RECHTBANK NOORD-HOLLAND Team Straf, locatie Haarlem Meervoudige strafkamer Parketnummer: 15/034856-20 (ontneming) Uitspraakdatum : 29 oktober 2020 vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 7 juli 2020 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), wonende te [adres] , hierna: veroordeelde. 1De vordering De officier heeft bij vordering van 7 juli 2020 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op € 305.265,- en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie baseert de vordering op (
- i)de strafbare feiten waarvoor veroordeelde is gedagvaard om op 15 oktober 2020 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank en (
- ii)andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan. 2Het verloop van de procedure De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2020. Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020. Daarbij zijn gehoord veroordeelde, zijn raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie mr. R.P. Peters. Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 29 oktober 2020. 3Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en de vordering naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 212.496,-. Zij baseert zich daarbij op het hieronder vermelde ontnemingsrapport en heeft daar een aantal bedragen vanaf getrokken. 4. Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman De raadsman heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat de overeengekomen schikking – waarbij tegen betaling van een bedrag van € 35.000,- en het afstand doen van het inbeslaggenomen geld van € 46.900,- een deel van de tenlastelegging is komen te vervallen – toewijzing van de vordering in de weg staat. Verdachte is er vanuit gegaan en mocht er ook vanuit gaan dat de ontnemingsvordering in zijn geheel zou komen te vervallen. Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van een aantal posten bestreden dat het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Ten aanzien van het geld op de bankrekening bij de Habibbank is er sprake van legale inkomsten. Verdachte heeft dit geld verworven uit werk in Pakistan. Ten aanzien van de contante stortingen op de Nederlandse bankrekeningen betreft het inkomen uit handels aan- en verkopen die contant werden betaald. Daarnaast betreft het geld uit leningen en inkomsten door commissie voor transacties. Er is geen sprake van uit misdrijf afkomstige gelden. Ten aanzien van de vliegreizen zijn deze betaald door bedrijven waar verdachte mee samen heeft gewerkt. Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de raadsman ter terechtzitting een aantal stukken overgelegd. 5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel 5.1. Grondslag van de vordering De onderhavige vordering heeft betrekking op het geval van veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waarbij aannemelijk is dat de bewezen verklaarde feiten en andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen. Bij vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2020 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarbij is bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: Ten aanzien van feit 1: witwassen, meermalen gepleegd Ten aanzien van feit 2: opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet Ten aanzien van feit 4: valsheid in geschrift Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan. 5.2. Het ontnemingsrapport Op 17 juni 2020 heeft verbalisant [verbalisant] , rechercheur bij de Belastingdienst/FIOD, een rapport opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsrapport). Bij het ontnemingsrapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak. 5.3. De beoordeling De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Veroordeelde heeft op 29 juni 2020 een transactievoorstel van het Openbaar Ministerie getekend. Daarnaast heeft hij een apart stuk van de officier van justitie voor akkoord getekend. In dit stuk staat uitdrukkelijk vermeld dat het Openbaar Ministerie de ontnemingsvordering handhaaft. Daarbij heeft veroordeelde ook bijstand gehad van een raadsman. