RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 19/5044 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. A. Lange), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. W. van Nieuwburg). Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) maar dat de uitkering met ingang van 1 juni 2019 niet wordt uitbetaald omdat eiser verwijtbaar werkloos wordt geacht. Bij besluit van 27 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1. Eiser heeft gedurende 18 jaar gewerkt bij de [werkgever] , waarvan de laatste drie jaar als leidinggevende. Op 2 november 2015 is hij aangehouden en in verzekering gesteld wegens verdenking van diefstal van goederen (waaronder een darmspoelapparaat) uit het bedrijf [bedrijf 1] . Daarnaast werd bij een huiszoeking een busje pepperspray dat van eiser was, aangetroffen in de tas van de partner van eiser. Eiser mocht de pepperspray uit hoofde van zijn functie thuis hebben, maar hij mocht het niet aan derden verstrekken. Eiser is die dag door de [werkgever] buitenfunctie gesteld. 1.2. Op 11 november 2015 heeft eiser gesolliciteerd naar de functie van [functie] bij [bedrijf 2] . Op 2 december 2015 volgde een sollicitatiegesprek en op 1 maart 2016 is eiser in dienst getreden bij [bedrijf 2] . De [werkgever] heeft eiser eervol ontslag verleend met ingang van 1 april 2016. Op 28 december 2017 is eiser veroordeeld zonder oplegging van straf of maatregel wegens diefstal van goederen en het wederrechtelijk toe-eigenen van een busje pepperspray. 1.3. [bedrijf 2] heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met eiser te ontbinden. In de beschikking van 10 juli 2018 heeft de kantonrechter dit verzoek afgewezen en het verzoek van eiser tot wedertewerkstelling toegewezen. Op 5 oktober 2018 is [bedrijf 2] in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking. Bij beschikking van 25 juni 2019 heeft het gerechtshof de bestreden beschikking - voor zover [bedrijf 2] is veroordeeld eiser tot zijn werkzaamheden toe te laten en is veroordeeld in de proceskosten - vernietigd en de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2019 beëindigd. Verder is [bedrijf 2] veroordeeld tot betaling aan eiser van de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf 31 juli 2019 en is eiser veroordeeld tot het betalen van de proceskosten. 1.4. Eiser heeft op 27 juni 2019 een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft in het primaire besluit beslist zoals hiervoor is weergegeven waartegen eiser bezwaar heeft gemaakt. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard. 2. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat eiser verwijtbaar werkloos wordt geacht omdat zijn dienstbetrekking wegens een dringende reden is beëindigd en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zijn aanstaande werkgever tijdens het sollicitatiegesprek op 2 december 2015 niet volledig heeft geïnformeerd omtrent zijn situatie op dat moment. Hij heeft weliswaar verteld dat hij verdacht werd van diefstal van een darmspoelmachine, maar dat er pepperspray was aangetroffen en hij niet gerechtigd was deze aan zijn voormalige partner te geven heeft hij verzuimd te melden. Eiser heeft ook niet vermeld dat hij door de [werkgever] buitenfunctie was gesteld en hij heeft tijdens de screening de vraag of hij wel eens geschorst was in een dienstverband met “nee” beantwoord. Verweerder deelt eisers standpunt niet dat een buitenfunctiestelling iets anders is dan een schorsing. Eiser heeft zijn werkgever op dit punt onvolledig, en niet naar waarheid geïnformeerd. Voor alle medewerkers van [bedrijf 2] geldt dat zij van onbesproken gedrag dienen te zijn. Eiser had daarnaast als [functie] ook een voorbeeldfunctie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiser in deze functie verwacht had mogen worden dat hij steeds volledige openheid van zaken aan zijn werkgever zou hebben gegeven. Dit heeft hij niet gedaan. Verder heeft eiser geen openheid van zaken gegeven over zijn verblijfadres waardoor hij tot juli 2018 de maximale woon-werk-vergoeding ontving op basis van zijn adres in [plaats] terwijl hij vanaf december 2017 in [woonplaats] woonde. Op basis van eisers handelen stelt verweerder dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden met als gevolg dat het recht op WW-uitkering met ingang van 1 juli 2019 niet tot uitbetaling komt. 3. