RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./repnr.: 8374424 AO VERZ 20-38 Uitspraakdatum: 1 september 2020 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van: [werknemer] wonende te [woonplaats] verzoeker verder te noemen: [werknemer] procederend in persoon tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidLuba Uitzend Buro B.V. gevestigd te Leiden verweerster verder te noemen: Luba gemachtigde: mr. J.L.R. Kenens 1Het procesverloop 1.1. [werknemer] heeft een verzoek gedaan om het hem gegeven ontslag op staande voet te vernietigen. Gelijktijdig met dit verzoek heeft [werknemer] verzocht om op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een voorlopige voorziening te treffen. Omdat in verband met de uitbraak van het coronavirus alleen de urgente zaken zijn doorgegaan, is in eerste instantie enkel het verzoek ex artikel 223 Rv behandeld. Op 6 april 2020 heeft daartoe een zitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan die zitting heeft Luba bij brief van 2 april 2020 stukken toegezonden. 1.2. Bij beschikking van 24 april 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:5487) heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen. 1.3. Luba heeft op 15 juli 2020 een verweerschrift ingediend. Op 16 juli 2020 heeft [werknemer] een aanvullend beroepschrift ingediend. Voor aanvang van de zitting heeft Luba bij brief van 21 juli 2020 nog stukken nagezonden. Op 23 juli 2020 heeft andermaal een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Luba heeft ook pleitaantekeningen overgelegd. 2De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [in 1966] , is sinds 2 september 2019 bij Luba in dienst in de functie van Leerling eerste monteur service en onderhoud elektrotechniek en instrumentatie tegen een bruto maandsalaris van € 2.126,28 exclusief emolumenten.Partijen hebben een fase A uitzendovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten, waarin [werknemer] bij opdrachtgever FlexcoRail B.V. in [plaats] wordt gedetacheerd. 2.2. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor Uitzendkrachten (hierna: de cao) van toepassing verklaard. In de arbeidsovereenkomst is geen uitzendbeding opgenomen. 2.3. Luba is een uitzendbureau dat zich bezig houdt met uitzending, werving en selectie, detachering en payrolling van kandidaten in de logistieke en industriële sector. 2.4. In de arbeidsovereenkomst is – voor zover van belang – het volgende opgenomen: Artikel 1: Indiensttreding (…) Bij aanvang van deze arbeidsovereenkomst is in het kader van het leerwerkproject overeengekomen dat werknemer zal gaan deelnemen aan de opleiding eerste monteur service en onderhoud elektrotechniek en instrumentatie bij het ROC van Amsterdam. Artikel 2: Einde van de arbeidsovereenkomst Naast de in de wet genoemde wijzen van beëindiging, eindigt deze arbeidsovereenkomst van rechtswege zonder opzegging op 06-09-2020. Omdat deze arbeidsovereenkomst is gekoppeld aan de opleidingsovereenkomst gelden tevens de volgende voorwaarden: (…) De arbeidsovereenkomst en de opleidingsovereenkomst zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Op het moment dat de opleidingsovereenkomst is beëindigd, eindigt derhalve ook de arbeidsovereenkomst. Artikel 6: Salaris (…) Artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing gedurende de maximaal wettelijk toegestane termijn, een en ander conform artikel 40 ABU-cao (uitsluiting loondoorbetalingsverplichting). 2.5. In de cao is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:Artikel 22 Loondoorbetaling bij wegvallen uitzendarbeidLoondoorbetaling fase A: Uitzendovereenkomst met uitzendbeding en uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding zonder loondoorbetalingsverplichting1. De uitzendonderneming is aan de uitzendkracht die werkzaam is in fase A alleen het loon verschuldigd over de periode(n), dat de uitzendkracht daadwerkelijk uitzendarbeid heeft verricht. Voor een beroep op de uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is vereist dat de werkgeer de mogelijke toepassing hiervan bij aanvang van de uitzendovereenkomst schriftelijk kenbaar maakt.2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting is niet van toepassing in geval van arbeidsongeschiktheid, indien een uitzendovereenkomst zonder uitzendbeding is overeengekomen in fase A. (…) 2.6. Naast de arbeidsovereenkomst hebben [werknemer] en Luba ook een opleidingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [werknemer] op kosten van Luba mag deelnemen aan de driejarige opleiding eerste monteur service en onderhoud elektrotechniek en instrumentatie bij ROC van Amsterdam (hierna: ROC). 