← Nederland

ECLI:NL:RBNHO:2020:7274

beslissing RECHTBANK NOORD-HOLLAND Wrakingskamer zaaknummer / rekestnummer: C/15/307233/HA RK 20/167 Beslissing van 17 september 2020 Op het verzoek tot wraking ingediend door: [verzoeker] wonende te [woonplaats] verzoeker. Het verzoek is gericht tegen: mr. I.H. Lips, hierna te noemen: de rechter. 1Procesverloop 1.

  1. Verzoeker heeft bij brieven gedateerd 21, 23 en 31 augustus 2020, bij de rechtbank ingekomen op 8 september 2020, schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Bewind, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer 8320244 CV EXPL 20-676, hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.
  2. De wrakingskamer heeft op grond van de hierna opgenomen overwegingen besloten geen datum te bepalen voor een mondelinge behandeling van het verzoek door de wrakingskamer. 2Het standpunt van verzoeker 2.
  3. Verzoeker heeft aangegeven de rechter te wraken vanwege, kort samengevat, de feiten zoals deze door de rechter zijn vastgesteld in het vonnis van 19 augustus
  4. 3De beoordeling 3.
  5. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend. 3.
  6. De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten. 3.2.
  7. Eiser in de hoofdzaak heeft gedaagde in de hoofdzaak (tevens verzoeker in de wrakingszaak) gedagvaard bij dagvaarding van 6 februari
  8. 3.2.
  9. Gedaagde in de hoofdzaak heeft op 15 april 2020 van antwoord gediend. 3.2.
  10. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat schriftelijk verder zal worden geprocedeerd. 3.2.
  11. Eiser in de hoofdzaak heeft op 27 mei 2020 van repliek gediend. 3.2.
  12. Gedaagde in de hoofdzaak heeft op 22 juli 2020 van dupliek gediend. 3.2.
  13. Tenslotte is vonnis bepaald. 3.2.
  14. Op 19 augustus 2020 is (eind)vonnis gewezen. Dit vonnis is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. 3.2.
  15. Bij brieven gedateerd 21, 23 en 31 augustus 2020, tezamen bij de rechtbank ingekomen op 8 september 2020, heeft gedaagde in de hoofdzaak de rechter gewraakt vanwege, kort samengevat, de feiten zoals deze door de rechter zijn vastgesteld in het vonnis van 19 augustus
  16. 3.
  17. De wrakingskamer overweegt als volgt. Toen verzoeker het wrakingsverzoek indiende, op 8 september 2020, had de rechtbank al uitspraak gedaan (vonnis van 19 augustus 2020). 3.
  18. Op grond van de wet kan de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt. Het wrakingsmiddel is door de wetgever toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter die een (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid heeft gewekt, nog langer bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet worden bereikt als de rechter een einduitspraak heeft gedaan. De behandeling is dan ten einde en de rechter is geen behandelend rechter meer. Ook uit onderdeel 4.4 van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Noord-Holland volgt dat een verzoek tot wraking alleen kan worden ingediend vóór de einduitspraak. 3.
  19. De wrakingskamer komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot wraking en dat het verzoek buiten behandeling moet worden gesteld. 4Beslissing De rechtbank 4.
  20. verklaart het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk. 4.
  21. beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden. Deze beslissing is gegeven door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, mr. P.H.B. Littooy en mr. S.W.S. Kiliç, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Bruijn, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 september
  22. griffier voorzitter de griffier is buiten staat om deze beslissing te ondertekenen Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.