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat verweerder uitgaat van onjuiste aannames en een eenzijdige en negatieve interpretatie van de feiten. Er is onvoldoende onderzoek verricht en verweerder komt te licht tot het oordeel dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag heeft opgeleverd. Hij benadrukt dat hij bij zijn sollicitatie de meest verstekkende en belastende informatie heeft vermeld. Dat pepperspray die zijn toenmalige werkgever aan hem ter beschikking had gesteld, bij zijn partner is aangetroffen, is slechts een bijkomstige kwestie. Ten tijde van het sollicitatiegesprek wist eiser nog niet dat hij hiervoor zou worden vervolgd. Hiervan raakte hij pas op de hoogte toen hij kort voor de strafzitting op 14 december 2017, de dagvaarding ontving. Wat betreft zijn woonadres en de reiskostenvergoeding voert eiser aan dat hij in die periode door relatieperikelen op wisselende adressen verbleef. Hij heeft wel degelijk aan zijn leidinggevende doorgegeven dat hij na 1 januari 2018 formeel naar [woonplaats] was verhuisd. Het besluit tot buitenfunctiestelling is naar het nieuwe adres verzonden en was dus bekend bij de werkgever. Bij de werkhervatting is het eiser ontschoten om dit in het systeem te wijzigen. Eiser wijst erop dat dit niet uitmaakte voor de hoogte van de reiskostenvergoeding omdat beide adressen verder liggen dan de maximum afstand die wordt vergoed. Hij heeft geen financieel voordeel genoten door het niet doorgeven van de verhuizing. Verder wijst eiser erop dat de werkgever heeft gekozen voor een ontbindingsverzoek en niet voor ontslag op staande voet. Daarnaast is [bedrijf 2] ook pas tot schorsing overgegaan, nadat zijn werkgever een mail met daarin een dreiging tot openbaarheid had ontvangen van een derde uit eisers persoonlijke sfeer die hem vijandig gezind was. Dit zou een rol gespeeld kunnen hebben bij de besluitvorming van de werkgever. De kantonrechter zag in elk geval geen aanleiding voor een ontbinding op basis van het feitencomplex en het gerechtshof heeft een transitievergoeding toegekend. Het gerechtshof was dan ook van mening dat eiser niet ‘ernstig verwijtbaar’ heeft gehandeld, waarmee zijn handelen niet in de allerhoogste klasse is gekwalificeerd. Aanvullend voert eiser aan dat het enkel verzuim uit eigener beweging melding te maken van het feit dat hij door de [werkgever] buiten functie was gesteld, op zichzelf geen reden kan zijn voor het aannemen van een dringende reden voor ontslag. Daarbij wijst hij erop dat hij wel volle openheid heeft geboden over het feit dat hij strafrechtelijk vervolgd werd. Het had ook op de weg van de werkgever gelegen om te vragen of dit nog repercussies had voor de uitoefening van zijn functie. Tot slot voert eiser aan dat verweerder zich in zijn verweerschrift ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit de schorsing niet zou blijken dat de werkgever de zaak niet serieus neemt, dat zijn persoonlijke omstandigheden geen grond zijn om geen dringende redenen aan te nemen. 4. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van dat artikel is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW, brengt het UWV een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het UWV de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken. Op grond van het achtste lid, kan het UWV afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Op grond van artikel 7:678 van het BW, worden voor de werkgever als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. 5.1. In de uitspraken van 7 november 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3469 en ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid, gelet op de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, een materiële beoordeling plaats dient te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 van het BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Tot de elementen die moeten worden gewogen, behoren naast de aard en ernst van de gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.