2.7. In de opleidingsovereenkomst is – voor zover van belang – het volgende bepaald:Artikel 3: LooptijdDe opleidingsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van drie jaar en eindigt van rechtswege zonder dat voorgaande opzegging is vereist. De overeenkomst eindigt eveneens van rechtswege zonder dat voorafgaande opzegging is vereist op de datum waarop de beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPV-overeenkomst) tussen het opleidingsinstituut, de opdrachtgever en werknemer voortijdig wordt beëindigd. 2.8. [werknemer] heeft met FlexcoRail B.V. en ROC een driejarige stageovereenkomst gesloten, namelijk van 16 september 2019 tot en met 31 juli 2022, waarop de ‘Algemene bepalingen stageovereenkomst (BPV en andersoortige stages) van ROC Amsterdam’ (hierna: Algemene bepalingen) van toepassing zijn verklaard. 2.9. Bij brief van 4 februari 2020 heeft Luba aan [werknemer] medegedeeld dat FlexcoRail B.V. de opleidingsovereenkomst met Luba heeft opgezegd, hetgeen meebrengt dat zijn arbeidsovereenkomst per diezelfde datum is geëindigd. Luba schrijft hierin als volgt:‘Middels dit schrijven willen wij je op de hoogte brengen dat Flexcorail de opleidingsovereenkomst met Luba heeft opgezegd. Redenen hiervoor zijn: -niet op het werk verschijnen (niet bereikbaar of af bericht naar collega.) -afspraak maken bij de een schade bedrijf, daar 1 x niet op afspraak is komen opdagen, 1x verzet -privérijden -boete Hiermee treden de ontbindende voorwaarden in zoals opgenomen in jouw arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat jouw arbeidsovereenkomst in Fase A per vandaag, 4 februari 2020, beëindigd.’ 2.10. Bij brief van 5 februari 2020 heeft [werknemer] geprotesteerd tegen de beëindiging van zijn dienstverband, waarbij hij zich beschikbaar houdt voor zijn werkzaamheden en om doorbetaling van zijn salaris verzoekt. 2.11. Bij e-mail van 11 februari 2020 heeft Luba hierop gereageerd dat zij aan het verzoek van [werknemer] geen gehoor zal geven. Luba heeft in dat verband een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde en de uitsluiting van de loondoorbetalingsverplichting in de arbeidsovereenkomst. 2.12. [werknemer] heeft zich op 24 februari 2020 ziekgemeld. 2.13. Bij brief van 2 maart 2020 schrijft het ROC aan [werknemer] dat hij vanaf 4 februari 2020 is uitgeschreven voor de opleiding met als gevolg dat de Onderwijsovereenkomst per die datum is geëindigd. 2.14. Bij e-mail van 5 maart 2020 heeft [werknemer] hierop als volgt gereageerd:‘U geeft hier aan dat stoppen van de studie is met mijn goedkeuring is gestopt. Ik heb nooit goed keuring gegeven. Graag hoor ik van u hoe u erbij komt!’ 2.15. Bij e-mail van 18 maart 2020 heeft FlexcoRail B.V. aan ROC het volgende geschreven: ‘Hierbij nog even de schriftelijke bevestiging van het opzeggen van een stage plek voor [werknemer] . Het spijt ons te melden dat de inzet niet aansloot bij onze verwachting en naar diversen gesprekken met Luba en de medewerker zelf hebben wij besloten niet verder te gaan met de leerling. De problemen stapelde zich op en hebben op 3 februari Luba geïnformeerd. Over het beëindigingen van de stage plaats. (….)’ 2.16. ROC antwoordt bij e-mail van 18 maart 2020 dat [werknemer] al eerder uitgeschreven stond. 2.17. Op 31 maart 2020 heeft tussen FlexcoRail B.V., ROC en [werknemer] een telefoongesprek met betrekking tot de opzegging van de stageovereenkomst plaatsgevonden. 