maar is [gedaagde] niet tegemoet gekomen. Ten slotte meent [gedaagde] dat moet worden geanticipeerd op herziening van de Warmtewet. Verhuurders die warmte leveren worden uitgezonderd van de Warmtewet, waardoor op hen nog alleen het huurrechtelijke regime van de servicekosten van toepassing zal zijn. In dat geval moeten de kosten van warmtelevering zoveel mogelijk aansluiten bij de daadwerkelijk gemaakte kosten op individueel niveau en kunnen de kosten van afschrijving en onderhoud niet vallen onder de stook- en warmtekosten. Dit zou ook voor de afrekeningen over de jaren 2015 en 2016 moeten gelden. 5De beoordeling 5.1. Uit artikel 7:262 lid 1 BW volgt dat wanneer de Huurcommissie uitspraak heeft gedaan, huurder en verhuurder geacht worden te zijn overeengekomen wat in die uitspraak is bepaald. Dat geldt echter niet als een van hen binnen acht weken na de verzenddatum van die uitspraak een beslissing van de rechter heeft gevorderd over het punt waarover de Huurcommissie om een uitspraak was verzocht. De dagvaarding van Pré Wonen is binnen die termijn uitgebracht. Daarmee verliest de uitspraak van de Huurcommissie haar bindende werking en moet de kantonrechter zelf in de zaak voorzien. 5.2. De kantonrechter zal eerst het verweer van [gedaagde] dat de Warmtewet niet van toepassing is, omdat deze wet pas in werking is getreden nadat de huurovereenkomst tussen hem en Pré Wonen tot stand is gekomen, behandelen. Dit verweer kan niet slagen. De Warmtewet is immers van rechtswege en dwingend van toepassing op alle leveranciers van warmte en dus ook op verhuurders van complexen met blokverwarming. Pré Wonen valt daar als verhuurder van complexen met blokverwarming onder. Net zoals [gedaagde] daar als gebonden afnemer van warmte onder valt. Ingevolge de Warmtewet is de warmtelevering uit de lopende huurovereenkomst gehaald en verhuisd naar een warmteleveringsovereenkomst. 5.3. De kantonrechter zal vervolgens ingaan op de vraag (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.