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering. De rechtbank acht het – mede gelet op de selectie van bewijsmiddelen zoals opgenomen in de bijlage van het tegen de veroordeelde gewezen strafvonnis van 29 oktober 2020 – aannemelijk dat veroordeelde voordeel heeft genoten uit de bewezen verklaarde strafbare feiten, terwijl er ook sterke aanwijzingen bestaan dat veroordeelde al eerder actief was in de ketaminehandel en derhalve ook voordeel heeft genoten uit ‘andere strafbare feiten’. Daarbij dient verder te worden vooropgesteld dat in de onderhavige procedure een ‘aannemelijkheidsvereiste’ geldt bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het kader van de daaruit voortvloeiende redelijke en billijke verdeling van de bewijslast, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om een beredeneerde onderbouwing aan te leveren van dat voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie dat gedaan. Hierbij betreft het de berekeningen die ten grondslag liggen aan het ontnemingsrapport, welke berekeningen zijn gebaseerd op wettige bewijsmiddelen. Gelet op die vaststelling, brengt het voornoemde uitgangspunt van de bewijslastverdeling mee, dat van de veroordeelde een gemotiveerde betwisting gevergd mag worden. Daarbij gaat het er in het bijzonder om, dat hij concreet en gemotiveerd aanvoert dat en waarom de aannames en/of berekeningsmethoden die door het Openbaar Ministerie zijn gehanteerd aangaande de omvang van het vastgestelde voordeel naar zijn mening onjuist zijn. Van de zijde van veroordeelde is ter zitting ten aanzien van een aantal posten bepleit dat het geen wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. De rechtbank zal deze verweren echter verwerpen. De van de zijde van veroordeelde – vaak eerst ter zitting – ingenomen stellingen zijn immers niet aannemelijk geworden. Deze stellingen zijn op een aantal punten niet onderbouwd, en als er al enige onderbouwing is, zijn de stellingen niet verifieerbaar of tegenstrijdig met eerder door veroordeelde afgelegde verklaringen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het ontnemingsrapport als basis dient voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. In het ontnemingsrapport wordt uitgegaan van een totaalbedrag van € 305.265,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel. De berekening die hierop is gebaseerd, bestaat uit twee onderdelen, te weten: Wederrechtelijk verkregen voordeel zaaksdossier 1 Op 8 februari 2020 is er onder verdachte een bedrag van € 40.900,- in beslag genomen. Op 2 maart 2020 is tijdens het insluiten van verdachte een bedrag van € 5000,- in beslag genomen. Inbeslagname op Schiphol 8 februari 2020 € 40.900 Aangifte Liquide Middelen 29 april 2019 € 15.000 Inbeslagname in woning 2 maart 2020 € 1.000 Inbeslagname tijdens insluiting JCS € 5.000 Totaal € 61.900 Wederrechtelijk verkregen voordeel zaaksdossier 2 In dit zaakdossier zijn diverse bevindingen beschreven met betrekking tot het onverklaarbaar vermogen van verdachte. Contante stortingen Verdachte heeft de beschikking over twee privé bankrekeningen in Nederland die alleen op zijn naam gesteld. Op deze rekeningen zijn in de periode 1 januari 2018 tot en met 11 februari 2020 contante bedragen gestort. Op bankrekening [rekeningnummer] is in genoemde periode een bedrag van € 18.980 contant gestort. Op bankrekening [rekeningnummer] is in genoemde periode een bedrag van € 45.010 contant gestort. Verdachte heeft de beschikking over de zakelijke rekening van de [bedrijfsnaam] in Nederland. Op deze rekening zijn in de periode 1 januari 2018 tot en met 11 februari 2020 contante bedragen gestort. Op bankrekening [rekeningnummer] , van [bedrijfsnaam] , is in genoemde periode een bedrag van € 54.380 contant gestort. Op deze drie bankrekeningen is in de periode 1 januari 2018 tot 11 februari 2020 in totaal een bedrag van € 118.370 contant gestort. Van deze drie bankrekeningen is in de periode 1 januari 2018 tot 11 februari 2020 in totaal een bedrag van € 38.420 contant opgenomen. Verdachte heeft de beschikking over een privé bankrekening in Pakistan bij de Habib bank. In de periode van 28 oktober 2019 tot 14 november 2019 worden er op deze rekening bedragen bijgeschreven. Op 14 november 2019 staat er een bedrag van PKR 20.470.792 op deze rekening. Omgerekend naar Euro's bedroeg dit bedrag op 14 november 2019: € 118.154. Op 2 maart 2020 is een Mercedes Benz type GLK 350, voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken] , in beslag genomen. Dit voertuig staat sinds 29 oktober 2019 op naam gesteld van [bedrijfsnaam] , [adres] . Dit voertuig heeft gedurende de periode 24 september 2019 tot 29 oktober 2019 