2.18. Bij e-mail van 2 april 2020 heeft FlexcoRail B.V. aan ROC het volgende geschreven: ‘Zoals u weet, heb ik op 18 maart jl. de stageovereenkomst (BPV-overeenkomst) met [werknemer] schriftelijk opgezegd. Omdat [werknemer] het niet eens is met deze opzegging, hebben wij dinsdag 31 maart jl. om 11.00 uur met elkaar gebeld. Bij dat telefoongesprek waren aanwezig [betrokkene 1] en [gemachtigde] namens Luba. Ook [werknemer] heeft ingebeld. Tijdens dat telefoongesprek heb ik uitvoerig toegelicht waarom wij de stageovereenkomst al eerder hebben opgezegd. Redenen zijn onder andere, dat [werknemer] een paar keer fors te laat op het werk is verschenen, niet is komen opdagen bij een afspraak met het schadebedrijf, privé in de auto rondrijdt wat hij ten onrechte ontkent, diverse boetes heeft gekregen en in gesprekken een defensieve en intimiderende houding aanneemt. Ook heb ik genoemd, dat hij voor in totaal € 600,- van collega’s geld heeft geleend, die dat niet terug hebben gekregen en dat hij ook mij heeft verzocht geld aan hem te lenen voor een bedrag van € 1.000,-. Tijdens het telefoongesprek heeft [werknemer] van de gelegenheid gebruik gemaakt om hierop te reageren. Daarbij heeft hij zijn argumenten die hij in de procedure bij de kantonrechter naar voren brengt, herhaald. Wat mij daarbij is opgevallen, is dat hij geen enkel zelfreflectie toont. Hij reageert fel en zo nu en dan zelfs agressief, terwijl wij van een leerling toch een andere houding verwachten. Op de verwijten dat hij een defensieve en intimiderende houding aanneemt en geld heeft geleend zonder dat terug te betalen, wilde hij niet ingaan. Hij geeft nergens toe dat het anders had gemoeten. Tot slot zei [werknemer] in het telefoongesprek een paar keer dat hij direct weer als leerling bij ons op het werk komt als wij dat van hem zouden vragen. Hij zou zich gisteren dan gewoon om acht of negen uur ‘s ochtends komen melden, zei hij. Wat ons betreft heeft [werknemer] zich echter zodanig gedragen dat van ons als leerbedrijf in redelijkheid niet gevraagd kan worden de stageovereenkomst in stand te houden. Ook na zijn reactie gehoord te hebben, zijn wij van mening dat wij de stageovereenkomst terecht hebben opgezegd. Ik zou met de wetenschap van nu daarin geen andere beslissing hebben genomen. Indien de stageovereenkomst niet al is beëindigd, zeggen wij hierbij de stageovereenkomst wegens dezelfde reden nogmaals op met onmiddellijke ingang. De verhouding met [werknemer] is te erg verstoord om de stageovereenkomst met elkaar voort te zetten. Deze samenwerking gaat na eerdere gesprekken met [werknemer] in oktober 2019 en 17 december 2019 echt niet meer werken.’ 2.19. Bij voorlopige voorziening heeft deze rechtbank in haar voornoemde beschikking van 24 april 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:5487) geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en Luba niet rechtsgeldig is geëindigd. 2.20. In de probleemanalyse van de bedrijfsarts van 30 maart 2020 staat, voor zover hier van belang:‘Gezien mijn bevindingen is bij betrokkene sprake van “geen benutbare mogelijkheden” vanwege onvermogen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Hij heeft dan ook geen re-integratiemogelijkheden.’ 2.21. Op 31 maart 2020 is een plan van aanpak opgesteld, waarin het volgende is opgenomen: ‘De bedrijfsarts geeft in zijn probleemanalyse aan dat er sprake is van een medisch objectiveerbare aandoening conform artikel 19 ZW. [werknemer] is sociaal en emotioneel beperkt in zijn handelen en hierdoor arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk dan wel passend werk. (..) De casemanager neemt minimaal 1 keer in de 4 weken telefonisch contact op met [werknemer] . [werknemer] zal bereikbaar zijn voor het contact vanuit Acture. Indien er nieuwe medische informatie is en of herstel en of re-integratie stagneert wordt de casemanager door de eigenriscodragen en of [werknemer] geïnformeerd.’ 2.22. Luba heeft ter zitting een WhatsApp-conversatie overgelegd, waarin het volgende staat: [12:09, 4/30/2020] [werknemer] : Hoi [betrokkene 1] , Ik heb mijn ziekte geld nog niet ontvangen klopt dat? [12:20, 4/30/2020] [betrokkene 1] : Hallo [werknemer] , Dat klopt. Daarvoor verwijs ik je naar de beschikking van de rechtbank. [12:27, 4/30/2020] [werknemer] : Waar in de beschikking staat dan dat jullie geen ziekengeld moeten betalen? Er staat juist dat het wel moet. Kijk maar naar punt 5.14 en 5.15. omdat de rechter er niet zeker van was of ik nog ziek was, hebben ze het erop gehouden dat ik beter was. Dit klopt echter niet en is ook na te gaan bij de arbodienst. Op grond van artikel 22 2e lid van de cao heb ik daarom recht op ziekengeld. 