RECHTBANK NOORD-HOLLAND Handel, Kanton en Insolventie locatie Haarlem Zaaknr./rolnr.: 7751268 \ CV EXPL 19-6029 Uitspraakdatum: 2 september 2020 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [de passagier] wonende te [woonplaats] eiser hierna te noemen de passagier gemachtigde mr. D.E. Lof tegen de rechtspersoon naar buitenlands recht Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft statutair gevestigd te Keulen, mede kantoorhoudende te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer gedaagde hierna te noemen Lufthansa gemachtigde mr. E.C. Douma 1Het procesverloop 1.
- De passagier heeft bij dagvaarding van 28 maart 2018 een vordering tegen Lufthansa ingesteld. Lufthansa heeft schriftelijk geantwoord. 1.
- De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Lufthansa een schriftelijke reactie heeft gegeven. 2De feiten 2.
- De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan hij op 22 oktober 2018 vervoert diende te worden van Boedapest (Hongarije) via Wenen (Oostenrijk) naar Sofia (Bulgarije) en op 26 oktober 2018 van Sofia via Frankfurt (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport. 2.
- Airhelp heeft compensatie van Lufthansa gevorderd in verband met vertraging van vlucht LH1427 van Sofia Airport naar Frankfurt am Main Airport op 26 oktober
- 2.
- Lufthansa heeft geweigerd tot betaling over te gaan. 3De vordering 3.
- De passagier vordert dat Lufthansa bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 oktober 2018 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 60,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.
- De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat Lufthansa vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,
- 4Het verweer 4.
- Lufthansa betwist de vordering. Zij voert aan dat de passagier bij Austrian Airlines zowel de vlucht op 22 oktober van Boedapest via Wenen naar Sofia uitgevoerd door Austrian Airlines als de vlucht op 26 oktober van Sofia via Frankfurt naar Amsterdam uitgevoerd door Lufthansa heeft geboekt. De boeking is door Austrian Airlines uitgeschreven op het ticketnummer 257-
- Aan het vliegticket is de voorwaarde verbonden dat de passagier gebruik maakt van alle vier de vluchten op de volgorde waarin zij zijn uitgeschreven. Het niet gebruik maken van één van de vluchten maakt de reservering van elke volgende vlucht ongeldig. Zonder het aanvaarden van de voorwaarde is het niet mogelijk om het vliegticket te boeken. De passagier heeft geen gebruik gemaakt van de vluchten op 22 oktober
- De passagier beschikte dan ook niet meer over een reservering voor de vluchten op 26 oktober
- Lufthansa weet niet hoe en wanneer de passagier in Sofia is aangekomen. De passagier heeft op de luchthaven van Sofia geen contact met Lufthansa opgenomen. Indien de passagier zich wel had gemeld voor de vlucht had Lufthansa de passagier niet kunnen toelaten. 5De beoordeling 5.
- De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. 5.
- In onderhavige zaak speelt de vraag of de passagier in aanmerking komt voor compensatie vanwege de vertraagde uitvoering van de vlucht van Sofia naar Frankfurt am Main op 26 oktober
- Er veronderstellenderwijs van uitgaande dat de passagier beschikte over een bevestigde boeking voor de vlucht op 26 oktober 2018 heeft de passagier tegenover het gemotiveerde verweer van Lufthansa niet aannemelijk gemaakt dat hij de intentie had om gebruik te maken van zijn vliegticket voor de vlucht van 26 oktober
- Niet gebleken is dat de passagier zich heeft gemeld bij de incheckbalie. Op grond van artikel 3 lid 2 van de Verordening is de Verordening dan ook niet van toepassing. De vordering op grond van artikel 7 van de Verordening wordt afgewezen. 5.
- De proceskosten komen voor rekening van de passagier, omdat deze ongelijk krijgt. 6De beslissing De kantonrechter: 6.
- wijst de vordering af; 6.
- veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor Lufthansa worden vastgesteld op een bedrag van € 144,00 aan salaris van de gemachtigde van Lufthansa; 6.
- verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. De griffier De kantonrechter