op naam gesteld gestaan van verdachte. Het is niet bekend wat er door verdachte en de [bedrijfsnaam] voor dit voertuig is betaald. Volgens de website van de BOVAG heeft het voertuig op dit moment een waarde van minimaal € 10.869. Uitgaven dagelijks levensonderhoud (voeding) Uit onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte voor een totaalbedrag van € 1.158 heeft gepind bij de aankoop van boodschappen. Uit het kostenoverzichten van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) komt naar voren dat een man, in de leeftijd van 51-69 jaar in een één persoonshuishouden, in de periode 1 januari 2018 tot en met 11 februari 2020 minimaal een bedrag van € 5.429 aan voedingskosten moet hebben gehad. Verdachte heeft dus minimaal een bedrag van € 4.271 contant afgerekend bij de aankoop van boodschappen. Reizen Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2018 tot 8 februari 2020 zeven keer een reis gemaakt naar Pakistan. De betalingen voor deze reizen zijn niet terug te vinden op de bankrekeningen van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij als zakenman businessclass vliegt. Voor deze reizen heeft verdachte minimaal een bedrag van € 28.000 contant uitgegeven. Overige contante aankopen Op 8 februari 2020 zijn in het bezit van verdachte drie aankoopbewijzen aangetroffen voor contant betaalde aankopen: Hugo Boss kleding: Op 15 november 2019 heeft verdachte bij de Hugo Boss store in Amsterdam een jas en een trui gekocht. Hiervoor is een bedrag van € 908,90 contant betaald. Wisseltransactie: Op 22 november 2019 is er in Dubai bij een wisselkantoor “Orient Exchange” € 600 contant betaald voor de aankoop van AED 2.424,06. Op 21 november 2019 is verdachte vanuit Amsterdam, via Dubai, naar Sialkot (Pakistan) gereisd. Hugo Boss aktetas: Op 8 februari 2020 heeft verdachte op de luchthaven van Dubai bij de Hugo Boss shop een aktetas gekocht. Hiervoor is een bedrag van € 612,14 contant betaald. Totaal bedrag zaaksdossier 2 Contante stortingen Nederlandse rekeningen € 118.370 Bijschrijvingen Pakistaanse rekening € 118.154 Mercedes Benz € 10.869 Boodschappen € 4.271 Vliegreizen € 28.000 Overige contante aankopen € 2.121 Totaal € 281.785 Contante opnames Nederlandse rekeningen € 38.420 Totaal € 243.365 Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel Zaaksdossier 1: € 61.900 Zaaksdossier 2: € 243.365 Totaal € 305.265 Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat veroordeelde een minimaal wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € 305.265,-. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat veroordeelde afstand heeft gedaan van de Mercedes Benz ter waarde van € 10.869,- en van het geldbedrag van € 46.900,-. Daarnaast is veroordeelde op 2 juli 2020 een schikkingsbedrag van € 35.000, overeengekomen met het Openbaar Ministerie. De rechtbank is - net als de officier van justitie - van oordeel dat voornoemde bedragen in mindering moeten worden gebracht op het totale bedrag van € 305.265,- uit het ontnemingsrapport. De rechtbank komt tot het volgende totaalbedrag: Zaaksdossier 1: € 15.000,- Zaaksdossier 2: € 232.496,- Totaal € 247.496,- Minus het overeengekomen schikkingsbedrag van € 35.000,-. Dit maakt een eindtotaal van € 212.496,-. 6Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel. De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 212.496,-. 7. Toepasselijke wettelijke bepaling De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr. 8Beslissing De rechtbank: stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 212.496,-; legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 212.496,- ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel; legt aan veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 212.496,- (tweehonderdtwaalfduizend en vierhonderdzesennegentig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel; bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum Dit vonnis is gewezen door: mr. F.W. van Dongen, voorzitter, mr. H. Brouwer en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R. Winter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2020. mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Ontnemingsrapportage verdachte [veroordeelde] , ex artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht van 17 juni 2020, onderzoek 67719, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] .