3Het verzoek 3.1. [werknemer] verzoekt de kantonrechter primair om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking, Luba te veroordelen om: a. [werknemer] tot de werkvloer en de opleiding toe te laten teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten op straffe van een dwangsom van € 500,- althans een door U.E.A. in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat Luba in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen; aan [werknemer] de wettelijke rente te betalen over de onder a. genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening. 3.2. Subsidiair verzoekt [werknemer] de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen twee dagen na het wijzen van de beschikking, Luba te veroordelen om: an [werknemer] een bedrag te betalen gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren/van rechtswege zou zijn geëindigd. Conform artikel 7:677 lid 2 betreft dit een bedrag van € 22.502,62 bruto; aan [werknemer] te verstrekken de schriftelijk en deugdelijke netto/bruto specificaties, waarin de bedragen en betalingen van sub a. en b. zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,- per dag, althans een door U.E.A. in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,- voor elke dag na 2 dagen na de datum van de beschikking dat gedaagde niet voldoet aan de beschikking; aan [werknemer] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel WIK; aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de onder a, b en c genoemde bedragen vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening; de terugbetalingsregeling studiekosten, zoals opgenomen in artikel 6 van de opleidingsovereenkomst, te laten vervallen, aangezien het eindigen/het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen en/of nalaten van Luba. 3.3. Zowel primair als subsidiair verzoekt [werknemer] de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Luba te veroordelen om: an [werknemer] te betalen het verschuldigde maandsalaris ad € 2.126,28 bruto te vermeerderen met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag vanaf 4 februari 2020 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd; aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging over het aan [werknemer] toekomende loon ex artikel 7:625 BW; aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over de onder a genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van dit bedrag tot de dag der algehele voldoening; e kosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking, te betalen. 3.4. Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag – kort weergegeven – dat zijn stageovereenkomst – en daarmee ook de arbeidsovereenkomst – onterecht is geëindigd nu de ontbindende voorwaarde ongeldig is. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 24 april 2020 geoordeeld dat de ontbindende voorwaarde onterecht is toegepast, aangezien de intreding hiervan door de subjectieve wil van het leerbedrijf is bewerkstelligd. [werknemer] stelt dat de leerovereenkomst eveneens nog voortduurt, zodat van FlexcoRail B.V. gevergd kan worden dat [werknemer] , wanneer hij weer hersteld is, tot de werkvloer wordt toegelaten. [werknemer] betwist dat hij geen aanspraak maakt op loondoorbetaling op grond van artikel 22 van de ABU-cao. Ten eerste bestaat aan de zijde van Luba de misvatting dat [werknemer] hersteld zou zijn. De medische conditie van [werknemer] is echter verslechterd, hetgeen ook voortvloeit uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts en het plan van aanpak. Ten tweede heeft [werknemer] bij een toekomstige hersteldmelding op basis van de cao alsnog recht op loon, aangezien op basis van artikel 7:628 lid 5 BW het recht hierop voor de duur van zes maanden wordt uitgesloten. Deze zes maanden zijn op 2 maart 2020 verstreken, zodat [werknemer] vanaf heden hierop aanspraak kan maken. 