RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 8612640 \ VV EXPL 20-98 Uitspraakdatum: 3 september 2020 Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van: 1 [eiser sub 1]
- [eiseres sub 2] wonende te [woonplaats] eisers verder te noemen: [eiser sub 1] c.s. gemachtigde: R. van Bakkum tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats] gedaagde verder te noemen: [gedaagde] gemachtigde: mr. J.W. Spanjer 1Het procesverloop 1.
- [eiser sub 1] c.s. heeft [gedaagde] op 16 juli 2020 gedagvaard. 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus
- De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van (pleit)aantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] bij brief van 18 augustus 2020 nog stukken toegezonden. 2De feiten 2.
- [gedaagde] heeft op 1 maart 2016 met [eiser sub 1] c.s. een (onder)huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een woonruimte aan [adres] te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). 2.
- [eiser sub 1] c.s. exploiteert het op de begane grond van het pand gelegen café Bar Boef. 3De vordering 3.
- [eiser sub 1] c.s. vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van het gehuurde binnen één week na betekening van dit vonnis en tot betaling van de kosten van de ontruiming indien [gedaagde] het gehuurde niet vrijwillig ontruimt. 3.
- [eiser sub 1] c.s. legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2020 zou verlaten. [gedaagde] woont echter nog altijd in het gehuurde. [eiser sub 1] c.s. stelt een spoedeisend belang bij de vordering te hebben. Voor een rendabele en gezonde exploitatie van zijn bedrijf is het noodzakelijk dat [eiser sub 1] c.s. weer de beschikking krijgt over de op de bovenetages van het pand gelegen woonruimtes. 4Het verweer 4.
- [gedaagde] voert verweer tegen de vordering. Hij betwist dat hij ermee heeft ingestemd dat hij uiterlijk 31 januari 2020 het gehuurde zou verlaten. Hij voert aan dat hij in de communicatie met [eiser sub 1] c.s. heeft aangegeven bereid te zijn tot verhuizing onder de voorwaarde dat er voor hem andere en vergelijkbare woonruimte voorhanden zou zijn. Tot op heden is daarvan geen sprake. Verder betwist [gedaagde] dat [eiser sub 1] c.s. een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. 5De beoordeling 5.
- De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser sub 1] c.s. daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, nu de vordering van [gedaagde] gegrond is op de stelling dat [gedaagde] uiterlijk 31 januari 2020 het gehuurde had moeten ontruimen en verlaten, maar thans nog in het gehuurde verblijft. 5.
- Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat zou moeten gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. 5.
- Vast staat dat partijen eind 2018 met elkaar hebben gesproken over een mogelijke beëindiging van de (onder)huurovereenkomst. Reden daarvoor was dat [eiser sub 1] c.s. twijfelde over het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met de hoofdverhuurder van het gehele pand omdat dit gepaard zou gaan met een forse huurverhoging. Ter sprake is toen gekomen de beëindiging van de huurovereenkomst per 1 februari
- [eiser sub 1] c.s. heeft toen toegezegd [gedaagde] te zullen helpen bij het vinden van nieuwe woonruimte. 5.
- Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of afgesproken is dat [gedaagde] sowieso de woning eind januari 2020 zou verlaten - ook als hij geen vervangende woonruimte had gevonden - of dat hij alleen eind januari 2020 zou ontruimen en dus instemmen met beëindiging van de (onder)huurovereenkomst als hij er daadwerkelijk in geslaagd zou zijn vervangende woonruimte te vinden. Partijen spreken elkaar op dit punt tegen en ook de ter zitting meegekomen informanten hebben tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De overgelegde WhatsApp-berichten zijn evenmin voor slechts één uitleg vatbaar. Bij deze stand van zaken oordeelt de kantonrechter dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk heeft ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst per eind januari 2020, ook in het geval, waarvan thans sprake is, dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden. Nu de stelling waarop de door [eiser sub 1] c.s. gevorderde ontruiming is gebaseerd aldus niet is komen vast te staan, moet de vordering worden afgewezen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van [eiser sub 1] c.s. omdat hij ongelijk krijgt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt [eiser sub 1] c.s. tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 720,00 aan salaris van de gemachtigde van [gedaagde] ; 6.
- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter