RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/063420-20 Uitspraakdatum: 7 juli 2020 Tegenspraak Vonnis Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juni 2020 in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , thans gedetineerd in [detentieadres] . De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.P. Visser en van hetgeen verdachte en haar raadsman, mr. C.W.J. Faber, advocaat te Eindhoven, naar voren hebben gebracht. 1Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 10 maart 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Voorvragen De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. 3Beoordeling van het bewijs 3.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. 3.2 Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de invoer van cocaïne. 3.3 Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I bij dit vonnis zijn vervat. 3.3.2 Bewijsoverweging Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 10 maart 2020 per vliegtuig vanuit Aruba op Schiphol is aangekomen met cocaïne in haar koffer. Verdachte heeft verklaard dat zij wel wist dat zij iets illegaals deed, maar dat zij dacht dat het om het smokkelen van diamanten ging. Zij heeft daarover geen verdere vragen gesteld. Toen verdachte de koffer aannam, heeft zij gemerkt dat deze zwaar was. Verdachte heeft verklaard dat zij de koffer zelf heeft ingepakt. Zij heeft haar kleding in de koffer gedaan en heeft er verder niet naar gekeken. Door de koffer met smokkelwaar niet te controleren, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij andere verboden goederen zoals cocaïne zou invoeren, hetgeen ook het geval bleek te zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee voorwaardelijk opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne in Nederland. Het ten laste gelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen. 3.4 Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat zij op 10 maart 2020 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 4Kwalificatie en strafbaarheid van het feit Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar. 5Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar. 6Motivering van de sanctie 6.1 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die zij reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. 6.2 Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van de reclassering met de daarin genoemde bijzondere voorwaarden dient te worden gevolgd. Hij heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte naast een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren. 6.3 Oordeel van de rechtbank Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van 2669,12 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid is zo groot, dat de cocaïne bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 12 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.