4Het verweer en het tegenverzoek 4.1. Luba verweert zich tegen het verzoek. Zij voert – samengevat – aan dat de ontbindende voorwaarde wel rechtsgeldig is en verwijst in dit kader naar artikel 15 lid 1 sub a ABU Cao. In dit artikel wordt immers ook het formele en het materiële werkgeverschap uit elkaar gehaald. Bij een uitzendovereenkomst met uitzendbeding eindigt de arbeidsovereenkomst ook van rechtswege als de opdrachtgever om welke reden dan ook de uitzendkracht niet meer wil inlenen. Het beroep van Luba op de ontbindende voorwaarde zou dan ook mogelijk moeten zijn. Ten aanzien van de loonvordering stelt Luba dat [werknemer] per 1 april door Acture, de arbodienst van Luba, hersteld is gemeld. Indien [werknemer] zich hierin niet kon vinden, had het op zijn weg gelegen om een deskundigenoordeel ex artikel 7:629a BW aan te vragen. In geval het oordeel mocht luiden dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, bestaat er sinds 1 april 2020 geen aanspraak op loon, aangezien vast staat dat [werknemer] sinds deze datum geen werkzaamheden heeft verricht. Omdat van een opzegging van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden geen sprake is, ligt de vordering ex artikel 7:677 BW voor afwijzing gereed. Het verzoek van [werknemer] om het studiekostenbeding te laten vervallen, is ongegrond en niet nader onderbouwd. Het verzoek van [werknemer] ten aanzien van toelating tot de werkvloer ligt voor afwijzing gereed, nu artikel 23 lid 1 van de ABU Cao aan de herplaatsingsverplichting de voorwaarde stelt dat de loondoorbetalingsverplichting nadrukkelijk dient te zijn overeengekomen, hetgeen hier niet aan de orde is. Tenslotte dient [werknemer] zich tot ROC te richten indien hij tot de opleiding toegelaten wil worden. 4.2. Gelet op het bovenstaande dient [werknemer] niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel dienen zijn verzoeken te worden afgewezen, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure, waaronder het salaris van de gemachtigde. 4.3. Voorts wordt bij wijze van tegenverzoek verzocht om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [werknemer] te veroordelen tot terugbetaling aan Luba van een bedrag van € 1.192,72 netto terzake van onverschuldigd betaald loon, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure. 5De beoordeling Ten aanzien van het verzoek 5.1. Het gaat in deze procedure om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen Luba en [werknemer] op 4 februari 2020 op een rechtsgeldige wijze is geëindigd en of [werknemer] vanaf deze datum recht heeft op zijn loon. Ontbindende voorwaarden 5.2. Luba heeft betoogd dat zij de arbeidsovereenkomst met [werknemer] rechtsgeldig heeft beëindigd overeenkomstig artikel 2 van de arbeidsovereenkomst in verbinding met artikel 3 van de opleidingsovereenkomst. De opleidingsovereenkomst bevat de ontbindende voorwaarde dat deze overeenkomst van rechtswege eindigt op de datum waarop de beroepspraktijkvormingsovereenkomst (stageovereenkomst) tussen het opleidingsinstituut (ROC), de opdrachtgever (FlexcoRail B.V.) en werknemer ( [werknemer] ) voortijdig wordt beëindigd, waarmee tevens de ontbindende voorwaarde van de arbeidsovereenkomst in vervulling gaat. [werknemer] betwist dat sprake is van rechtsgeldige ontbindende voorwaarden. 5.3. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of hier sprake is van rechtsgeldige ontbindende voorwaarden. De Hoge Raad heeft bij de beoordeling hiervan vooropgesteld dat de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, meebrengt dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Een voorwaarde die redelijkerwijs niet met dat wettelijk stelsel is te verenigen, zal niet tot een beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst kunnen leiden. Van geval tot geval moet worden bezien of een voorwaarde als vorenbedoeld is te verenigen met dat wettelijk stelsel. Daarbij komt het mede aan op de aard, inhoud en context van de voorwaarde (HR 2 november 2012, ECLI: NL:HR:2012:BX03480). 5.4. Tevens vloeit uit de rechtspraak voort dat een ontbindende voorwaarde in een leer-arbeidsovereenkomst tussen de leerling en het leerbedrijf over het algemeen rechtsgeldig wordt geacht indien de vervulling daarvan:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.