RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/100465-19 (ontneming) (P) Uitspraakdatum : 1 september 2020 vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 26 juni 2019 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen: [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna: [veroordeelde] . 1De vordering De officier van justitie heeft bij vordering van 26 juni 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e lid 5 Sr zal vaststellen op € 16.640,-- en dat aan [veroordeelde] de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor [veroordeelde] is gedagvaard om op 18 augustus 2020 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank. 2Het verloop van de procedure Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 18 augustus
- Daarbij zijn gehoord [veroordeelde] , zijn raadsman mr. M. de Klerk, advocaat te Haarlem en de officier van justitie mr. B.J.M. Leeuw. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 1 september
- 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en de vordering naar boven bijgesteld tot een bedrag van € 24.960,--, zijnde het bedrag zoals dit in de ontnemingsrapportage is berekend. 4Het standpunt van [veroordeelde] en zijn raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering moet worden gematigd, nu [veroordeelde] slechts 10 weken heeft gedeald, waarbij [veroordeelde] heeft verklaard dat er 3 dagen per week gemiddeld rond de 5 afnemers per dag bij hem langs kwamen. Anders dan de berekening zoals die in de ontnemingsrapportage is gemaakt, moet volgens de raadsman daarom worden gekeken naar de tenlastegelegde periode. Het ontnemingsbedrag wordt dan ongeveer € 4.000,--, zijnde 1/6e deel van het in de rapportage berekende voordeel.
- De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 5.1 Grondslag van de vordering De onderhavige vordering heeft betrekking op het geval van veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waarbij aannemelijk is dat dit feit er op enigerlei wijze toe heeft geleid dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft gekregen. Bij vonnis van deze rechtbank van 1 september 2020 is [veroordeelde] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met aftrek van de tijd die [veroordeelde] in voorarrest heeft doorgebracht, waarbij onder meer is bewezenverklaard dat: hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2019 tot en met 25 april 2019 te Haarlem, telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne. Op grond van deze veroordeling kan aan [veroordeelde] de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van het ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feit. 5.2 Het ontnemingsrapport Op 23 juni 2019 heeft de verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie Haarlem bij de Eenheid Noord-Holland een rapport opgesteld betreffende het door [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als het ontnemingsrapport. Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen [veroordeelde] . De rechtbank heeft daarnaast de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak. 5.3 De beoordeling Het ontnemingsrapport gaat voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van een dealperiode van 18 maanden en baseert dit op verklaringen van afnemers en politieregistraties. Nu verschillende afnemers hebben verklaard dat zij al twee tot vier jaar bij [veroordeelde] cocaïne kochten, zal ook de rechtbank uitgaan van een dealperiode van 18 maanden. Het ontnemingsrapport gaat ervan uit dat [veroordeelde] 4 dagen per week heeft gedeald. De rechtbank vindt deze schatting aan de hoge kant en gaat uit van 3 dagen per week, nu een aantal afnemers heeft verklaard dat [veroordeelde] enkele dagen per week thuis was op welk moment zij cocaïne bij hem kochten. Opbrengst De rechtbank gaat met betrekking tot de wijze van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het overige uit van het ontnemingsrapport. In het ontnemingsrapport wordt ervan uitgegaan dat [veroordeelde] gemiddeld 8 transacties per dag had en dat de gemiddelde opbrengst per dag € 160,-- was. Gelet op de bovenstaande gegevens wordt de totale opbrengst geschat op: € 160,-- per dag x 3 dagen dealen in cocaïne = € 480,-- per week. De opbrengst van € 480,-- per week x 78 weken = € 37.440,--. De inkoopkosten worden geschat op 50% van de verkoopprijs, zodat de winstmarge 50% bedraagt, zijnde € 18.720,--. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op: € 37.440,-- - € 18.720,-- € 18.720,-- 6Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat [veroordeelde] nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door [veroordeelde] te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door [veroordeelde] te betalen bedrag vaststellen op € 18.720,--. 7Toepasselijke wettelijke bepaling De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. 8Beslissing De rechtbank: Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 18.720,-- (achttienduizendzevenhonderdtwintig euro). Legt aan [veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 18.720,-- (achttienduizendzevenhonderdtwintig euro) ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Wijst de vordering voor het overige af. Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 120 dagen. 9Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door mr. F.W. van Dongen, voorzitter, mr. E.M. ten Bos en mr. J. Lintjer, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.L. de Vries, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 september
- Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt door de Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 23 juni 2019.